Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:813

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-04-2015
Datum publicatie
23-04-2015
Zaaknummer
200.159.139 - 01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veertiendagenbrief 6:96 BW. Aanvang termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/140
Bb 2015/34.1
NJF 2015/279
RAV 2015/76
WR 2015/110 met annotatie van red. aant.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.159.139 / 01

Zaak- en rolnummer rechtbank : 3318777 / 14-25073

arrest van 21 april 2015

inzake

Stichting Woonzorg Nederland,

gevestigd te Amstelveen,

appellante,

hierna te noemen: Woonzorg,

advocaat: mr. R. van Kessel te Den Haag,

tegen

[naam],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

niet verschenen.

Het geding

1. Bij exploot van 30 oktober 2014 met producties heeft Woonzorg hoger beroep ingesteld tegen het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag, team Kanton, van 13 augustus 2014. In het exploot heeft Woonzorg drie grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. De zaak is op 11 november 2014 aangebracht. Tegen [geïntimeerde] is toen verstek verleend. Bij afzonderlijke conclusie van eis in hoger beroep heeft Woonzorg geconcludeerd overeenkomstig de appeldagvaarding. Op 10 februari 2014 is een schriftelijk pleidooi gehouden, waarna arrest is gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

2. Het hof gaat uit van de volgende feiten:

  1. Op 4 juli 2013 is tussen partijen een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning aan de [adres] te [plaats].

  2. Bij brief van 17 juni 2014 is namens Woonzorg aan [geïntimeerde] onder meer geschreven: “U verkeert ter zake deze vordering in verzuim. Alvorens tot het nemen van rechtsmaatregelen over te gaan, stellen wij u nog gedurende VEERTIEN dagen in de gelegenheid het verschuldigde AAN ONS KANTOOR te voldoen. Mocht u de vordering betwisten dan verzoeken wij u ons dit eveneens binnen diezelfde termijn van veertien dagen na heden SCHRIFTELIJK te laten weten. Uw betaling dient BINNEN de genoemde termijn van veertien dagen door ons te zijn ontvangen, dat wil zeggen bijgeschreven op onze rekening. Mocht uw betaling niet tijdig worden ontvangen dan bent u ingevolge de wet een vergoeding verschuldigd van € 521,09 waarmee de vordering zal worden verhoogd. (…).”

  3. Op 2 juli 2014 is een afbetalingsregeling overeengekomen, die niet is nagekomen.

3. Bij exploot van 31 juli 2014 heeft Woonzorg [geïntimeerde] doen dagvaarden. Zij heeft in eerste aanleg, samengevat weergegeven, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gevorderd. Woonzorg vorderde voorts de betaling van een bedrag van € 4.193,73 te vermeerderen met rente en een bedrag van € 616,03 als vergoeding voor het gebruik van de woning tot aan de dag der ontruiming, alsmede veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding. In de gevorderde hoofdsom was een bedrag aan buitengerechtelijke kosten opgenomen van € 521,09 en een bedrag van € 109,43 aan omzetbelasting over die kosten. [geïntimeerde] heeft de vordering bij brief aan de kantonrechter van 11 augustus 2014 volledig erkend en aangegeven niet in staat te zijn die vordering te voldoen.

4. De kantonrechter heeft de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten afgewezen omdat naar zijn oordeel gesteld noch gebleken is dat een aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW heeft plaatsgevonden, en de vordering voor het overige toegewezen. De beslissing tot afwijzing van de buitengerechtelijke kosten is bij brief van de teamvoorzitter van het Team Kanton van 28 augustus 2014 toegelicht. In die brief is onder meer opgenomen dat er bij de beoordeling wordt uitgegaan van de veronderstelling dat de schuldenaar de aanmaning de dag na dagtekening heeft ontvangen en dat de termijn van 14 dagen aldus twee dagen na dagtekening van de aanmaning begint. Onjuiste of onvoldoende duidelijk aanzegging van de termijn leidt volgens de toelichting die in die brief is opgenomen, tot afwijzing van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten.

5. De grieven richten zich tegen de afwijzing van de buitengerechtelijke incassokosten en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Gelet op het kennelijk principiële karakter van de vraag die door de grieven aan de orde wordt gesteld zal het hof de toelichting die in de brief van de voorzitter van het Team Kanton is neergelegd mede betrekken in zijn beoordeling, hoewel grief 1 terecht tot uitgangspunt neemt dat de redenen die aan een beslissing ten grondslag liggen uit het vonnis zelf kenbaar dienen te zijn.

6. Artikel 6:96 lid 6 BW bepaalt dat de vergoeding van buitengerechtelijke kosten door een consument eerst verschuldigd kan worden nadat de schuldenaar na het intreden van het verzuim, bedoeld in artikel 6:81 BW, onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling, waaronder de vergoeding die in overeenstemming met de nadere regels als bedoeld in lid 5 wordt gevorderd, vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen, aanvangende de dag na aanmaning. Met deze regeling is beoogd dat de consument niet wordt overvallen door het verschuldigd worden van incassokosten: hij krijgt na de waarschuwing in de zogenaamde veertiendagenbrief nog veertien dagen de gelegenheid het verschuldigde bedrag te betalen zonder dat incassokosten verschuldigd worden (vgl. HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405). In de parlementaire toelichting heeft de minister hierover onder meer het volgende opgemerkt:

“Op basis van de voorgestelde regeling geldt bovendien dat een consument die niet op tijd heeft betaald, dient te worden aangemaand voordat incassokosten in rekening mogen worden gebracht. Deze schuldenaar kan dus niet worden overvallen door € 40 aan incassokosten. Als hij binnen 14 dagen na de aanmaning de vordering alsnog voldoet, laat de wet niet toe dat er incassokosten in rekening worden gebracht.” (Kamerstukken II 2010/11, 32 418, nr. 5, p. 6).

