Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:758

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-01-2015
Datum publicatie
13-04-2015
Zaaknummer
200.134.673-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2623, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gemeente verkoopt onteigend perceel aan projectontwikkelaar. Oorspronkelijk eigenaar stelt na jaren met succes een vordering ex artikel 61 Onteigeningswet in en spreekt ontwikkelaar uit onrechtmatige daad aan. Verjaring van de vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.134.673/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/403393 / HA ZA 12-504

Arrest van 27 januari 2015

inzake

1. [naam]wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],
2. [naam], wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

3. [naam]wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],
4. [naam], wonende te [woonplaats],
5. [naam], wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],
6. [naam], wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],
7. MARIA CATHARINA [X], wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellanten in het principaal beroep, verweerders in het incidenteel beroep,

hierna te noemen: de erven,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens te Den Haag,

tegen

EUROWONINGEN GRONDBEDRIJF B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde in het principaal beroep, appellante in het incidenteel beroep,

hierna te noemen: Eurowoningen,

advocaat: mr. J.H. Meerburg te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 20 augustus 2013 zijn de erven in hoger beroep gekomen van het vonnis van 17 juli 2013, door de rechtbank te Rotterdam tussen partijen gewezen. Bij memorie van grieven (met productie) hebben de erven drie grieven aangevoerd. Deze zijn door Eurowoningen bestreden bij memorie van antwoord (met productie); bij deze memorie heeft Eurowoningen incidenteel drie grieven opgeworpen. Deze zijn door de erven bij memorie van antwoord in het incidenteel appel bestreden. Op 8 december 2014 hebben partijen de zaak door hun advocaten aan de hand van door hen overgelegde pleitnota's doen bepleiten, bij welke gelegenheid namens de erven nog stukken in het geding zijn gebracht, die bij brief van 18 november 2014 waren toegestuurd. De erven hebben hun procesdossier overgelegd en partijen hebben arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1 Het gaat in dit geding in hoofdzaak om het volgende.

1.1

Bij vonnis van 4 maart 1976 heeft de rechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) ten behoeve van de gemeente Rotterdam (hierna: de gemeente) de onteigening uitgesproken van een perceel grond, gelegen in de gemeente Rotterdam, ter grootte van 1.26.90 ha (hierna: het perceel), waarvan [naam] (hierna: [X]), als eigenaar was aangewezen. De erven zijn de erfgenamen van [X] (en zijn echtgenote). [X] is voor de onteigening schadeloosgesteld.

1.2

Bij dagvaarding van 19 augustus 1988 heeft [X] op de voet van artikel 61 Ow de veroordeling van de gemeente gevorderd om hem, tegen terugbetaling van de destijds ontvangen schadeloosstelling in evenredigheid tot de terug te ontvangen waarde, het perceel terug te geven.

1.3

Het perceel was ten tijde van evengenoemde dagvaarding nog op geen enkele wijze door de gemeente in gebruik genomen maar kort daarna heeft de gemeente de Jacques Dutihlweg heeft aangelegd, die ter plaatse van het perceel dwars over het perceel loopt.

1.4

Nadat de rechtbank bij vonnis van 9 juni 1989 had geoordeeld dat de vordering tot teruglevering niet toewijsbaar geacht moest worden, heeft de gemeente enkele ten noorden van de Jacques Dutihlweg gelegen gedeelten van het perceel in erfpacht uitgegeven aan de projectontwikkelaar Eurowoningen. Eurowoningen heeft op deze perceelsgedeelten, deels in combinatie met andere gronden, onder meer een appartementengebouw en een aantal eengezinswoningen gebouwd en het erfpachtrecht op die objecten vervolgens op haar beurt aan derden overgedragen. Op het resterende van dit noordelijk van de Jacques Dutihlweg gelegen, onteigende perceelsgedeelte heeft Eurowoningen infrastructuur en groenvoorzieningen laten aanleggen.
In hoger beroep heeft dit hof echter bij arrest van 21 maart 1991 geoordeeld dat de vordering van (de echtgenote van) [X] tot terugvordering van het perceel in beginsel kan worden toegewezen.

1.5

Bij arrest van dit hof van 17 december 1992, gewezen in een kort geding tussen de echtgenote van de inmiddels overleden [X] enerzijds en de gemeente en Eurowoningen anderzijds, is geoordeeld dat er vanaf de sub 1.2 genoemde dagvaarding op de gemeente een verbintenis tot teruglevering van het perceel kwam te rusten.

