Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1012

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-02-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
BK-15/00770
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:5754, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2953
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen houdt in hoger beroep, net als voor de rechtbank, het antwoord op de vraag verdeeld of met het afschaffen van de in geding zijnde vrijstelling het recht is geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/830
V-N 2016/30.1.4
FutD 2016-1015
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-15/00770

Uitspraak van 12 februari 2016

in het geding tussen:

mevrouw [X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 mei 2015, nr. SGR 14/11299.

Bezwaar en beroep

1.1.

Over het jaar 2014 heeft belanghebbende € 120 aan motorrijtuigenbelasting aangegeven en voldaan. Tegen de voldoening heeft zij bezwaar gemaakt.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.3.

Tegen de uitspraak van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 45 is geheven.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 123 is geheven.

2.2.

Een mondelinge behandeling van de zaak is gepland voor 15 januari 2016. Belanghebbendes gemachtigde heeft bij brief van 14 januari 2016 te kennen gegeven dat hij en belanghebbende de mondelinge behandeling van de zaak niet zullen bijwonen, waarna de Inspecteur, op de hoogte gesteld, heeft meegedeeld evenmin ter zitting te verschijnen. In verband daarmee heeft het Hof besloten de zitting niet te laten doorgaan en het onderzoek van de zaak te sluiten.

Feiten

3.1.

Belanghebbende is sinds 11 augustus 2007 houdster van een auto, een Triumph Stag. Het kentekenbewijs deel 1 (1A) is van 6 juni 1988. De eerste toelating van de auto is 30 juni 1976.

3.2.

Op 11 augustus 2007 is aan belanghebbende ter zake van haar auto een 'Vrijstellingsbeschikking motorrijtuigenbelasting vrijstelling 25 jaar en ouder' afgegeven.

3.3.

Met ingang van 1 januari 2014 is de vrijstelling voor oldtimers gewijzigd, in die zin dat alleen nog motorrijtuigen zijn vrijgesteld van motorrijtuigenbelasting die veertig jaar of ouder zijn.

3.4.

Voor het jaar 2014 brengt de wetswijziging mee dat voor de auto van belanghebbende geen vrijstelling meer geldt.

3.5.

Met de voldoening van de motorrijtuigenbelasting over het jaar 2014 maakt belanghebbende gebruik van de in het kader van de afschaffing van de vrijstelling getroffen overgangsregeling.

De rechtbank

4. De rechtbank heeft overwogen:

"(…)

Geschil

4. In geschil is of motorrijtuigenbelasting geheven mag worden van de auto van [belanghebbende] die ouder is dan vijfentwintig jaar, maar jonger is dan veertig jaar.

5. [ Belanghebbende] stelt dat het vervallen van de vrijstelling in strijd [is] met Europees recht. Nu onvoldoende vast is komen te staan dat het algemeen belang is gediend met de wijziging van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (de Wet MRB), is dit in strijd met artikel 1 bij het Eerste Protocol (EP) bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Belastingheffing inzake haar oldtimer is, aldus [belanghebbende], ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel van artikel 14 EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol (TP) bij het EVRM. [Belanghebbende] neemt het standpunt in dat zij aan de aan haar verleende vrijstellingsbeschikking het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat zij ter zake van haar oldtimer nimmer motorrijtuigenbelasting verschuldigd zou zijn. Het per 1 januari 2014 in de belastingheffing betrekken van haar oldtimer is dan ook in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, te weten het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het lex certabeginsel, het proportionaliteitsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Tot slot stelt [belanghebbende] dat zij zonder veel administratieve rompslomp niet de openbare weg op mag.

6. [ De Inspecteur] voert aan dat een afschaffing van de vrijstelling motorrijtuigenbelasting reeds op 29 oktober 2012 is aangekondigd. De daarop volgende wijzigingen in de oldtimerregeling zijn het resultaat van zorgvuldig en langdurig overleg met de branche teneinde het hobbymatig gebruik van cultureel rijdend erfgoed te ontzien. Daarnaast betwist [de Inspecteur] dat sprake is van enige aantasting van het eigendomsrecht. Verder weerspreekt [de Inspecteur] dat hij heeft gehandeld in strijd met de door [belanghebbende] genoemde rechtsbeginselen.

7. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Artikel 1 van het EP bij het EVRM

8. Artikel 1 van het EP luidt:

'Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.'

