Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1046

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
12-09-2017
Zaaknummer
200.182.318/02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:14345, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

afwijzing van het verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 24 februari 2016

Zaaknummer : 200.182.318/02

Rekestnummer rechtbank : FA RK 14-8458

Zaaknummer rechtbank : C/09/476267

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.P. Friperson te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.F.M. van Weegberg te Den Haag.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 18 december 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 9 oktober 2015 van de rechtbank Den Haag. Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.182.318/01. Op 24 december 2015 heeft zij tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van die beschikking ingediend, ingeschreven bij dit hof onder zaaknummer 200.182.318/02.

De vader heeft op 18 januari 2016 een verweerschrift tegen het verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad ingediend.

Van de zijde van de moeder is voorts op 1 februari 2016 een V-formulier van 31 januari 2016 met bijlagen bij het hof ingekomen.

De raad heeft bij brief van 27 januari 2016 zijn rapport van 28 mei 2015 aan het hof overgelegd, met de mededeling aan het hof ter zitting te zullen verschijnen.

De zaak is op 3 februari 2016 mondeling behandeld, doch uitsluitend wat betreft het verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- [naam] namens de raad.

De advocaat van de vader heeft ter zitting pleitnotities overgelegd en deze ten dele voorgedragen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is - voor zover in hoger beroep van belang en met wijziging in zoverre van de beschikking van 12 juni 2012 van de rechtbank Den Haag - bepaald dat de moeder en de vader gezamenlijk worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige), en is een zorgregeling tussen de vader en de minderjarige vastgesteld. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE WERKING VAN DE UITVOERBAARVERKLARING BIJ VOORRAAD VAN DE BESTREDEN BESCHIKKING

1. De moeder verzoekt het hof om schorsing van de werking van uitvoerbaarverklaring van de bestreden beschikking voor zover het betreft de uitbreiding van de vastgestelde zorgregeling.

2. De vader verweert zich daartegen en verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de moeder ongegrond te verklaren, althans haar verzoek af te wijzen, met veroordeling van de moeder in de kosten van deze procedure, inclusief nakosten, eveneens uitvoerbaar bij voorraad.

3. De moeder voert het volgende aan. De situatie van de minderjarige is sinds de bestreden beschikking verslechterd. De school maakt zich ernstige zorgen over de minderjarige en heeft een melding gedaan bij Veilig Thuis. Partijen hebben verschillende gesprekken gehad bij Ouderschap Blijft, maar dit heeft nog niet geleid tot een verbetering van de communicatie. Ook is de hulpverlening aan de minderjarige nog niet gestart en moet duidelijk worden waar zijn zorgwekkende uitlatingen vandaan komen. Ook moet de vader nog leren hoe om te gaan met de problematiek van de minderjarige. Gezien deze feiten en omstandigheden is het volgens de moeder niet in het belang van de minderjarige om te moeten overnachten bij de vader. Zij maakt zich ernstige zorgen over de minderjarige. De vader heeft te kennen gegeven niet te willen wachten tot nader onderzoek heeft plaats gehad. De moeder heeft dan ook belang bij schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

4. De vader bestrijdt de stellingen van de moeder en stelt dat zij deze ook niet aantoont. De vader heeft wel degelijk oog voor de problematiek van de minderjarige en is heel goed in staat om daarmee om te gaan. Ook verleent hij alle medewerking voor hulpverlening aan de minderjarige. De communicatie tussen partijen is wel degelijk verbeterd en het is dan ook gelukt om afspraken te maken over het starten van overnachtingen van de minderjarige bij de vader. In dat kader is ook afgesproken dat de vader de minderjarige om 12:00 uur in plaats van 19:00 uur terugbrengt. De eerste overnachting heeft plaats gehad en is goed verlopen. De moeder heeft dan ook geen belang bij haar verzoek. Weer stopzetten van de overnachtingen is niet in het belang van de minderjarige.

5. De raad stelt dat de minderjarige op dit moment begeleid wordt en dat het een gemiste kans zou zijn als de vader daar niet bij wordt betrokken. Het abrupt stoppen van de zorgregeling zou niet goed voor de minderjarige zijn.

6. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft verkregen in beginsel bevoegd is deze te executeren, ook indien tegen de beschikking hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking moet worden geschorst, worden de navolgende maatstaven aangelegd (vgl. HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688 en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012):

( i) de verzoeker moet belang hebben bij de door hem verlangde schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking;

(ii) bij de in het licht van de omstandigheden van het geval te verrichten afweging van de belangen van partijen moet worden nagegaan of het belang van degene die schorsing verzoekt bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de door hem verkregen veroordeling direct ten uitvoer te leggen, en

(iii) bij deze belangenafweging dient de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven;

(iv) indien de rechtbank in eerste aanleg een gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de verzoeker die wijziging van deze beslissing wenst, aan zijn verzoek ten grondslag moeten leggen een kennelijke juridische of feitelijke misslag in de bestreden uitspraak dan wel feiten en omstandigheden die bij die beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken;

( v) indien de rechtbank in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven op de verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad, geldt de hiervoor onder (iv) vermelde eis niet en moet worden beslist met inachtneming van het hiervoor onder (i) tot en met (iii) vermelde.

7. Het hof overweegt als volgt. In de onderhavige zaak heeft de moeder naar het oordeel van het hof geen concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat haar belang bij de door haar verzochte schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking groter is dan het belang van de vader bij handhaving van de tenuitvoerlegging. De moeder heeft aangevoerd dat de minderjarige zorgwekkende uitspraken doet en dat de school een melding heeft gedaan bij Veilig Thuis. Het hof is van oordeel dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er nog steeds geen enkel vertrouwen is tussen partijen en dat zij over het hoofd van de minderjarige strijd met elkaar blijven voeren. De rechtbank heeft dit echter reeds bij haar oordeel betrokken en partijen daarom verwezen naar het Expertisecentrum Haaglanden voor toeleiding en doorverwijzing naar Ouderschap Blijft voor het verbeteren van hun onderlinge verstandhouding en communicatie ten behoeve van een goede uitvoering van de contacten tussen de vader en de minderjarige. Partijen zijn naar het oordeel van het hof verplicht om zich in het belang van de minderjarige volledig in te zetten om dit traject tot een succes te maken. De minderjarige is een jongetje van slechts 5 jaar oud die geheel afhankelijk is van zijn ouders. Van hem kan en mag niet verlangd worden te kiezen tussen beide ouders, hetgeen partijen nu bewerkstelligen door hun strijd.

8. Nu voorts niet is gebleken van andere na de bestreden beschikking opgekomen feiten of omstandigheden die rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken, zal het hof het verzoek van de moeder tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking afwijzen.

9. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE WERKING VAN DE UITVOERBAARVERKLARING BIJ VOORRAAD

Het hof:

wijst af het verzoek van de moeder tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking;

bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van het hoger beroep zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum, waarvoor partijen nog een afzonderlijke oproep zullen ontvangen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, C. van Nievelt en F. Ibili, bijgestaan door mr. A.C. van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 februari 2016.