1.6

Bij arrest van dit hof van 16 november 2000 is de gemeente veroordeeld om het perceel, behoudens enkele kleine, met buiten het perceel gelegen gronden samengevoegde, gedeelten daarvan, aan de erven terug te leveren, tegen gedeeltelijke terugbetaling van de destijds ontvangen schadeloosstelling. De teruglevering heeft nadien (in februari 2004) plaatsgevonden, deels in volle eigendom, deels in blote eigendom (onder handhaving van de tot stand gekomen erfpachtrechten), en met behoud van de aanwezige infrastructuur (onder meer de Jacques Dutihlweg).

1.7

In een, bij dagvaarding van 6 maart 1995 ingeleide procedure heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 3 januari 2007 geoordeeld dat de gemeente, door de sub 1.5 genoemde verbintenis niet na te komen en de nakoming deels onmogelijk te maken, jegens de erven onrechtmatig heeft gehandeld.
Nadat de rechtbank bij tussenvonnis van 4 mei 2007 drie deskundigen had benoemd om de schade van de erven te begroten en door deze deskundigen een rapport was uitgebracht, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 22 april 2009, het rapport van deskundigen en de motivering daarvan geheel overnemend, de schade begroot op € 112.703,- en Eurowoningen veroordeeld dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW vanaf 5 maart 2007, aan de erven te voldoen. Bij dat vonnis is Eurowoningen tevens veroordeeld in de proceskosten.

1.8

Van dit eindvonnis en de daaraan voorafgegane vonnissen zijn de erven in hoger beroep gekomen. In de appelprocedure heeft dit hof bij arrest van 19 april 2011 (ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ6724) het eindvonnis deels vernietigd en de gemeente veroordeeld om aan de erven te voldoen een bedrag van € 97.738,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 maart 2007 tot de dag van betaling. De erven zijn veroordeeld in de proceskosten. Het tegen het arrest door de erven ingestelde cassatieberoep is verworpen (ECLI:NL:HR:2013:BY0973).

1.9

De erven hebben niet alleen de gemeente maar ook Eurowoningen verweten onrechtmatig jegens hen gehandeld te hebben, en wel door eraan mee te werken dat zij de bewuste grond van de gemeente in erfpacht heeft aangenomen nadat zij met de terugvorderingsactie van [X] op de hoogte was gekomen. Bij vonnis van 30 september 1994 heeft de rechtbank Rotterdam – op vordering van de weduwe van [X] – Eurowoningen veroordeeld tot vergoeding van uit dit handelen voortgevloeide "schade, daaronder begrepen de wettelijke rente vanaf de dagvaarding, nader op te maken bij staat en te vereffenen bij de wet".

1.10

Van dit vonnis is Eurowoningen in hoger beroep gekomen. Bij arrest van 15 oktober 1998 heeft dit hof het vonnis bekrachtigd. In het arrest heeft het hof onder meer overwogen:
"5.3 […] is het hof met de rechtbank van oordeel dat het bestaan van schade in dit stadium van het geding voldoende aannemelijk is geworden.
De verkrijging van de onbelaste eigendom van het gehele perceel had [X] in staat gesteld om het bestemmingsplan, al dan niet met inschakeling van deskundige derden, zelf uit te voeren. […]".

1.11

Na dit arrest hebben de advocaten van partijen met elkaar gecorrespondeerd – de desbetreffende brieven zijn bij pleidooi in het geding gebracht – maar dit heeft niet tot een minnelijke regeling van de schade geleid. Daarom hebben de erven bij exploot van 6 juni 2012 de schadestaatprocedure bij de rechtbank Rotterdam aangebracht. Deze is uitgemond in het thans bestreden vonnis.

1.12

De erven hebben de veroordeling van Eurowoningen gevorderd tot betaling van:
(i) primair: € 1.655.200,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 mei 1991 en verminderd met € 97.738,- plus wettelijke rente vanaf 7 maart 2007, zulks op de grondslag dat de erven zelf de bestemming zouden hebben gerealiseerd,
(ii) subsidiair: € 511.836,52, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 mei 1991 en verminderd met € 97.738,- plus wettelijke rente vanaf 7 maart 2007, zulks op de grondslag dat Eurowoningen de gronden ten noorden van de Jacques Dutilhweg in eigendom overneemt,
(iii) meer subsidiair: € 185.218,-, zijnde de wettelijke rente over een bedrag van € 97.738,- over de periode 14 mei 1991 – 5 maart 2007,
(iv) de kosten van het geding.
In de loop van het geding bij de rechtbank zijn partijen het erover eens geworden dat de wettelijke rente over de sub (iii) genoemde periode een bedrag van € 107.782,04 beloopt.

1.13

Bij het thans bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van 17 juli 2013 heeft de rechtbank Eurowoningen veroordeeld tot betaling van laatstgenoemd bedrag en de proceskosten. De overige vorderingen van de erven zijn afgewezen. Eurowoningen heeft de desbetreffende bedragen aan de erven betaald.

