Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:960

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-03-2015
Datum publicatie
24-04-2015
Zaaknummer
AWB 14_00569
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

De omstandigheid dat de Inspecteur de proceskosten en het griffierecht die hij ingevolge de uitspraak van de rechtbank moet vergoeden, niet heeft uitbetaald, ontheft belanghebbende niet van de plicht het in hoger beroep geheven griffierecht te betalen. In dit geval is er geen sprake van betalingsonmacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/956
V-N 2015/29.25.2
FutD 2015-1097
NTFR 2015/1456
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-14/00569

Uitspraak d.d. 11 maart 2015

op het verzet van [X] te [Z], hierna belanghebbende,

tegen na te noemen uitspraak.

Uitspraak en verzet

1.1.

Belanghebbende heeft verzet gedaan tegen de uitspraak na vereenvoudigde behandeling van de enkelvoudige kamer van dit Hof van 10 september 2014, waarbij het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 mei 2014, nr. SGR 14/194, betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2009 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen en de aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet alsmede de bij beide aanslagen genomen boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente, niet‑ontvankelijk is verklaard wegens het niet voldoen van het verschuldigde griffierecht.

1.2.

Belanghebbende heeft verzocht te worden gehoord omtrent het verzet. Het Hof heeft daarop de mondelinge behandeling van het verzet bepaald op 28 januari 2015 te 12.00 uur in het Paleis van Justitie te Den Haag. Belanghebbende is op vermeld tijdstip en plaats niet verschenen. De mondelinge behandeling van het verzet heeft daarop niet plaatsgehad.

Standpunt belanghebbende

2. Voor het standpunt van belanghebbende verwijst het Hof naar het verzetschrift en het nader stuk ontvangen bij faxbericht van 15 december 2014.

Beoordeling van het verzet

3.1.

Niet in geschil is dat belanghebbende het voor het in behandeling nemen van het hoger beroep verschuldigde griffierecht niet binnen de wettelijke termijn en evenmin na afloop daarvan heeft voldaan. Belanghebbende heeft zich – samengevat – op het standpunt gesteld dat het achterwege blijven van tijdige betaling van het griffierecht hem niet kan worden tegengeworpen, aangezien hij niet in staat is het griffierecht te betalen.

3.2.

De omstandigheid dat de Inspecteur de proceskosten van € 730 en het griffierecht van € 44 die hij ingevolge de uitspraak van de rechtbank aan belanghebbende moet vergoeden, niet heeft uitbetaald, ontheft belanghebbende niet van de plicht het van hem in hoger beroep geheven griffierecht te betalen. Dit geldt des te meer omdat de uitspraak van de rechtbank ten gevolge van het door belanghebbende ingestelde hoger beroep, nog niet onherroepelijk vaststaat, zodat de Inspecteur nog niet is gehouden de zo-even vermelde bedragen aan belanghebbende uit te betalen. Het Hof verwijst naar het bepaalde in artikel 27h, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

3.3.

De door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat hij moet rondkomen van een netto-inkomen van ongeveer € 900 netto per maand, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Volgens de bij het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2015, nr. 14/05176, ECLI:NL:HR:2015:354 gegeven inkomensnormen is bij een inkomen als hiervoor genoemd geen sprake van betalingsonmacht.

3.4.

Nu ook overigens geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die de conclusie rechtvaardigen dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest, is het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.J.J. Engel, G.J. van Leijenhorst en S.T.M. Beelen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 11 maart 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.