Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1013

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-04-2016
Datum publicatie
14-04-2016
Zaaknummer
DH 35-2016
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Volgens verzoeker zou mr. [B] door de heffingsambtenaar gehanteerde, valse transactiedata zonder meer hebben overgenomen en zich aldus schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrifte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/849
Belastingblad 2016/254
V-N 2016/31.22.5
FutD 2016-1002
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummer : DH 35-2016
Rolnummer hoofdzaak : 15/00075

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken van 13 april 2016

inzake het schriftelijk verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de hoofdzaak met genoemd rolnummer van:

[X] ,

wonende te [Z] ,
verzoeker.


Het geding

1. In het in de bestuursrechtelijke procedure van de verzoeker onder genoemd rolnummer gedane wrakingsverzoek heeft op 16 maart 2016 een terechtzitting van de meervoudige belastingkamer van het gerechtshof Amsterdam plaatsgevonden, alwaar zitting hadden mrs. [A] , voorzitter, [B] en [C] , raadsheren.

2. Bij mondeling verzoek van 16 maart 2016 heeft verzoeker een verzoek tot wraking van genoemde voorzitter en raadsheren gedaan.

3. Bij beslissing tot verwijzing van 16 maart 2016 heeft de wrakingskamer van het

gerechtshof Amsterdam in het kader van 'de pilot externe wrakingskamer' de

wrakingszaak op grond van artikel 62b Wet op de rechterlijke organisatie ter verdere behandeling verwezen naar de wrakingskamer van het gerechtshof Den Haag.

4. De wrakingskamer van het gerechtshof Den Haag heeft de mondelinge behandeling van

het verzoek bepaald op 30 maart 2016. Verzoeker, alsmede de voorzitter en raadsheren wier wraking is verzocht, zijn van de behandeling op deze datum op de hoogte gebracht.

5. Bij schriftelijke reactie van 18 maart 2016 hebben de genoemde voorzitter en raadsheren de wrakingskamer meegedeeld niet te berusten in het verzoek tot wraking en een reactie gegeven op het wrakingsverzoek. Voorts hebben zij in de schriftelijke reactie meegedeeld dat mrs. [B] en [A] wensen te worden gehoord op het verzoek tot wraking. Bij email van 18 maart 2016 heeft de voorzitter aan de griffier laten weten dat hij wegens verhindering niet aanwezig zal zijn bij de mondelinge behandeling van de zaak.

6. De wrakingskamer heeft het verzoek op 30 maart 2016 ter terechtzitting van de wrakingskamer behandeld, waar verzoeker en mr. [B] zijn gehoord. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Het wrakingsverzoek

7. Door de verzoeker is – samengevat weergegeven – ter onderbouwing van zijn wrakingsverzoek de volgende grond voor wraking aangevoerd:

De enkelvoudige kamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) heeft op 6 februari 2014 uitspraak gedaan op een hoger beroep van verzoeker in de zaak met kenmerk 13/00214, inzake een procedure betreffende een WOZ-beschikking 2012. Een lid van het Hof die deze uitspraak heeft gedaan, mr. [B] , is thans belast met de behandeling van de soortgelijke zaak (procedure WOZ-beschikking 2013) onder genoemd rolnummer. Volgens verzoeker zou mr. [B] door de heffingsambtenaar gehanteerde, valse transactiedata zonder meer hebben overgenomen en zich aldus schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrifte. Verzoeker heeft zowel in zijn hoger beroepschrift als bij brief van 15 februari 2016 verzocht de genoemde raadsheer geen deel uit te laten maken van de zetel, welk verzoek niet is ingewilligd. Het niet-inwilligen van het verzoek om mr. [B] geen deel uit te laten maken van de zetel, vormt de basis van het onderhavige wrakingsverzoek. Een eerlijke en onpartijdige beoordeling kan niet meer worden verwacht.

8. Voorafgaand aan de behandeling van het verzoek door de wrakingskamer hebben mrs. [A] , [B] en [C] op 18 maart 2016 schriftelijk hun reactie naar voren gebracht, inhoudende samengevat weergegeven:


