Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1087

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
06-07-2016
Zaaknummer
200.163.291/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad Staat door trage behandeling verzoek tot overbrenging vanuit VS? Smartengeld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.163.291/01

Zaak/rolnummer rechtbank : 2138237 RL EXPL 13-18409

Arrest van 29 maart 2016

inzake

[appellant],

wonende te Amsterdam,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. O.H.A. Mo-Ajok te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 10 december 2014 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 17 september 2014 dat de rechtbank Den Haag, team kanton (hierna: de kantonrechter), tussen partijen heeft gewezen (hierna: het bestreden vonnis). Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd en, zo begrijpt het hof en zo heeft de Staat het ook opgevat, zijn eis vermeerderd. De Staat heeft de grieven bij memorie van antwoord (met producties) bestreden. Ten slotte is arrest gevraagd onder overlegging van de stukken.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de kantonrechter in het bestreden vonnis onder 2 vastgestelde feiten zijn niet in geschil, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan. Met inachtneming daarvan en van hetgeen overigens uit de stukken als niet (voldoende) gemotiveerd bestreden naar voren is gekomen, gaat het in deze zaak om het volgende

1.1.

Op 16 juli 2005 is [appellant] in de Verenigde Staten (hierna: de VS) veroordeeld (onder meer) tot een gevangenisstraf van 274 maanden. Deze straf is door de autoriteiten in de VS teruggebracht tot 131 maanden.

1.2.

[appellant] heeft op 27 juni 2007 bij de Amerikaanse autoriteiten een verzoek ingediend tot overbrenging naar Nederland. In oktober 2010 is een zodanig verzoek van de VS binnengekomen bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie (hierna: MvVJ). Aan de officier van justitie is vervolgens gevraagd om een inschatting te maken van het strafrestant dat zou overblijven indien een zogeheten omzettingsprocedure zou worden gevolgd. Dat strafrestant bleek te klein te zijn om [appellant] nog een deel van zijn straf in Nederland te laten uitzitten. Het beleid is dan dat het verzoek wordt geweigerd. Er is echter voor gekozen om een uitzondering te maken en om de straf van [appellant] in Nederland voort te zetten zonder een omzettingsprocedure te volgen. Van deze beslissing zijn de autoriteiten in de VS op 26 oktober 2010 op de hoogte gesteld. Daarbij is vermeld dat het dossier voor advies aan het gerechtshof te Arnhem zou worden gezonden en dat de Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) zou worden verzocht om een bindingsrapportage (vereist voor het in behandeling kunnen nemen van het verzoek) op te stellen.

1.3.

Namens [appellant] is in mei 2011 bij het MvVJ geïnformeerd naar de stand van zaken met betrekking tot het verzoek. Op dat moment bleek dat het dossier niet naar het gerechtshof te Arnhem was gezonden voor advies en dat van de reclassering geen bindingsrapportage was ontvangen.

1.4.

Op 24 mei 2011 heeft het MvVJ aan het gerechtshof te Arnhem verzocht om conform het bepaalde in (destijds) artikel 43 van de Wet Overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) te adviseren omtrent het verzoek om de gevangenisstraf van [appellant] verder te ondergaan in een gevangenis in Nederland en daartoe de tenuitvoerlegging van het buitenlandse strafvonnis aan Nederland over te dragen en [appellant] over te doen brengen naar Nederland. Het hof te Arnhem heeft de zaak met spoed opgepakt.

1.5.

De reclassering heeft op 18 augustus 2011 een bindingsrapport opgesteld, dat vervolgens aan het hof te Arnhem is opgestuurd.

1.6.

Op 6 oktober 2011 heeft het hof te Arnhem het advies uitgebracht dat aan de Minister van Veiligheid en Justitie de aanwijzing wordt gegeven dat de aan [appellant] opgelegde gevangenisstraf verder in Nederland ten uitvoer zal worden gelegd.

1.7.

Op 13 oktober 2011 is aan de autoriteiten in de VS bericht dat wordt ingestemd met de overdracht van de tenuitvoerlegging van de straf.

1.8.

[appellant] is begin maart 2012 naar Nederland overgebracht. Op 22 juni 2012 is hij in vrijheid gesteld.

