Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:974

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-04-2015
Datum publicatie
28-04-2015
Zaaknummer
BK-14_1363 tm Bk-14_1366
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:9671, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de beschikkingen terecht heeft gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2238
V-N 2015/52.21.14
NTFR 2015/1522
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-14/01363 tot en met BK-14/01366

Uitspraak d.d. 8 april 2015

in het geding tussen:

[X] te [Z] belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 juli 2014, nummers SGR 13/7726 tot en met SGR 13/7728 en SGR 14/5209, betreffende na te melden beschikkingen.

Beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft op 16 juli 2013 voor de jaren 2008 tot en met 2011 aan belanghebbende informatiebeschikkingen gegeven als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de beschikkingen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 30 augustus 2013 heeft de Inspecteur de beschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en belanghebbende in de gelegenheid gesteld binnen een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag waarop de uitspraak is verzonden, alsnog aan de Inspecteur de in de informatiebeschikkingen gevraagde informatie te verstrekken.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Van belanghebbende is in hoger beroep een griffierecht geheven van in totaal € 122 voor de behandeling van de zaken BK-14/01363 tot en met BK-14/01366. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaken die was vastgesteld op 25 februari 2015 te 11.00 uur te Den Haag heeft geen doorgang gevonden. Beide partijen hebben het Hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen, belanghebbende bij brief van 18 februari 2015 en de Inspecteur bij e-mailbericht van 19 februari 2015.

Vaststaande feiten

3. Op grond van de stukken van het geding gaat het Hof in hoger beroep uit van de volgende door de rechtbank in haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als “eiseres” en de Inspecteur als “verweerder” heeft aangeduid.

“1. Verweerder heeft renseignementen ontvangen betreffende Nederlandse rekeninghouders bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (KB Lux). De renseignementen vermelden onder meer een rekening met nummer [A] met een saldo op 31 januari 1994 van (in totaal) ƒ 332.590,61 (één termijndeposito van ƒ 332.252,81 en een zichtrekening van ƒ 337,80) ten name van [B]. Verweerder heeft eiseres (en haar echtgenoot) als houder van die rekening geïdentificeerd.

2. Eiseres, geboren [in]1946, is gehuwd met [C] geboren [in] 1947. De eerste voornaam van de echtgenoot van eiseres is [D]. Eiseres en haar echtgenoot hebben in hun aangiften inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 2008 tot en met 2011 geen vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een KB Lux rekening. Aan eiseres zijn aanslagen over de jaren 2008 tot en met 2011 opgelegd.

3. Bij brieven van 13 juni 2013 en 24 juni 2013 heeft verweerder eiseres betreffende de KB Lux rekening met nummer [A] de volgende vragen gesteld:

“1. Wordt deze bankrekening in 2008, 2009, 2010 en 2011 nog steeds door u aangehouden?

2. Zo ja: wat was het saldo inclusief onderliggende sub- en beleggingsrekeningen op 1 januari en 31 december 2008, 2009, 2010 en 2011?

3. Zo nee: op welke andere rekening(en) en op welke locatie wordt het eerder op de Kredietbank Luxemburg gestalde vermogen in 2008, 2009, 2010 en 2011 aangehouden?

4. Wat was het saldo van die andere rekening(en) op 1 januari en 31 december 2008, 2009, 2010 en 2011?

5. Indien niet langer vermogen in het buitenland wordt aangehouden, wanneer en op welke binnenlandse rekening is dit vermogen gestort of wanneer en waarvoor is het aangewend?

