Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:952

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-03-2015
Datum publicatie
22-04-2015
Zaaknummer
BK 14_00413
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:4304, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen houdt in hoger beroep uitsluitend het antwoord op de vraag verdeeld of de auto een gebruikte personenauto is in de zin van artikel 10 van de Wet BPM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/899
V-N 2015/29.25.1
FutD 2015-0777 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2015/1945
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-14/00413

Uitspraak van 20 maart 2015

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/kantoor Utrecht, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 maart 2014, nr. SGR 13/9231.

Bezwaar en beroep

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen van € 11.047 opgelegd.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 318 is geheven.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 493 is geheven.

2.2.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 februari 2015 in Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

3.1.

Belanghebbende heeft met betrekking tot de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een personenauto met het merk BMW, type X5, afkomstig uit een andere lidstaat van de Europese Unie, te weten Duitsland, op 5 juni 2012 een bedrag van € 17.062 aan belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) op aangifte voldaan.

3.2.

De auto, aanvankelijk eigendom van [A] GmbH & Co. KG (de verkoper) te [B] in Duitsland, is op 2 mei 2012 in Duitsland geregistreerd op naam van de verkoper en op (Duits) kenteken gesteld.

3.3.

Vanaf 2 mei 2012 tot en met 19 juni 2012 is de auto op naam van de verkoper all-risk verzekerd geweest bij [C]. te [D] in Duitsland.

3.4.

Op 24 mei 2012 is de auto door een Nederlandse koper ([E] B.V.) aangeschaft voor € 64.000. De aankoopfactuur vermeldt dat de auto op het moment van verkoop een kilometerstand heeft van 346.

3.5.

Op het moment van keuring door de Dienst Wegverkeer (RDW), te weten op 1 juni 2012, heeft de auto een kilometerstand van 2021.

3.6.

Bij het doen van de aangifte voor de BPM heeft de auto een kilometerstand van 2699.

3.7.

Bij het doen van de aangifte voor de BPM is belanghebbende uitgegaan van een gebruikte auto in de zin van artikel 9, lid 6, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (Wet BPM).

3.8.

Aan de naheffingsaanslag ligt de opvatting ten grondslag dat sprake is van een nieuwe personenauto als bedoeld in artikel 9, lid 5, van de Wet BPM.

De rechtbank

4. De rechtbank heeft overwogen:

"(…)

12. De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn voornoemde arresten een beoordelingskader heeft gegeven voor beantwoording van de vraag of sprake is van een nieuwe of gebruikte auto. In het arrest van 29 mei 2009, nr. 08/00824, is onder andere het volgende overwogen.

'3.3.3. Middel 4 bestrijdt 's Hofs oordeel dat voor de toepassing van de rechtspraak van het Hof van Justitie op de onderhavige auto's nieuwe auto's als referentie-auto's kunnen gelden. Het middel berust op het onjuiste uitgangspunt dat de onderhavige auto's niet vergelijkbaar zijn met nieuwe auto's, dat wil zeggen auto's die in Nederland op de consumentenmarkt worden gebracht en waarvoor nog geen kenteken is toegekend, aangezien aldus het middel voor de onderhavige auto's al een kenteken was toegekend voordat zij in Nederland werden geregistreerd. De omstandigheid dat de auto's in Duitsland zijn geregistreerd voordat zij in Nederland werden geregistreerd, staat niet in de weg aan het oordeel dat de auto's behoudens in één geval als nieuwe personenauto moeten worden aangemerkt, nu de Nederlandse kopers de auto's voor het eerst in gebruik hebben genomen. Anders dan het middel betoogt kunnen derhalve niet uitsluitend personenauto's waarvoor nog geen kenteken is toegekend als nieuw in de zin van de Wet worden aangemerkt. Nu de onderwerpelijke personenauto's behoudens in één geval nieuw waren op het tijdstip waarop voor deze auto's in Nederland een kenteken werd toegekend, is de maatstaf van heffing voor deze auto's, gelet op artikel 9, lid 5, van de Wet, de op dat tijdstip geldende in lid 4 van dat artikel vermelde catalogusprijs. Aangezien dit niet leidt tot een hogere heffing dan die voor door een importeur of fabrikant in de zin van dit lid 4 in Nederland gebrachte of vervaardigde vergelijkbare personenauto's die in nieuwe staat worden geregistreerd in de zin van artikel 1, lid 2, van de Wet, en voorts de heffing van de BPM in het algemeen en in het bijzonder met betrekking tot vanuit andere lidstaten in Nederland op de markt gebrachte nieuwe personenauto's niet strijdig is met het gemeenschapsrecht, is bij de onderwerpelijke heffing van BPM geen sprake van schending van het gemeenschapsrecht. Het bepaalde in de Leidraad BPM, waarop het middel mede een beroep doet, doet hieraan niet af. De omstandigheid dat volgens de Leidraad BPM een personenauto reeds als gebruikt kan worden aangemerkt in de zin van artikel 10 van de Wet (met dienovereenkomstige vermindering van de maatstaf van heffing), indien deze in Nederland wordt geregistreerd nadat daarvoor in een andere lidstaat een kenteken was toegekend, laat onverlet dat de auto voor de toetsing aan het gemeenschapsrecht heeft te gelden als nieuwe, nog niet gebruikte auto. De heffing van de BPM volgens de Leidraad BPM is derhalve niet in strijd met het gemeenschapsrecht. Op grond van het hiervoor overwogene faalt middel 4 en tevens middel 5.'

In het arrest van 14 september 2012, nr. 12/00848, is onder andere het volgende overwogen.

'3.3.2. Voor de berekening van de verschuldigde bpm maakt de Wet onderscheid tussen nieuwe en gebruikte personenauto's (artikel 9, leden 5 en 6, van de Wet). In dit verband moet onder een nieuwe personenauto worden verstaan een auto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest (vgl. HR 29 mei 2009, nr. 08/00824, LJN BI5100, BNB 2009/186). Vast staat dat de auto na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks is gebruikt. Het Hof heeft mitsdien met juistheid geoordeeld dat belanghebbende een nieuwe personenauto in de zin van de Wet ter registratie heeft aangeboden. Voor dat geval bepaalt artikel 9, lid 5, van de Wet dat als grondslag voor de heffing van bpm de catalogusprijs moet worden gehanteerd. Onder catalogusprijs wordt ingevolge artikel 9, lid 4, van de Wet verstaan de door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs die naar zijn inzicht bij de verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. Het gaat daarbij om de op de dag van de registratie voor het desbetreffende type en model personenauto laatstelijk door de fabrikant of importeur kenbaar gemaakte catalogusprijs. Het Hof heeft daarom terecht de veilingprijs als maatstaf van heffing voor de auto verworpen. Daaraan doet niet af dat het model van de auto verouderd was. Anders dan de klachten verdedigen kan de voor de auto bekend gemaakte ’veilingadviesprijs’ niet als grondslag dienen, omdat deze prijs niet door de importeur of fabrikant bekend is gemaakt. De omstandigheid dat in 2008 een catalogusprijs kenbaar is gemaakt voor een nieuw model van hetzelfde type personenauto, brengt niet mee dat de voor het oudere model geldende catalogusprijs uit 2005 niet langer van toepassing kan zijn.'

13. De rechtbank acht, gelet op wat [de Inspecteur] dienaangaande heeft aangevoerd en overgelegd, meer in het bijzonder de (…) verklaring, aannemelijk dat de auto anders dan wat zand op de matten, geen sporen van gebruik vertoonde. Gelet op die omstandigheid en het hiervoor weergegeven toetsingskader, moet de auto naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een nieuwe auto in de zin van de Wet. Daaraan doet in dit geval niet af het enkele feit dat de auto ten tijde van de aangifte een kilometerstand had van meer dan 2.000. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet inzichtelijk is geworden hoe die kilometerstand, althans voor zover deze meer bedraagt dan de kilometerstand ten tijde van de aankoop, is ontstaan. [Belanghebbende] heeft weliswaar een verklaring van de verkoper overgelegd waarin deze verklaart dat hij de auto van 2 mei 2012 tot en met 26 juni 2012 heeft gebruikt en op 27 juni 2012 aan [belanghebbende] heeft uitgeleverd met 2.021 kilometer op de teller. Die verklaring laat zich echter niet verenigen met de constatering tijdens de RDW-keuring bijna een maand eerder namelijk op 1 juni 2012, dat de auto op dat moment 2.021 kilometer had gereden. Evenmin valt die verklaring te rijmen met het feit dat in de periode tussen 5 mei 2012 (moment van aangifte) en 19 juni 2012 (moment van afgifte fiscaal akkoord) en dus nog vóór het uitleveren van de auto door de verkoper, is geconstateerd dat de kilometerstand al 2.699 bedroeg. Bovendien is behoudens voornoemde verklaring geen ander bewijs geleverd van de stelling dat de verkoper ook na de totstandkoming van de verkoopovereenkomst de auto is blijven gebruiken. De rechtbank is daarom van oordeel dat [de Inspecteur] de na aankoop opgelopen kilometerstand in dit geval terecht niet van belang heeft geacht voor het antwoord op de vraag of sprake is van een nieuwe of gebruikte auto.

14. Volgens voornoemd arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2009 staat aan het aanmerken van een auto als nieuw, niet in de weg dat de auto al in het buitenland was geregistreerd voordat deze in Nederland werd geregistreerd. Het andersluidende standpunt van [belanghebbende] berust daarom op een onjuiste rechtsopvatting, en wordt verworpen.

15. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

(…)

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

Geschil en standpunten

5.1.

Partijen houdt in hoger beroep uitsluitend het antwoord op de vraag verdeeld of de auto een gebruikte personenauto is in de zin van artikel 10 van de Wet BPM. Belanghebbende beantwoordt de vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

5.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling

6.1.

Het Hof stelt, evenals de rechtbank, voorop dat de Hoge Raad een beoordelingskader heeft gegeven voor de beantwoording van de vraag of voor de heffing van BPM sprake is van een nieuwe of een gebruikte auto. Ten aanzien daarvan overweegt het Hof dat belanghebbende onweersproken heeft gesteld dat de auto na de registratie in Duitsland op 2 mei 2012 door de verkoper als demo-auto in gebruik is genomen. Tegen de achtergrond van de door de rechtbank aangehaalde rechtspraak houdt het Hof het er dan ook voor, nu niet anders is gebleken, dat de auto door de koper niet voor het eerst in gebruik is genomen. Los daarvan zijn uit de beschikbare gegevens over het gebruik en de status van de auto voldoende aanwijzingen te putten dat van de auto niet kan worden gezegd dat die na de vervaardiging niet of nauwelijks in gebruik is geweest.

6.2.

Het gelijk is aan de zijde van belanghebbende. Voor dat geval staat tussen partijen vast dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Het hoger beroep slaagt. De overige stellingen van belanghebbende hoeven geen behandeling.

Proceskosten en griffierechten

7.1.

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt de kosten vast op in totaal € 3.306: 1 punt à € 244 (bezwaar) plus 4 punten à € 490 (beroep en hoger beroep), uitgaande van een gewicht van 1,5. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

7.2.

De Inspecteur dient de in beroep en in hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 811 aan belanghebbende te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3.306; en

- gelast de Inspecteur de griffierechten van € 811 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, Chr.Th.P.M. Zandhuis en P.M. Verhagen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. F.A. Mijnans. De beslissing is op 20 maart 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.