1.14

In hoger beroep hebben de erven de vernietiging van dit vonnis gevorderd alsmede de toewijzing van "de volledige vordering". In het incidenteel appel heeft Eurowoningen, kort gezegd, de terugbetaling gevorderd van de bedragen, in totaal € 112.150,68, die door haar ter uitvoering van het vonnis zijn voldaan.

2 De erven hebben tegen het vonnis drie grieven aangevoerd.

2.1

Met grief 1 wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank betreffende de primaire vordering. De rechtbank heeft deze afgewezen met de volgende overweging:
"5.4 Zowel in de procedure [de erven]/de Gemeente als in de procedure [de erven]/Eurowoningen gaat het om hetzelfde complex van handelingen en feiten [lees: dat] tot dezelfde schade heeft geleid. In de procedure [de erven]/ de Gemeente is de schade van [de erven] als gevolg van het feit dat de gemeente het onteigende niet per 19 augustus 1988 onbelast aan [de erven] kon terugleveren, vastgesteld en afgehandeld. Nu het hier om dezelfde feiten en schade gaat, ligt het in beginsel voor de hand ten aanzien van de hoogte van de schade aan te sluiten bij hetgeen in die procedure is geoordeeld en tot uitgangspunt is genomen. Dat is slechts anders voor zover uit de stellingen van [lees: de erven], ondersteund door nadere bewijsmiddelen, zou volgen dat de schade in deze procedure op een ander bedrag moet worden vastgesteld. Dergelijke stellingen zijn door [de erven] niet ingenomen. Dat brengt mee dat de rechtbank tot uitgangspunt neemt dat [de erven] als gevolg van de onrechtmatige handelwijze van Eurowoningen de schade hebben geleden zoals vastgesteld in het arrest van het hof van 19 april 2011. Deze schade is reeds vergoed. Dat betekent dat in zoverre [de erven] geen schade (meer) hebben en de vordering dus moet worden afgewezen."

2.2

De erven betogen dat hun schade in de onderhavige procedure zelfstandig moet worden beoordeeld en dat zij ook argumenten voor een zelfstandige beoordeling hebben aangedragen. Zij stellen dat Eurowoningen de winst heeft opgestreken die de erven bij zelfrealisatie van de bestemming zouden hebben genoten. Het hof heeft immers in zijn arrest van 15 oktober 1998 (hierboven sub 1.10) zelfrealisatie mogelijk geacht en de erven hadden daarvoor ook voldoende ervaring. Zij hadden op de gronden ten noorden van de Jacques Dutilhweg 100 woningen/appartementen kunnen realiseren, met een winst van € 10.000,- per woning. De ondergrond zou € 655.200,- hebben opgebracht. Dat is te zamen veel meer dan de gemeente aan schade heeft vergoed, aldus de erven.

2.3

Eurowoningen heeft dit betoog bestreden en er, samengevat, op gewezen dat zij zelf maar één appartementengebouw en zes eengezinswoningen op de grond ten noorden van de Jacques Dutilhweg heeft kunnen realiseren. Zij heeft voorts de door de erven genoemde winstbedragen betwist. Bovendien heeft zij zich ten verwere beroepen op het deskundigenbericht, dat in de procedure tussen de erven en de gemeente is uitgebracht en dat mede ten grondslag heeft gelegen aan het sub 1.8 genoemde arrest van dit hof.

2.4

Het hof is van oordeel dat het de erven vrijstaat om, indien zij van mening zijn meer schade geleden te hebben dan door de gemeente is vergoed ingevolge het zo juist genoemde arrest, de rechter een herhaalde beoordeling van hun schade te vragen, ook al valt niet goed in te zien dat de schade, waarvoor zij verhaal hebben gezocht op de gemeente, inhoudelijk verschilt van die waarvoor zij nu Eurowoningen hebben aangesproken. De erven hebben echter de schade die zij zeggen geleden te hebben door het gemis van de mogelijkheid om zelf de bestemmingen op de gronden ten noorden van de Jacques Dutilhweg te realiseren, in deze schadestaatprocedure onvoldoende onderbouwd. Zo hebben zij er geen inzicht in gegeven hoe zij daar, ter uitvoering van het (vigerende) bestemmingsplan, circa vier maal zo veel woningen zouden hebben kunnen realiseren als Eurowoningen heeft kunnen realiseren. Ook ontbreekt een naar behoren gemotiveerde exploitatiebegroting die de door de erven gestelde winstcijfers aannemelijk doet zijn. De erven hebben volstaan met een summiere rekensom, waarvan de deugdelijkheid op geen enkele manier gestaafd is. Bovendien hebben zij het in de procedure tussen de erven en de gemeente uitgebrachte deskundigenbericht, dat door Eurowoningen in deze procedure is ingebracht, niet met kracht van argumenten weerlegd en daartoe zelfs geen poging ondernomen.