2. [appellant] heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Staat veroordeelt om aan hem te betalen een (immateriële) schadevergoeding ten bedrage van € 21.500,-, te vermeerderen met wettelijke rente. [appellant] heeft daartoe aangevoerd dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door zijn verzoek om overbrenging dat in oktober 2011 bij het MvVJ is binnengekomen, pas zeven maanden later, namelijk op 24 mei 2011 aan het gerechtshof te Arnhem te sturen met het verzoek om advies. Hierdoor heeft [appellant] onnodig lang in een Amerikaanse gevangenis gezeten, waardoor hij schade heeft geleden.

De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. Bij het bestreden vonnis zijn de vorderingen van [appellant] afgewezen.

4. Naar het hof begrijpt vermeerdert [appellant] in appel zijn eis en vordert hij thans, naast de hierboven reeds genoemde immateriële schadevergoeding, tevens een vergoeding van de volgens hem geleden materiële schade ad € 2.150,- (zie akte eisvermeerdering eerste aanleg sub 1, productie 1 bij memorie van grieven; zie tevens memorie van grieven sub 2.4.), dan wel € 1.125,- (zie voormelde akte eisvermeerdering sub 4 en in het petitum van die akte onder (ii)). Uit de memorie van antwoord sub 2.5. blijkt dat de Staat ook uitgaat van een eisvermeerdering. Gelet hierop heeft [appellant] geen belang bij een bespreking van grief 4 (die inhoudt dat de kantonrechter ten onrechte de akte eisvermeerdering buiten beschouwing heeft gelaten).

5. Grieven 1 en 2 zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de Staat niet onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld. [appellant] voert daartoe het volgende aan. De overheid is gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Deze beginselen en de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW overlappen elkaar. Het niet eerbiedigen van de wet of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur levert zonder meer een onrechtmatige daad op; een schending van een subjectief recht is daarvoor niet vereist. Bovendien moeten strengere eisen worden gesteld aan overheidshandelen, waardoor eerder sprake zal zijn van een onrechtmatige daad. Uitgangspunt is dat de doorlooptijd van de behandeling en afwikkeling van een WOTS-verzoek ca 4 maanden bedraagt. Het hof te Arnhem heeft immers op 6 oktober 2011 beslist op een verzoek dat op 24 mei 2011 aan hem werd voorgelegd. Dat het overbrengingsverzoek niet in oktober 2010, maar pas op 24 mei 2011 voor advies is doorgezonden aan het gerechtshof te Arnhem, is veroorzaakt door ernstig nalatig, in hoge mate inadequaat en hoogst onzorgvuldig handelen door een voormalig medewerker. De onrechtmatigheid staat daarmee vast. De door de kantonrechter genoemde omstandigheden (te weten (i) geen sprake van overschrijding van een termijn want in het VOGV (Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen) en de WOTS is geen termijn genoemd voor de behandeling van een overbrengingsverzoek en artikel 6 EVRM is niet van toepassing op overbrengingszaken, (ii) de door Staat gestelde gemiddelde termijn voor afhandeling in een geval als dit, namelijk 1 à 1,5 jaar, is niet onredelijk lang en [appellant] heeft niet aangetoond dat normaal gesproken sneller op dergelijke verzoeken wordt beslist en (iii) de zaak heeft weliswaar 7 maanden stil gelegen maar is daarna met spoed opgepakt waardoor de procedure desondanks binnen de gebruikelijke niet onredelijke termijn is afgerond) kunnen de Staat niet disculperen. Deze omstandigheden hebben immers destijds feitelijk geen rol gespeeld en zijn niet van belang geweest voor het nalatig handelen van de ambtenaar. Er moet worden gefocust op het gedrag van de Staat en niet op de vermeende “eigen schuld” van de betrokken gedetineerde. Het is een feit van algemene bekendheid dat het regime in Amerikaanse gevangenissen veel strenger, gevaarlijker en bedreigender is dan in Nederlandse gevangenissen en dat een gedetineerde in Nederland veel meer faciliteiten heeft. [appellant] is tijdens zijn detentie in de VS geconfronteerd met fysiek geweld en psychische intimidatie en hij heeft de fysieke bedreiging afgekocht door het kopen van cadeaus en het betalen van kosten voor zijn medegedetineerden. Zijn zus heeft hem daarvoor geld geleend. Aldus heeft hij materiële schade geleden doordat zijn detentie in de VS onnodig is verlengd. Ook heeft hij daardoor immateriële schade geleden (psychisch leed als gevolg van spanning, frustratie en onzekerheid), aldus nog steeds [appellant].

