Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:104

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-02-2016
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
200.165.621
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verjaring; aanvang verjaringstermijn ex art. 3:310 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.165.621/01

Rolnummer rechtbank : 3145565 \ CV EXPL 14-27817

arrest van 2 februari 2016

inzake

[naam],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. I.A.C. Cools te Tilburg,

tegen

[naam],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. E.H.P. Dingenouts te Rotterdam.

De verdere loop van het geding

Voor het verloop van het geding tot 28 juli 2015, verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum. Bij dat tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie heeft op verzoek van partijen geen doorgang gevonden. Bij memorie van antwoord (met producties) heeft [geïntimeerde] de vijf door [appellant] opgeworpen grieven bestreden.

Partijen hebben de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de kantonrechter in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn door partijen niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1

In of omstreeks april 2008 heeft [geïntimeerde] op www.marktplaats.nl een Volkswagen Golf te koop aangeboden voor een bedrag van € 13.100,--. Naar aanleiding van deze advertentie heeft [appellant] telefonisch contact opgenomen met [geïntimeerde], waarna partijen een afspraak hebben gemaakt voor een proefrit. [appellant] heeft daags daarna besloten de auto te kopen, waarna partijen gezamenlijk naar het postkantoor zijn gegaan om het kenteken te laten overschrijven op naam van [appellant]. [appellant] heeft de koopsom contant voldaan.

2.2

Op 21 augustus 2008 heeft [appellant] ontdekt dat de auto van diefstal afkomstig is. Hierop heeft hij zich tot de politie gewend, die de auto op 22 augustus 2008 in beslag heeft genomen. [appellant] heeft op 28 november 2008 (jegens [geïntimeerde]) aangifte gedaan van oplichting.

2.3

De politie heeft [geïntimeerde] op 4 december 2008 en 7 juni 2010 als verdachte gehoord over de herkomst van de auto. Bij brief van 26 oktober 2010 heeft de officier van justitie [geïntimeerde] meegedeeld dat hij niet verder zal worden vervolgd vanwege onvoldoende wettig bewijs (ter zake van het strafbaar feit waarvan hij werd verdacht).

2.4

De toenmalige advocaat van [appellant] ontving op 6 april 2011 het strafrechtelijk dossier met daarin de adresgegevens van [geïntimeerde].

2.5

Bij brief van 21 februari 2014 schreef de advocaat van [appellant] aan [geïntimeerde]:

"(…) Cliënt heeft in het verleden een auto van u gekocht, welke – naar later bleek – gestolen was. Deze auto is onder cliënt in beslag genomen. Als gevolg van het feit dat deze gestolen was, is cliënt van mening dat u nimmer beschikkingsbevoegd bent geweest en dat er ook geen sprake was van goeder trouw van uw zijde. Hij is dan ook van mening dat er geen rechtsgeldige koopovereenkomst tot stand is gekomen. Zou er een koopovereenkomst tot stand zijn gekomen, dan is hij van mening dat deze koop moet worden ontbonden, gelet op de omstandigheid dat u een gesloten auto heeft verkocht.

Cliënt is dan ook van mening dat het aan u betaalde bedrag dient te worden terugbetaald. Het gaat daarbij om een bedrag van € 13.000,-.

(…)"

2.6

In deze procedure vordert [appellant] de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan hem van een bedrag van € 13.000,-- aan hoofdsom en € 1.095,05 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente en met proceskosten.

2.7

[geïntimeerde] heeft zich tegen de vordering van [appellant] verweerd door te stellen dat de vordering van [appellant] op grond van art 3: 310, lid 1 BW is verjaard. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter het verjaringsverweer van [geïntimeerde] gehonoreerd en de vorderingen van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten.

3.1

In hoger beroep vordert [appellant] de vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog toewijzing van zijn inleidende vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten.