7. De brief van Woonzorg van 17 juni 2014 voldoet in zoverre aan de in artikel 6:96 lid 6 BW gestelde eisen dat aan [geïntimeerde] daarin een termijn van veertien dagen is gegund om alsnog tot betaling over te gaan en dat in die brief is uiteen gezet welke kosten hij bij niet-betaling is verschuldigd. Woonzorg neemt in de toelichting op haar grieven daarbij terecht tot uitgangspunt dat uit de wet volgt dat de termijn van veertien dagen gaat lopen de dag na aanmaning en niet, zoals in de brief van de voorzitter van het Team Kanton is neergelegd, twee dagen na dagtekening van de aanmaning. De in de brief van 17 juni 2014 genoemde termijn is echter in zoverre niet juist dat in de brief óók wordt gesproken over “een termijn van veertien dagen na heden”. Weliswaar is deze termijn genoemd als termijn waarbinnen de vordering dient te worden betwist, maar uit de toevoeging van het woord “diezelfde” blijkt dat Woonzorg er ook voor de betaling van de hoofdsom vanuit gaat dat deze dient plaats te vinden binnen veertien dagen “na heden”. Met “heden” kan niets anders zijn bedoeld dan de dag van dagtekening van de brief, terwijl de termijn van veertien dagen volgens de wet gaat lopen op de dag na aanmaning. De aan [geïntimeerde] gegunde termijn is zodoende één dag tekort geweest, waardoor de brief niet voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt.

8. Grief 2 stelt mede de vraag aan de orde wat daarvan de consequentie moet zijn. Uit de wettekst volgt dat de buitengerechtelijke kosten niet verschuldigd zijn wanneer niet een veertiendagenbrief is verzonden. Ook in de parlementaire toelichting is als uitgangspunt opgenomen dat, wanneer aan deze eis niet is voldaan, geen incassokosten verschuldigd zijn (Kamerstukken II 2010/11, 32 418, nr. 5, p. 17). Diezelfde consequentie moet naar het oordeel van het hof in beginsel worden verbonden aan een brief die niet aan de uit de wet voortvloeiende eisen voldoet omdat dan niet wordt voldaan aan het doel van de regeling, te weten te voorkomen dat de schuldenaar door die kosten wordt overvallen. In dit specifieke geval staat echter, gelet op de brief die [geïntimeerde] aan de kantonrechter heeft geschreven, niet alleen vast dat hij de volledige vordering (waartoe dus ook de buitengerechtelijke kosten behoorden) erkende, maar ook dat hij deze niet kon voldoen. [geïntimeerde] heeft de vordering ook niet voldaan, ook niet na ommekomst van de juiste termijn na de brief van 17 juni 2014. Er is dan ook geen enkele reden om aan te nemen dat, wanneer [geïntimeerde] uit de brief van 17 juni 2014 zou hebben kunnen afleiden dat de termijn van veertien dagen ging lopen op de dag na aanmaning, en niet op de dag van dagtekening van die brief, hij wel tijdig aan de niet-betwiste vordering voldaan zou hebben. In die omstandigheden dient te worden geconcludeerd dat de brief van 17 juni 2014 toch werking heeft gehad omdat de consequentie van niet-betaling daarin duidelijk is opgenomen, en dus dat [geïntimeerde] de buitengerechtelijke kosten verschuldigd is geworden, zij het na ommekomst van de in de wet bedoelde termijn die is gaan lopen op de dag na aanmaning.

9. Het bovenstaande betekent dat het vonnis van de kantonrechter zal worden vernietigd voor zover daarin de buitengerechtelijke kosten zijn afgewezen. De kantonrechter heeft met het toegewezen bedrag van € 3.672,64 de omzetbelasting van € 109,43 over de buitengerechtelijke kosten (wel) reeds toegewezen. Het verschil tussen het gevorderde bedrag van € 4.193,73 en het toegewezen bedrag van € 3.672,64 bedraagt immers € 521,09. Volgens het overzicht in de dagvaarding zijn dat de buitengerechtelijke kosten en is het bedrag van € 109,43 aan omzetbelasting dus reeds toegewezen, zodat thans nog slechts de veroordeling tot betaling van het bedrag van € 521,09 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 juli 2014 tot aan de dag der voldoening, behoeft te worden uitgesproken. [geïntimeerde] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep. Hieronder zijn begrepen de (nog te maken) nakosten (waarvoor onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft – HR 19 maart 2010, LJN: BL1116). Ingevolge artikel 237, derde lid Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag, team Kanton, van 13 augustus 2014 doch uitsluitend voor zover daarin de vordering met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten is afgewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 521,09, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Woonzorg begroot op € 95,77 aan explootkosten, € 704,- aan griffierecht en € 1.264,- aan salaris advocaat;

  • -

    verklaart de veroordelingen in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, E.M. Dousma-Valk en J.J. van der Helm en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2015 in aanwezigheid van de griffier.