9. Artikel 1 van het EP brengt in de eerste plaats mee dat elke maatregel die het ongestoorde genot van eigendom aantast, waaronder de heffing van belasting, 'lawful' moet zijn. Dit houdt in dat de inbreuk een basis dient te hebben in het nationale recht, dat dit toepasselijke nationale recht voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar moet zijn in de uitoefening en dat een inbreuk vergezeld dient te gaan van procedurele garanties die de betrokkene een redelijke mogelijkheid biedt tot effectieve betwisting van de rechtmatigheid van die inbreuk. Naar het oordeel van de rechtbank is hieraan voldaan; het opheffen van de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting en het treffen van overgangsrecht zijn beide ingevoerd als wijziging van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (artikel XIX van het Belastingplan 2014). De getroffen maatregel is ook precies en toegankelijk nu in de wettelijke bepalingen duidelijk is omschreven welke motorrijtuigen nog wel voor vrijstelling in aanmerking komen en welke motorrijtuigen onder welke voorwaarden gebruik kunnen maken van het overgangsrecht.

10. De rechtbank overweegt dat [belanghebbende] weliswaar bij de aankoop van haar auto in 2007 niet kon voorzien dat het fiscale regime ter zake van haar auto zou veranderen, maar dat deze enkele omstandigheid niet de gevolgtrekking rechtvaardigt dat het vervallen van de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting een zodanige inbreuk maakt op de gerechtvaardigde verwachtingen van [belanghebbende], dat deze daarom in strijd is met artikel 1 van het EP.

11. Artikel 1 van het EP brengt voorts mee dat een inbreuk op het ongestoord genot van eigendom slechts is toegestaan als er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de daartoe in het algemeen belang gebruikte middelen en het legitieme doel dat daarmee wordt nagestreefd. Dit vereist het bestaan van een redelijke verhouding ('fair balance') tussen het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keus van de middelen om dit belang te dienen, komt aan de wetgever op het terrein van het belastingrecht een ruime beoordelingsvrijheid toe. Die marge wordt overschreden indien de wetgever een belastingmaatregel treft die elke redelijke grond ontbeert. Van een redelijke verhouding is bovendien geen sprake indien de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last.

12. In het regeerakkoord 'Bruggen Slaan' van 29 oktober 2012 is aangekondigd dat de vrijstelling in de motorrijtuigenbelasting voor oldtimers vanuit milieuoverwegingen zal worden afgeschaft. In de brief van de staatssecretaris van Financiën aan de Tweede Kamer van de Staten Generaal van 15 april 2013 is onder meer opgenomen:

'Deze brief bespreekt een aantal alternatieven, die zowel het dagelijks gebruik van de oldtimer ontmoedigen, maar tegelijkertijd mensen die de oldtimer hobbymatig gebruiken tegemoet komen ten opzichte van de in het Regeerakkoord opgenomen volledige afschaffing van de vrijstelling voor de MRB voor oldtimers. Deze alternatieven heb ik ook besproken met vertegenwoordigers van de oldtimerbranche. Helaas heeft dit niet tot de beoogde overeenstemming geleid. De door de oldtimerbranche voorgestane alternatieven, die overigens ook in de brief worden besproken hadden budgettaire consequenties die in deze tijden financieel onverantwoord zijn. Het kabinet is van mening dat deze rekening eenvoudig weg niet kan worden neergelegd bij de overige weggebruikers of de samenleving als geheel.'

13. In de brief van de staatssecretaris van Financiën aan de Tweede Kamer van de Staten Generaal van 24 april 2013 is onder meer opgenomen:

'De afgelopen week is intensief overleg gevoerd met de vertegenwoordigers van de oldtimerbranche, te weten de FEHAC, KNAC, FOCWA, ANWB, RAI en BOVAG. Het verheugt mij u te kunnen melden dat we uiteindelijk tot een breed gedragen alternatief zijn gekomen dat door de vertegenwoordigers van de oldtimerbranche wordt gesteund en dat naar mijn oordeel past binnen het verzoek en de kaders die uw Kamer heeft aangegeven. (…) Dit alternatief beoogt (…) de liefhebber te ontzien terwijl het de huidige vrijgestelde veelrijder (dat zijn bijna altijd diesel- en LPG-rijders) gerichter raakt. Hoewel onder de overgangsregeling een kwarttarief MRB moet worden betaald, blijven de gevolgen voor de zwaardere auto’s, ook bijvoorbeeld bussen en vrachtauto’s, beperkt door het maximum van € 120 per jaar. (…). Uitgangspunt bij de overgangsregeling is dat het dagelijks gebruik van oldtimers zoveel mogelijk wordt voorkomen. Dit wordt concreet ingevuld door de beperking dat er met het motorrijtuig geen gebruik mag worden gemaakt van de openbare weg gedurende de maanden december, januari en februari. Met veel oldtimers wordt overigens in de winter niet gereden omdat dit slecht is voor de auto. Als het kwarttarief van toepassing is en er toch gereden wordt in die drie wintermaanden, geldt een forse verzuimboete. Het overgangsregime loopt af in het jaar 2028 (zodra de jaargang 1987 40 jaar is). Men kan overigens naast het afgetopte kwarttarief ook verzoeken om de reguliere MRB te betalen of de oldtimer te schorsen.'

14. Op 4 september 2013 beantwoordt de staatssecretaris van Financiën de kamervragen van het lid [Y] . Hierin is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

'Wat is de belangrijkste reden achter het voorstel uit het regeerakkoord om dagelijks gebruik van oldtimers te gaan belasten? Is dit om het gebruik te ontmoedigen om zo de luchtkwaliteit te verbeteren of gaat het voornamelijk om meer belastinggeld binnen te halen?

Antwoord:

In het regeerakkoord is opgenomen dat de vrijstelling in de motorrijtuigenbelasting voor oldtimers vanuit milieuoverwegingen en budgettaire overwegingen wordt afgeschaft. Het aantal oldtimers is de afgelopen jaren substantieel toegenomen. Op 1 januari 2008 waren er nog 215.000 oldtimer-personenauto's, begin 2012 waren er bijna 90.000 meer. Dat is een groei van 40% in vier jaar. Ook worden - vooral jonge - oldtimers voor het dagelijks vervoer gebruikt, mede ingegeven door de vrijstelling. Het budgettaire beslag van de vrijstelling bedroeg in 2011 nog € 158 mln, maar was in 2013 al opgelopen naar € 222 mln. Zonder aanpassing van de regeling zou het budgettaire beslag € 243 mln in 2014 bedragen. Dit ondanks het feit dat op 1 januari 2012 de leeftijdsgrens is verhoogd van 25 jaar naar 30 jaar en ouder, waarbij de voertuigen die op 31 december 2011 al 25 jaar of ouder waren, de vrijstelling konden behouden. Een inperking van de vrijstelling levert daarmee in financieel moeilijke tijden een substantiële bijdrage aan het verminderen van de financiële problematiek.'

15. Gezien het bovenstaande is de huidige regeling tot stand gekomen na intensief onderzoek en na overleg met diverse belangengroeperingen. De wetgever heeft alternatieven onderzocht en beoordeeld en uiteindelijk het door hem meest geschikt geachte alternatief tot wet verheven. De uiteindelijke keuze voor een fiscaal pakket is naar het oordeel van de rechtbank bij uitstek een keuze die ligt op het terrein van de wetgever. Het is immers aan de wetgever om die maatregelen te kiezen die hij in dit verband nodig acht. De wetgever heeft dan ook zowel de milieu-, als budgettaire aspecten aan de wetswijziging ten grondslag kunnen leggen. Nu de wetgever alle betrokken belangen heeft afgewogen, kan niet worden gezegd dat de oldtimerregeling zoals die met ingang van 1 januari 2014 geldt, elke redelijke grond ontbeert. Bovendien blijkt uit de wetsgeschiedenis van het Belastingplan 2014 en uit de hiervoor onder 16 en 17 genoemde stukken dat de regeling tot in detail is besproken met het parlement. De rechtbank verwerpt dan ook het standpunt van [belanghebbende] dat het beginsel van deugdelijke motivering is geschonden. Ook faalt het beroep op het rechtzekerheidsbeginsel dat eisers in dit verband heeft gedaan.

16. Bij de invoering van de wettelijke maatregel is uitgegaan van een inschatting van de budgettaire opbrengst en milieu effecten. Indien deze later anders blijken uit te vallen leidt dat niet tot strijdigheid met de door eiser genoemde beginselen.

17. Met hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat het vervallen van de bedoelde vrijstelling niet leidt tot een onrechtvaardigde schending van artikel 1 van het EP bij het EVRM.

Artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het TP

18. Aangaande het standpunt van [belanghebbende] dat het vervallen van de vrijstelling strijd oplevert met het non-discriminatiebeginsel dat is neergelegd in artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het TP overweegt de rechtbank dat het EVRM niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbiedt, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. Daarbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepaling als gelijk moeten worden beschouwd, en in het bevestigende geval, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij dat van redelijke grond ontbloot is. Dit laatste kan niet snel worden aangenomen. Het onderscheid moet van dien aard zijn dat de keuze van de wetgever evident van redelijke grond ontbloot is (vgl. HR 22 november 2013, nr. 13/01154, ECLI:NL:HR:2013:1206).