3.2

De grieven zijn gericht tegen de overwegingen die de kantonrechter hebben gebracht tot het oordeel dat de verjaringstermijn in maart 2008 (het hof leest: augustus 2008) is gaan lopen, te weten:

- dat [appellant] vanaf 22 augustus 2008 bekend was met de persoon die hij voor zijn schade zou kunnen aanspreken, te weten [geïntimeerde], alsmede met zijn schade;

- dat [appellant] beschikte over, dan wel had zonder veel moeite de beschikking kunnen krijgen over een telefoonnummer waarmee hij [geïntimeerde] had kunnen bereiken, terwijl gesteld noch gebleken is dat [appellant] van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt;

- dat [appellant] met de combinatie aan gegevens waarover hij beschikte navraag had kunnen doen bij RDW of politie, terwijl gesteld noch gebleken is dat [appellant] daartoe pogingen heeft ondernomen.

Naar de mening van [appellant] kan hij op 22 augustus 2008 nog niet bekend worden beschouwd met zijn schade, omdat hij geen idee had of en wanneer hij de auto terug zou krijgen. Hij is door omissies aan de zijde van OM/politie niet op de hoogte gehouden van wat er is gebeurd met zijn aangifte van 28 november 2008. Daarom kan niet worden geoordeeld dat hij eerder dan op of omstreeks oktober 2010 had moeten begrijpen dat de auto niet aan hem geretourneerd zou worden en dat hij daadwerkelijk schade leed. [appellant] heeft steeds navraag gedaan naar de stand van het strafrechtelijk onderzoek, meer informatie had hij niet. Hij beschikte eerst vanaf 6 juni 2011 over de naam-, adres- en woonplaats-)gegevens (verder: naw-gegevens) van [geïntimeerde]. Uitgaande van laatstgenoemde datum is de aansprakelijkstelling van 21 februari 2014 nog op tijd, aldus [appellant].

3.3

Ingevolge het bepaalde in artikel 3.310 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Indien het hof er veronderstellerderwijs van uitgaat dat [appellant] uit hoofde van de koopovereenkomst jegens [geïntimeerde] aanspraak kan maken op schadevergoeding (hetgeen door [appellant] gemotiveerd is betwist), geldt het volgende. Daar tussen partijen vaststaat dat [appellant] [geïntimeerde] voor het eerst bij brief van 21 februari 2014 aansprakelijk heeft gesteld, terwijl van enige stuiting niet is gebleken, is de vordering verjaard indien moet worden geoordeeld dat [appellant] eerder dan op 21 februari 2009 bekend was met zowel de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon.

3.4

Naar het oordeel van het hof moet [appellant] redelijkerwijs geacht worden bekend te zijn geworden met de schade op of kort na 22 augustus 2008. Vanaf het moment dat de auto in beslag werd genomen, had [appellant] daarover immers niet meer de beschikking en leed hij schade. Dat [appellant] op 22 augustus 208 de omvang van de schade niet kende – hij wist immers niet of, en zo ja wanneer, hij weer de beschikking zou krijgen over de auto – doet daaraan niet af. De enkele bekendheid met schade is voldoende om een rechtsvordering in te stellen, dan wel een stuitingshandeling te verrichten.

3.5

Met betrekking tot de bekendheid met de voor zijn schade aansprakelijke persoon geldt het volgende. [appellant] baseert zijn vordering op een tekortkoming van [geïntimeerde] in de nakoming van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst. [appellant] wist dus dat de verkoper van de auto de aansprakelijke persoon was. Hij stelt echter dat hij op 22 augustus 2008 niet meer beschikte over de naw-gegevens van [geïntimeerde]. Hoewel Skugar dat niet met zoveel woorden stelt, begrijpt het hof dat [appellant] ook niet meer bekend was met de naam van [geïntimeerde].