6. Ik verzoek u de bescheiden met betrekking tot de buitenlandse rekening(en) (in kopie) voor deze jaren te overleggen.”

4. Bij brief van 2 juli 2013 heeft de gemachtigde aangegeven dat eiseres in de jaren 2008 tot en met 2011 geen buitenlandse bankrekening heeft aangehouden. Verweerder heeft bij brief van 8 juli 2013 eiseres nogmaals in de gelegenheid gesteld om de gevraagde informatie te verstrekken. Bij brief van 12 juli 2013 heeft de gemachtigde herhaald dat eiseres in de jaren 2008 tot en met 2011 geen buitenlandse bankrekening heeft aangehouden. Vervolgens heeft verweerder de onderhavige informatiebeschikking vastgesteld, waarbij hij dezelfde vragen heeft gesteld als in de brieven van 13 juni 2013 en 24 juni 2013.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de beschikkingen terecht heeft gegeven, welke vraag belanghebbende ontkennend beantwoordt en de Inspecteur bevestigend.

4.2.

Belanghebbende heeft ter ondersteuning van haar standpunt zakelijk weergegeven – het navolgende aangevoerd:

De Inspecteur had de informatiebeschikkingen niet mogen nemen. De rechtbank heeft geen rekening gehouden met het tijdsverloop dat is verstreken vanaf de datum van het renseignement en de jaren waarover thans informatie wordt opgevraagd. Elk belastingjaar staat op zich en de rechtbank had dus voor elk jaar feiten moeten vaststellen op grond waarvan kan worden aangenomen dat belanghebbende rekeninghouder is in dat jaar. De kracht van het bewijs van het renseignement neemt af voor de latere belastingjaren. Het is algemeen bekend dat het niet vanzelfsprekend is dat rekeninghouders voor een langere periode een rekening aanhouden. De rechtbank had moeten meewegen dat bewijs leveren van iets wat niet bestaat voor belanghebbende heel lastig is en dat belanghebbende daardoor in bewijsnood verkeert.

Het is algemeen bekend dat KB-Lux geen informatie verstrekt. Doordat bij sommigen een reactie van de bank uitbleef, heeft een aantal de bank persoonlijk bezocht voor een verklaring dat hij/zij geen rekening heeft, dan wel dat de rekening is opgeheven. De bank verricht geen onderzoek wanneer de belanghebbenden langer dan 10 jaar geleden cliënt waren en wanneer zij cliënten zijn geweest en de rekening is opgeheven. De bank geeft in het geheel geen verklaring in verband met het in Luxemburg geldende bankgeheim.

4.3.

De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd bestreden.

4.4.

Voor een verdere uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vernietiging van de beschikkingen.

5.2.

De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als “eiseres” en de Inspecteur als “verweerder” heeft aangeduid:

”7. Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Awr is een ieder verplicht desgevraagd aan verweerder de gegevens en inlichtingen te verschaffen en bescheiden over te leggen die voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen. Indien met betrekking tot een – voor zover hier van belang – op te leggen navorderingsaanslag niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 47 van de Awr, kan verweerder dit op grond van artikel 52a, eerste lid, van de Awr vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (de informatiebeschikking).

8. De rechtbank stelt voorop dat in het onderhavige geval voor de beoordeling of de vastgestelde informatiebeschikking rechtmatig is, van belang is of eiseres heeft voldaan aan de op haar rustende informatieverplichting van artikel 47 van de Awr. Verweerder neemt het standpunt in dat dit niet het geval is. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat op verweerder de last rust om dit aannemelijk te maken.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit aannemelijk gemaakt. Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 25 juni 2013, nrs. SGR 12/10902, SGR 12/10904, SGR 12/10905, SGR 12/10907 en SGR 12/10908 – onder verwijzing naar de tot de gedingstukken behorende uitspraak van het gerechtshof ‘s-Gravenhage van 3 februari 2012, nr. BK-04/02517 en het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2013, nr. 12/01601, ECLI:NL:HR:2013:BZ6811, betreffende een KB Lux procedure van de echtgenoot van eiseres – geoordeeld dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een unieke naamcombinatie en dat de echtgenoot (mede-) rekeninghouder van de onder 1 genoemde KB Lux rekening is (geweest). De rechtbank ziet thans geen aanleiding van dit eerdere oordeel af te wijken. Gelet hierop en hetgeen verweerder overigens heeft aangevoerd, heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat eiseres als tweede rekeninghouder (mede-)gerechtigde is (geweest) van die rekening. Eiseres heeft met hetgeen zij heeft aangevoerd, het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling van eiseres dat zij geen rekening bij de KB Lux heeft gehad, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Ook de stelling van eiseres ter zitting dat in het onderhavige geval de identificatie van de echtgenoot als rekeninghouder bij de KB Lux nog niet onherroepelijk vaststaat, maakt dit niet anders.

10. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem gevraagde informatie voor de belastingheffing van eiseres voor de jaren 2008 tot en met 2011 van belang kon zijn. Voor de aanwezigheid van een belang als bedoeld in artikel 47 van de Awr is namelijk slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige (vgl. Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23 034, ECLI:NL:HR:1986:AW8125, BNB 1986/128, en Hoge Raad 1 november 2013, nr. 12/02791, ECLI:NL:HR:2013:1016). Gelet op de renseignementen en de door verweerder uitgevoerde identificatie die erin resulteerde dat eiseres als (mede-)rekeninghouder van de in 1 vermelde KB Lux rekening kon worden aangewezen, bestond er voor verweerder voldoende aanleiding om eiseres, nu dit ook voor haar belastingheffing voor de jaren 2008 tot en met 2011 van belang kon zijn, nadere inlichtingen te vragen omtrent de hiervoor genoemde KB Lux rekening. De enkele omstandigheid dat de renseignementen saldigegevens bevatten uit het jaar 1994 kan, anders dan eiseres van mening is, aan voormeld oordeel niet afdoen, nu hieruit niet kan worden afgeleid dat er voor de jaren 2008 tot en met 2011 geen belang (meer) zou zijn voor de belastingheffing van eiseres. Het kan immers niet worden uitgesloten dat eiseres, die in ieder geval in 1994 (mede-)rekeninghouder was van voormelde KB Lux rekening, ook in latere jaren (2008 tot en met 2011) nog steeds (mede-)rekeninghouder was van die KB Lux rekening dan wel dat zij, al dan niet via een andere buitenlandse bankrekening, over (een deel van) het vermogen van de opgeheven KB Lux rekening heeft beschikt. Daarnaast wijst de hoogte van het saldo van die rekening op 31 januari 1994, de wijze waarop het saldo is belegd, nagenoeg geheel in een termijndeposito, alsmede het bij de KB Lux in gebruik zijnde systeem van zicht- en tegenrekeningen op een belegging voor de lange termijn. Nu het voorts een algemene ervaringsregel is dat buitenlandse banktegoeden in een land met een bankgeheim voor een langere periode worden aangehouden, vraagt dit om een nadere toelichting van de zijde van eiseres. De enkele stelling van eiseres ter zitting dat het gebruikelijk is dat KB Lux rekeninghouders jaarlijks ƒ 25.000 van hun KB Lux rekening opnemen zodat op de onder 1 vermelde KB Lux rekening in de jaren 2008 tot en met 2011 geen saldo meer resteert, faalt, nu eiseres dit, ondanks de door verweerder gestelde vragen betreffende het vermogen van de KB Lux rekening, niet nader met bewijsstukken heeft onderbouwd.

11. Aangezien eiseres, ondanks herhaalde verzoeken van verweerder daartoe, geen gegevens over voormelde rekening heeft verstrekt, heeft eiseres niet aan haar informatieverplichting voldaan. Aldus is ten aanzien van eiseres terecht de onderhavige informatiebeschikking vastgesteld. De enkele stelling van eiseres ter zitting dat in het onderhavige geval de primitieve aanslagen met KB Lux correcties zijn opgelegd, faalt, nu uit de vragenbrieven van 13 juni 2013 en 24 juni 2013 blijkt dat er voor de jaren 2008 tot en met 2011 primitieve aanslagen zijn opgelegd zonder KB Lux correcties en dat in verband hiermee de in de brieven opgenomen vragen aan eiseres zijn gesteld. Aldus kan hieruit, een en ander in onderlinge samenhang bezien, worden afgeleid dat de onderhavige informatiebeschikking niet ziet op de reeds opgelegde primitieve aanslagen maar op de nog, naar verweerder ter zitting heeft verklaard, op te leggen navorderingsaanslagen. De rechtbank kan eiseres evenmin volgen in haar stelling ter zitting dat de informatiebeschikking in verband met de toepassing van de fictie van artikel 2.17, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, moet komen te vervallen. Eiseres is immers, naar hiervoor onder 9 is overwogen, als tweede rekeninghouder (mede-)gerechtigde van de onder 1 genoemde KB Lux rekening (geweest). Van toepassing van de fictie is dus geen sprake. De stelling van eiseres faalt reeds hierom.

12. Het beroep van eiseres op de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 september 2012 (nr. 12/1937, ECLI:NL:RBBRE:2012:BY2216) kan niet tot een ander oordeel leiden, nu in het daar voorliggende geval, anders dan hier het geval is, verweerder niet aannemelijk had gemaakt dat de desbetreffende belastingplichtige in een eerder jaar (1994) gerechtigd was tot een buitenlandse bankrekening.

13. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard. De rechtbank zal eiseres op grond van artikel 27e, tweede lid, van de Awr een nieuwe termijn stellen om de in de informatiebeschikking gestelde vragen te beantwoorden en de verzochte informatie te verstrekken. De rechtbank acht een termijn van zes weken vanaf de dag na die van verzending van de uitspraak passend.

Proceskosten

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Het gaat erom of de in de beschikkingen gevraagde informatie over het verloop van de rekening [A] bij KB Lux van belang kan zijn voor de inkomstenbelastingheffing ten aanzien van belanghebbende. Het Hof beantwoordt die vraag bevestigend. De omstandigheid dat in de renseignementen twee achternamen zijn vermeld met een verbindingsstreepje ertussen duidt op een gehuwdenrekening. In het BVR-systeem komt de combinatie van de achternaam [E] samen met de voornaam [D] en de achternaam van [F] als naam van de echtgenote slechts een keer voor en dat is de combinatie van de achternaam en voornaam van belanghebbendes echtgenoot en de achternaam van belanghebbende.

7.2.

De hoogte van het saldo van de rekening per 31 januari 1994 alsmede de omstandigheid dat sprake is van een termijndeposito, doen aannemelijk zijn dat belanghebbende een belegging voor de lange termijn aanhoudt of heeft aangehouden.

7.3.

De Inspecteur kon zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie voor de belastingheffing ten aanzien van belanghebbende voor de jaren 2008 tot en met 2011 van belang kon zijn, omdat die informatie helderheid zou kunnen geven over de vraag of belanghebbende in die jaren over niet door hem aangegeven vermogen beschikte (vergelijk HR 18 april 2003, nr. 38 122, ECLI:NL:HR:2003:AF7498).

7.4.

Anders dan belanghebbende stelt, is voor de beantwoording van de vraag of de Inspecteur bij belanghebbende informatie mocht opvragen niet bepalend of de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende een rekening bij KB Lux heeft in de jaren waarover de informatie wordt gevraagd en ook niet de omstandigheid dat het saldo op de rekening kan zijn afgenomen. Ten overvloede zij nog overwogen dat belanghebbende geen bewijs heeft bijgebracht van haar stelling dat zij zich niet tot de KB Lux zou kunnen wenden en in de onmogelijkheid verkeert om informatie te verschaffen.

7.5.

Het Hof komt tot de conclusie dat de Inspecteur belanghebbende onder verwijzing naar artikel 47 van de Awr terecht om informatie over het verloop van de rekening [A] bij de KB Lux heeft gevraagd.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht, nu het hoger beroep ongegrond is, geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Evenmin is er aanleiding belanghebbende het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.J.J. Engel, H.A.J. Kroon en B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 8 april 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.