19. De rechtbank is van oordeel dat de wetgever met de keuze voor het opheffen van de vrijstelling voor auto's ouder dan 25 jaar en jonger dan 40 jaar, niet is getreden buiten de hiervoor onder 17 bedoelde ruime beoordelingsmarge. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de wetgever bewust niet gekozen voor de mogelijke alternatieven zoals bijvoorbeeld de invoering van een dertig dagen kaart of een heffing op basis van gereden kilometers vanwege de budgettaire lasten en uitvoeringskosten. Daarnaast heeft de wetgever voorzien in een adequate overgangsregeling die praktisch uitvoerbaar is. Tevens overweegt de rechtbank dat zo eigenaren van auto's van 25 jaar oud en eigenaren van auto's van 40 jaar oud al kunnen worden aangemerkt als gelijke gevallen, ook dan niet kan worden gezegd dat de keuze voor de huidige regeling evident van redelijke grond is ontbloot. Van willekeur acht de rechtbank gelet op de gemaakte afwegingen geen sprake.

20. Voorts heeft de wetgever naar het oordeel van de rechtbank mogen kiezen voor een enigszins grove - makkelijk uitvoerbare - regeling waarbij niet langer een vrijstelling geldt voor auto's jonger dan 40 jaar, in plaats van een regeling waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen auto's die slechts door de hobbyist worden gereden en auto's die ook voor het dagelijks verkeer worden gebruikt. Bij die mogelijkheid om te kiezen voor een enigszins grove regeling past ook de keuze van de wetgever om de grens van 40 jaar te hanteren en niet van 25 jaar. Hetgeen [belanghebbende] overigens heeft aangevoerd met betrekking tot haar beroep op artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het TP kan niet leiden tot een ander oordeel.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

21. [ Belanghebbende] heeft een beroep gedaan op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat zij aan de onder [3.2] genoemde vrijstellingsbeschikking het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat haar auto niet meer in de belastingheffing zou worden betrokken. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen heeft de wetgever naar het oordeel van de rechtbank zijn bevoegdheid niet overschreden door bij wetswijziging de toepassing van de oldtimersregeling te beperken. Aan oude wetgeving kan [belanghebbende] niet het rechtens te honoreren vertrouwen ontlenen dat altijd dezelfde, bij aankoop van de auto geldende regeling van toepassing zal zijn, gegeven de voortdurend aanwezige mogelijkheid van toekomstige wetswijzigingen.

22. Met betrekking tot de stelling van [belanghebbende] dat zij nu iedere maand Mrb moet betalen, haar auto met het vervallen van de vrijstelling minder waard is en daarmee wordt getroffen door een individuele en buitensporige last, oordeelt de rechtbank dat [belanghebbende] dit niet aannemelijk heeft gemaakt. De auto van [belanghebbende] valt in beginsel onder de overgangsregeling. Het is aan [belanghebbende] om zich al dan niet aan de voorwaarden te houden en dus wel of geen gebruik te maken van de overgangsregeling. De rechtbank is in dit verband van oordeel dat de wetgever niet buiten zijn ruime beoordelingsmarge is getreden met het stellen van voorwaarden die voor [belanghebbende] inhouden dat met de auto gedurende de maanden januari, februari en december geen gebruik mag worden gemaakt van de openbare weg en daar administratie van moet worden bijgehouden. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt derhalve. Ook al hetgeen overigens nog door [belanghebbende] is aangevoerd, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.

23. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

Geschil en standpunten

5.1.

Partijen houdt in hoger beroep, net als voor de rechtbank, het antwoord op de vraag verdeeld of met het afschaffen van de in geding zijnde vrijstelling het recht is geschonden, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

5.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling

6.1.

De rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel terecht en op goede gronden geoordeeld dat het gelijk op alle onderdelen van het geschil aan de zijde van de Inspecteur is.

6.2.

Het Hof ziet, de overwegingen van de rechtbank overnemend, in geen van de stellingen die belanghebbende in beroep en, goeddeels herhaald, in hoger beroep over diverse nationale, Unierechtelijke en internationale rechtsregels heeft aangevoerd, noch anderszins een rechtvaardigingsgrond de vrijstelling van toepassing te verklaren met betrekking tot de auto van belanghebbende.

6.3.

Bij zijn oordeel neemt het Hof in het bijzonder in aanmerking dat de vrijstelling niet alleen vanuit milieuoverwegingen is afgeschaft, maar dat ook te verwachten positieve budgettaire consequenties een rol hebben gespeeld, met dien verstande dat de wetgever vooral ook oog heeft gehad voor de positie van weggebruikers die op grond van de reguliere regels motorrijtuigenbelasting betalen.

6.4.

In het bijzonder gelet op de, ook door de rechtbank aangehaalde, wetsgeschiedenis, evenzeer het aanmerkelijk facilitaire karakter van de overgangsregeling in ogenschouw nemend, kan bezwaarlijk worden gezegd dat met het afschaffen van de vrijstelling buiten de aan de wetgever ter beschikking staande beoordelingsmarges wordt getreden. De wetgever is nu eenmaal niet gehouden een gunstige fiscale regeling te laten voortbestaan.

6.5.

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 12 februari 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.