Wat betreft de processuele gang van zaken is het juist dat het verzoek van belanghebbende om mr. [B] geen deel uit te laten maken van de zetel niet is ingewilligd. Er is voor gekozen om dit punt desgewenst ter zitting toe te lichten. De onmiddellijke indiening van het verzoek tot wraking bij aanvang van de zitting maakte dit evenwel onmogelijk. De te verstrekken toelichting zou erop zijn neergekomen dat opvattingen van partijen, behoudens (zeer) bijzondere omstandigheden, gelet ook op het bepaalde in artikel 6, eerste lid, EVRM, niet van invloed mogen zijn op de samenstelling van de zetel. De omstandigheid dat mr. [B] eerder (enkelvoudig) als raadsheer is opgetreden in een vergelijkbare zaak van belanghebbende waarin hij heeft geoordeeld over stellingen en bewijsmiddelen die ook in de onderhavige zaak zijn aangevoerd, kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid waarmee bij de samenstelling van de zetel rekening had behoren te houden (vgl. HR 14 november 2014, nr. 12/05832, ECLI:NL:HR:2014:3041, r.o. 2.1 en 2.2.2). De hiervoor vermelde omstandigheid levert ook geen zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de raadsheren jegens de belanghebbende een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij de belanghebbende dienaangaande vrees objectief gerechtvaardigd is. In het onderhavige geval is geen sprake van een situatie waarin op grond van hetgeen belanghebbende eerder in het kader van de procedure over de WOZ-beschikking 2012 heeft aangevoerd en hetgeen daarop is beslist, zou moeten worden geconcludeerd dat die beslissing en/of de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen op zichzelf een aanwijzing vormen voor het bestaan van vooringenomenheid ten aanzien van belanghebbende. Evenmin is sprake van een eerdere beslissing die zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven. De aard van het belastingrecht brengt met zich dat geregeld eenzelfde gedingstuk in meerdere gerechtelijke procedures (over meerdere jaren) van dezelfde belastingplichtige een rol kan spelen. De rechterlijke onpartijdigheid is niet in het geding als dezelfde rechter zich nogmaals over de bewijskracht van het desbetreffende gedingstuk moet uitlaten.


Beoordeling van het wrakingsverzoek

9. Op grond van artikel 8:15 van de Awb kan op verzoek van een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het hoger beroep in belastingzaken.

10. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de belanghebbende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de belanghebbende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (vgl. HR 6 juni 2014, nr. 14/01289, ECLI:NL:HR:2014:1331).

11. Verzoeker heeft in zijn wrakingsverzoek als grond voor wraking aangevoerd dat de leden van de behandelend kamer een herhaaldelijk door hem gedaan verzoek om de raadsheer mr. [B] geen deel uit te laten maken van deze zetel, hadden moeten inwilligen. Ter toelichting van dit standpunt heeft verzoeker ter zitting laten weten dat hij door de gang van zaken geen vertrouwen meer heeft in de door hem gewraakte combinatie. Naar het oordeel van de wrakingskamer brengt het niet-inwilligen van het verzoek niet mee dat de raadsheren wier wraking is verzocht, niet onpartijdig zouden zijn, noch dat sprake is van uiterlijke schijn dat die onpartijdigheid ontbreekt. Bij dit oordeel weegt mee dat de onmiddellijke indiening van het verzoek tot wraking bij aanvang van de zitting, het onmogelijk maakte om ter zitting op dit punt een toelichting te geven.

12. Verzoeker heeft in zijn wrakingsverzoek voorts als grond voor wraking van de raadsheer mr. [B] aangevoerd de hiervoor onder 7 vermelde redenen. Naar het oordeel van de wrakingskamer betreft het enkele feit dat mr. [B] deel heeft uitgemaakt van een enkelvoudige kamer die verzoeker in een eerdere procedure betreffende soortgelijke problematiek (deels) ongelijk heeft gegeven, niet een omstandigheid die erop wijst dat de rechterlijke onpartijdigheid van die rechter schade zou kunnen lijden. De wrakingskamer is van oordeel dat - ongeacht de juistheid van de eerdere beslissing - hetgeen door verzoeker wordt gesteld, geen zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat mr. [B] een vooringenomenheid koestert jegens verzoeker of dat het hem aan de vereiste onpartijdigheid ontbreekt en evenmin dat de bij verzoeker dienaangaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Mr. [B] heeft ter zitting van de wrakingskamer verklaard dat hij zowel in de enkelvoudige zaak als in de meervoudige zaak geen andere intentie heeft gehad dan kennis te nemen van het dossier en de argumenten en bewijsmiddelen te wegen en verzoeker heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd, gesteld dat in de eerdere procedure precies hetzelfde bewijsmiddel als in de onderhavige procedure aan de orde is.
Verzoeker stelt ten slotte dat de heffingsambtenaar van de gemeente [D] zich consequent schuldig maakt aan valsheid in geschrifte en dat mr. [B] daaraan medeplichtig is geweest. Anders dan verzoeker is de wrakingskamer op grond van hetgeen daartoe is aangevoerd van oordeel, dat de door verzoeker getrokken conclusie ten aanzien van mr. [B] niet gerechtvaardigd is.

13. Op grond van het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen. Voor het vergoeden van reiskosten zoals door verzoeker is verzocht, is geen aanleiding. De wet voorziet hierin niet.


Beslissing


Het Hof:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan de verzoeker, genoemde voorzitter en aan genoemde raadsheren.

Deze beslissing is gegeven op 13 april 2016 door mrs. I.E. de Vries, Th.G. Lautenbach en W.M.G. Visser, in aanwezigheid van de griffier mr. A.S.H.M. Strik.

aangetekend aan

partijen verzonden: