Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:951

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-03-2015
Datum publicatie
22-04-2015
Zaaknummer
BK-14_00400
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:6033, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1217
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen houdt in hoger beroep uitsluitend het antwoord op de vraag verdeeld of de auto een gebruikte personenauto is in de zin van artikel 10 van de Wet BPM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/897
FutD 2015-0777 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-14/00400

Uitspraak van 20 maart 2015

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/kantoor Utrecht, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 maart 2014, nr. SGR 13/8477.

Bezwaar en beroep

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en

motorrijwielen van € 5.297 opgelegd.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 318 is geheven.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 493 is geheven.

2.2.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 februari 2015 in Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

3.1.

Belanghebbende heeft met betrekking tot de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een personenauto met het merk Chrysler, type Sebring, afkomstig uit een andere lidstaat van de Europese Unie, te weten Duitsland, op 28 maart 2012 een bedrag van € 2.668 aan belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) op aangifte voldaan. Bij het doen van de aangifte heeft de auto, volgens gegevens van de Dienst Wegverkeer (RDW), een kilometerstand van 134.

3.2.

De auto is op 18 december 2007 in Duitsland geregistreerd en op (Duits) kenteken gesteld. Op 9 mei 2012 is de auto in Nederland op naam van belanghebbende gesteld.

3.3.

Bij het doen van de aangifte voor de BPM is belanghebbende uitgegaan van een gebruikte auto in de zin van artikel 9, lid 6, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (Wet BPM).

3.4.

Aan de naheffingsaanslag ligt de opvatting ten grondslag dat sprake is van een nieuwe personenauto als bedoeld in artikel 9, lid 5, van de Wet BPM.

De rechtbank

4. De rechtbank heeft overwogen:

"(…)

10. Ter ondersteuning van haar primaire standpunt voert [belanghebbende] naar de rechtbank begrijpt aan dat de heffingssystematiek van de Bpm er toe kan leiden dat in een geval waarbij een in Nederland ingevoerde gebruikte auto vervolgens wordt geëxporteerd onder gebruikmaking van de teruggaafregeling, de kans bestaat dat bij (de berekening van) de teruggaaf van Bpm geen rekening wordt gehouden met een ter zake van de invoer opgelegde, nog niet voldane, naheffingsaanslag waardoor per saldo te veel belasting is geheven ter zake van de ingevoerde auto. Dat daarvan in het onderhavige geval sprake is, is evenwel gesteld noch gebleken. Daarom komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [de Inspecteur] met het opleggen van de naheffingsaanslag vanwege de door [belanghebbende] aangevoerde grond, in strijd is gekomen met artikel 110 van het VWEU.

(…)

11. Met betrekking tot de vraag of in dit geval sprake is van een nieuwe of gebruikte auto stelt de rechtbank voorop dat de Hoge Raad in zijn voornoemde arresten, hiervoor een beoordelingskader heeft gegeven. In het arrest van 29 mei 2009, nr. 08/00824, is onder andere het volgende overwogen.

'3.3.3. Middel 4 bestrijdt 's Hofs oordeel dat voor de toepassing van de rechtspraak van het Hof van Justitie op de onderhavige auto's nieuwe auto's als referentie-auto's kunnen gelden. Het middel berust op het onjuiste uitgangspunt dat de onderhavige auto's niet vergelijkbaar zijn met nieuwe auto's, dat wil zeggen auto's die in Nederland op de consumentenmarkt worden gebracht en waarvoor nog geen kenteken is toegekend, aangezien aldus het middel voor de onderhavige auto's al een kenteken was toegekend voordat zij in Nederland werden geregistreerd. De omstandigheid dat de auto's in Duitsland zijn geregistreerd voordat zij in Nederland werden geregistreerd, staat niet in de weg aan het oordeel dat de auto's behoudens in één geval als nieuwe personenauto moeten worden aangemerkt, nu de Nederlandse kopers de auto's voor het eerst in gebruik hebben genomen. Anders dan het middel betoogt kunnen derhalve niet uitsluitend personenauto's waarvoor nog geen kenteken is toegekend als nieuw in de zin van de Wet worden aangemerkt. Nu de onderwerpelijke personenauto's behoudens in één geval nieuw waren op het tijdstip waarop voor deze auto's in Nederland een kenteken werd toegekend, is de maatstaf van heffing voor deze auto's, gelet op artikel 9, lid 5, van de Wet, de op dat tijdstip geldende in lid 4 van dat artikel vermelde catalogusprijs. Aangezien dit niet leidt tot een hogere heffing dan die voor door een importeur of fabrikant in de zin van dit lid 4 in Nederland gebrachte of vervaardigde vergelijkbare personenauto's die in nieuwe staat worden geregistreerd in de zin van artikel 1, lid 2, van de Wet, en voorts de heffing van de BPM in het algemeen en in het bijzonder met betrekking tot vanuit andere lidstaten in Nederland op de markt gebrachte nieuwe personenauto's niet strijdig is met het gemeenschapsrecht, is bij de onderwerpelijke heffing van BPM geen sprake van schending van het gemeenschapsrecht. Het bepaalde in de Leidraad BPM, waarop het middel mede een beroep doet, doet hieraan niet af. De omstandigheid dat volgens de Leidraad BPM een personenauto reeds als gebruikt kan worden aangemerkt in de zin van artikel 10 van de Wet (met dienovereenkomstige vermindering van de maatstaf van heffing), indien deze in Nederland wordt geregistreerd nadat daarvoor in een andere lidstaat een kenteken was toegekend, laat onverlet dat de auto voor de toetsing aan het gemeenschapsrecht heeft te gelden als nieuwe, nog niet gebruikte auto. De heffing van de BPM volgens de Leidraad BPM is derhalve niet in strijd met het gemeenschapsrecht. Op grond van het hiervoor overwogene faalt middel 4 en tevens middel 5.'

In het arrest van 14 september 2012, nr. 12/00848, is onder andere het volgende overwogen.

'3.3.2. Voor de berekening van de verschuldigde bpm maakt de Wet onderscheid tussen nieuwe en gebruikte personenauto's (artikel 9, leden 5 en 6, van de Wet). In dit verband moet onder een nieuwe personenauto worden verstaan een auto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest (vgl. HR 29 mei 2009, nr. 08/00824, LJN BI5100, BNB 2009/186). Vast staat dat de auto na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks is gebruikt. Het Hof heeft mitsdien met juistheid geoordeeld dat belanghebbende een nieuwe personenauto in de zin van de Wet ter registratie heeft aangeboden. Voor dat geval bepaalt artikel 9, lid 5, van de Wet dat als grondslag voor de heffing van bpm de catalogusprijs moet worden gehanteerd. Onder catalogusprijs wordt ingevolge artikel 9, lid 4, van de Wet verstaan de door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs die naar zijn inzicht bij de verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. Het gaat daarbij om de op de dag van de registratie voor het desbetreffende type en model personenauto laatstelijk door de fabrikant of importeur kenbaar gemaakte catalogusprijs. Het Hof heeft daarom terecht de veilingprijs als maatstaf van heffing voor de auto verworpen. Daaraan doet niet af dat het model van de auto verouderd was. Anders dan de klachten verdedigen kan de voor de auto bekend gemaakte ’veilingadviesprijs’ niet als grondslag dienen, omdat deze prijs niet door de importeur of fabrikant bekend is gemaakt. De omstandigheid dat in 2008 een catalogusprijs kenbaar is gemaakt voor een nieuw model van hetzelfde type personenauto, brengt niet mee dat de voor het oudere model geldende catalogusprijs uit 2005 niet langer van toepassing kan zijn.'

12. Uitgaande van het door de Hoge Raad gegeven toetsingskader en in aanmerking nemend dat de auto ten tijde van het doen van aangifte slechts 134 kilometer had gereden, en gesteld noch gebleken is dat de auto op dat moment sporen van gebruik had, moet de auto naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een nieuwe personenauto. Dat de auto ten tijde van de aangifte/registratie begin 2012, gerekend vanaf de datum van eerste toelating van 18 december 2007, meer dan vier jaar oud was, doet hier niet aan af. Dit volgt reeds uit hetgeen door de Hoge Raad is beslist in het hiervoor aangehaalde arrest van 14 september 2012. Volgens genoemd arrest van 29 mei 2009 staat daar evenmin aan in de weg dat de auto al in het buitenland was geregistreerd voordat deze in Nederland werd geregistreerd. Het subsidiaire standpunt van [belanghebbende] is daarom in strijd met het recht, en wordt verworpen.

13. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

(…)

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

Geschil en standpunten

5.1.

Partijen houdt in hoger beroep uitsluitend het antwoord op de vraag verdeeld of de auto een gebruikte personenauto is in de zin van artikel 10 van de Wet BPM. Belanghebbende beantwoordt de vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

5.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling

6.1.

De rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel met juistheid geoordeeld dat de auto voor de heffing van BPM is aan te merken als een nieuwe personenauto en ook overigens terecht beslist dat het beroep ongegrond is. Belanghebbende heeft in beroep en in hoger beroep niets aangevoerd, gelet ook op de uiteenzetting in het verweerschrift in hoger beroep, dat een andere conclusie rechtvaardigt. Het Hof neemt, net als de rechtbank, in aanmerking dat de omstandigheid dat de auto in Duitsland is geregistreerd voordat de auto in Nederland is geregistreerd, niet in de weg staat aan het oordeel dat de auto als nieuwe personenauto is aan te merken. Dat geldt te meer, omdat de beschikbare gegevens uitwijzen dat de auto met een kilometerstand van 134 vanuit een showroom in Duitsland met een trailer naar Nederland is gebracht ter keuring door de RDW. Dat uit de beschikbare gegevens over het gebruik en de status van de auto is af te leiden dat sprake is van een nieuwe auto, niet alleen in de zin dat het belanghebbende is die de auto voor het eerst in gebruik heeft genomen, maar ook in de zin dat van de auto kan worden gezegd dat die na de vervaardiging niet of nauwelijks in gebruik is geweest, vindt bovendien bevestiging in de omstandigheid de Inspecteur heeft daar uitdrukkelijk op gewezen dat zowel een factuur uit 2010 als een factuur uit 2012 een aankoopprijs voor de auto van € 21.342 vermeldt.

6.2.

Het Hof is verder niet gebleken van een omstandigheid, de overwegingen van de rechtbank overnemend, die meebrengt dat de naheffing in strijd is, ook in het licht van artikel 110 VWEU, met een rechtsregel.

6.3.

Het Hof komt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten

Het Hof ziet geen reden een partij in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, Chr.Th.P.M. Zandhuis en P.M. Verhagen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. F.A. Mijnans. De beslissing is op 20 maart 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.