6. Niet in geschil is dat de zaak circa 7 maanden heeft stilgelegen. Indien de zaak inderdaad, zoals aangevoerd, in een bureaula terecht is gekomen en daardoor tijdelijk is vergeten, is dit zonder meer onzorgvuldig te noemen. Voor een succesvolle claim op grond van artikel 6:162 BW is echter tevens vereist dat vaststaat dat [appellant] als gevolg van die onzorgvuldigheid schade heeft geleden. Dat dit het geval is, is niet (voldoende) onderbouwd. [appellant] stelt dat hij door voormelde nalatigheid van de Staat pas begin maart 2012 in plaats van medio 2011 (7 maanden eerder) naar Nederland is overgebracht (memorie van grieven 1.4.) en dat zijn verblijf in de Amerikaanse gevangenis dus onnodig is verlengd (memorie van grieven 1.5.). De Staat heeft echter reeds in eerste aanleg betoogd dat moet worden gekeken naar de gehele procedure vanaf het verzoek van de Verenigde Staten tot de overbrenging naar Nederland en dat die procedure in dit geval is afgerond binnen de gebruikelijke termijn van anderhalf jaar (conclusie van antwoord onder 19). De kantonrechter is hiervan ook uitgegaan. In het bestreden vonnis overweegt de kantonrechter (onder 4.2.) dat de procedure weliswaar gedurende 7 maanden stil heeft gelegen, maar daarna met spoed is opgepakt waardoor de procedure desondanks binnen de gebruikelijke termijn is afgerond. Daartegen is geen afzonderlijke klacht gericht. [appellant] heeft niet bestreden, laat staan gemotiveerd bestreden, dat de aanvankelijke vertraging aldus is “goedgemaakt”. Dit betekent dat aangenomen moet worden dat [appellant] niet (in relevante mate) sneller naar Nederland zou zijn overgebracht indien het verzoek binnen de gebruikelijke termijn voor advies zou zijn doorgeleid aan het hof in Arnhem. Daarbij zij volledigheidshalve nog opgemerkt dat de stelling van [appellant] dat uitgangspunt is een behandeling door het hof te Arnhem binnen circa 5 maanden, naar het hof begrijpt (nu een verwijzing naar andere zaken ontbreekt) uitsluitend is gebaseerd op de onderhavige zaak, terwijl niet is weersproken juist in deze zaak de vertraging is gevolgd door extra voortvarendheid.

7. Daargelaten de vraag of de door [appellant] gestelde schade afdoende is onderbouwd en voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen, volgt uit het voorgaande dat geen sprake is van een “onnodige verlenging” van de Amerikaanse detentie. Reeds daarop stranden de vorderingen van [appellant]. Dit betekent ook dat grief 3, die is gericht tegen de – overigens niet dragende – overwegingen van de kantonrechter ten aanzien van het causaal verband en schade, evenmin succes heeft.

8. De vijfde grief (abusievelijk ook genummerd als grief 4) omtrent de proceskostenveroordeling mist zelfstandige betekenis en deelt het lot van de overige grieven.

9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het appel faalt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst past dat [appellant] in de proceskosten in appel wordt veroordeeld, waaronder begrepen de (nog te maken) nakosten. Het hof zal de nakosten begroten op € 131,- indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest

is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen, te vermeerderen met € 68,- voor de explootkosten als betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden. Zoals gevorderd door de Staat zal het hof bepalen dat bij niet betaling over de proceskosten wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na datum arrest. Conform de vordering van de Staat zal de proceskostenveroordeling voorts uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt [appellant] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 1.920,- aan griffierecht en € 894,- aan salaris advocaat, bij niet betaling te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de datum van dit arrest;

- veroordeelt [appellant], indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling, in de nakosten, begroot op € 131,-, te vermeerderen met € 68,- voor de explootkosten als betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en met wettelijke rente over de nakosten;

- wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, E.M. Dousma-Valk en P.H. Blok en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 maart 2016 in aanwezigheid van de griffier.