3.6

Zoals ook de kantonrechter heeft overwogen, mag van degene die de identiteit van de aansprakelijke persoon met een beperkt onderzoek eenvoudig had kunnen achterhalen, maar heeft nagelaten een dergelijk onderzoek in te stellen, zich ter afwering van een beroep op verjaring niet beroepen op subjectieve onbekendheid met de aansprakelijke persoon. Indien de identiteit gemakkelijk kan worden vastgesteld, mag van de benadeelde in beginsel worden verlangd dat hij zich enigermate inspant om erachter te komen wie voor de schade aansprakelijk is. Het verdraagt zich niet met de rechtszekerheid en de billijkheid die het instituut van de verjaring mede beoogt te dienen, dat de benadeelde door het nalaten van een redelijkerwijs van hem te verlangen, eenvoudig uit te voeren onderzoek naar de identiteit van de aansprakelijke persoon, zou kunnen voorkomen dat de verjaringstermijn van 3:310, lid 1 BW een aanvang neemt (HR 3 december 2010, ECLI:N:HR:2010:BN6241, r.o. 3.6).

3.7

[geïntimeerde] meent dat [appellant] door een eenvoudig onderzoek als hiervoor bedoeld zijn naw-gegevens had kunnen achterhalen. Hij stelt daartoe het volgende. [appellant] heeft naar aanleiding van de marktplaatsadvertentie telefonisch contact met hem opgenomen, waarna partijen aanvankelijk hebben afgesproken elkaar op het huisadres van [geïntimeerde] te treffen voor een proefrit. Op het afgesproken tijdstip is de afspraak op verzoek van [appellant] verzet naar een bezinepomp in de buurt van het huis van [geïntimeerde]. De afspraak heeft de volgende dag geleid tot de aankoop van de auto door [appellant]. Nadat partijen gezamenlijk naar het postkantoor zijn gegaan om het kenteken te laten overschrijven op de naam van [appellant], heeft [appellant] [geïntimeerde] voor zijn huis afgezet. [appellant] beschikte in ieder geval ten tijde van de aankoop dus over zowel zijn naam, telefoonnummer als huisadres. In het meest negatieve geval, te weten wanneer [appellant] in augustus 2008 niet meer over deze gegevens zou hebben beschikt, had hij het telefoonnummer eenvoudig kunnen achterhalen door gegevens op te vragen bij de eigen telefoonmaatschappij. Via dat spoor had hij met hem in contact kunnen treden, aldus nog steeds [geïntimeerde].

3.8

Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat de vordering (wat daarvan verder ook zij) is verjaard, omdat [appellant] – indien hij in augustus 2008 niet meer zou beschikken over de gegevens van [geïntimeerde] – die gegevens, gelet op de gegevens waarover hij wel beschikte, dan wel beschikt had, door eenvoudig onderzoek zou kunnen verkrijgen. Zo heeft [appellant] niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken dat hij aan de hand van het telefoonnummer (dat hij eventueel had kunnen verkrijgen via zijn telefoonprovider, die immers desgevraagd een overzicht had kunnen verstrekken van op of rond 1 april 2008 door hem gebelde nummers) contact had kunnen leggen met [geïntimeerde] en hem om nadere gegevens had kunnen vragen. Gesteld noch gebleken is immers dat [geïntimeerde] na augustus 2008 geen gebruik meer maakte van dat telefoonnummer. Dat [appellant] of zijn (toenmalige) advocaat tevergeefs een dergelijk of ander (adequaat) onderzoek heeft gedaan, is niet gebleken. Daarbij komt dat dat uit de eigen stellingen van [appellant] volgt dat zijn voormalig advocaat reeds in april 2011 beschikte over de benodigde naw-gegevens.

3.9

Dit betekent dat het hoger beroep reeds op deze grond faalt en de vraag of sprake is geweest van een rechtsgeldige overdracht van de auto geen verdere bespreking behoeft. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst past het dat [appellant] wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, zittinghoudende te Rotterdam, van 31 oktober 2014;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 711,-- aan griffierecht en € 894,-- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, S.R. Mellema en R.S. van Coevorden en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2016 in aanwezigheid van de griffier.