2.5

Het hof komt daarom tot het oordeel dat de erven zelfs niet initieel aannemelijk hebben gemaakt dat zij meer schade hebben geleden dan hun door de gemeente al is vergoed. Bij gebreke van onvoldoende onderbouwing van de gestelde schade wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Grief 1 treft dus geen doel.

2.6

Grief 2 is gericht tegen de afwijzing van de subsidiaire vordering. Met deze vordering hopen de erven te bereiken dat Eurowoningen de onbebouwde delen van de gronden ten noorden van de Jacques Dutilhweg, waarvan de erven de blote eigendom hebben, van hen in eigendom overneemt. Zij beschouwen dat als een vorm van schadevergoeding in natura, waartoe Eurowoningen volgens de erven gehouden is.
De rechtbank heeft deze vordering afgewezen, enerzijds omdat de erven geen schade meer hebben nu deze door de gemeente al is vergoed, anderzijds omdat hun vordering een deugdelijke grondslag ontbeert.

2.7

In hetgeen de erven in hoger beroep hebben betoogd is nog altijd geen deugdelijke grondslag voor hun vordering te vinden. Bij de bepaling van de waarde van de gronden, gelegen tussen de door Eurowoningen opgerichte bebouwing ten noorden van de Jacques Dutilhweg, in de schadeberekening die ten grondslag heeft gelegen aan de vaststelling van de door de gemeente aan de erven te vergoeden schade, zijn die gronden niet anders behandeld dan de gronden waarop wel woningbouw mogelijk zou zijn. Er is dus geen waarde-verlagend effect van de geringe gebruiksmogelijkheden aangenomen, zodat er geen aanleiding bestaat het nadeel van die geringe gebruiksmogelijkheden thans nog te vergoeden. Het hof sluit zich dan ook aan bij het oordeel van de rechtbank en de motivering daarvan. Grief 2 wordt dus ook verworpen.

2.8

Grief 3 heeft geen zelfstandige betekenis en deelt het lot van de grieven 1 en 2.

2.9

Het door de erven gedane bewijsaanbod wordt gepasseerd omdat geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden.

3 Grief 1 in het incidenteel appel valt het oordeel van de rechtbank aan met betrekking tot het door Eurowoningen gedane beroep op verjaring voor wat betreft de meer subsidiaire vordering van de erven, die door de rechtbank is toegewezen.

3.1

De meer subsidiaire vordering van de erven ziet op de wettelijke rente over het bedrag dat de gemeente in hoofdsom aan de erven heeft uitgekeerd, en wel over de periode van 14 mei 1991 (welke datum volgt uit het sub 1.9 genoemde vonnis) tot 5 maart 2007 (welke datum volgt uit het sub 1.8 genoemde arrest van het hof). In eerste aanleg heeft Eurowoningen primair de stelling betrokken dat zij deze rente niet verschuldigd is omdat er geen sprake meer is van een te betalen hoofdsom (het desbetreffende bedrag is door de gemeente betaald), maar nadat de rechtbank deze stelling had verworpen heeft Eurowoningen zich in appel niet langer daarop beroepen. Haar eerste grief beperkt zich tot de verwerping van haar beroep op verjaring.

3.2

De rechtbank heeft de rente op één lijn gesteld met de hoofdsom en ook op de rente de verjaringstermijn van artikel 3:324, eerste lid BW toepasselijk geacht.
Ter onderbouwing van de grief heeft Eurowoningen erop gewezen dat de verjaring van ingevolge een rechterlijke uitspraak verschuldigde rentebedragen wordt geregeerd door het derde lid van dat artikel.

3.3

Het hof volgt Eurowoningen in dit betoog, aangezien het hier gaat om bedragen die bij het jaar of een kortere termijn moeten worden betaald. Op grond van het derde lid is een in een vonnis uitgesproken veroordeling tot het betalen van vertragingsrente, bij gebreke van tenuitvoerlegging, na vijf jaar verjaard, tenzij de verjaring binnen die termijn wordt gestuit. Aan de vorm van stuiting worden in artikel 3:325, tweede lid BW strengere eisen gesteld dan in artikel 3:317, eerste lid BW. Voor stuiting wordt in artikel 3:325 BW (onder meer) de eis van schriftelijke aanmaning gesteld; de in artikel 3:317 BW genoemde schriftelijke mededeling, waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt, is niet voldoende.

3.4

Eurowoningen heeft zich op het standpunt gesteld, dat de erven de lopende verjaring niet tijdig hebben gestuit. Zij wijzen erop dat het sub 1.10 genoemde arrest van 15 oktober 1998 eerst op 6 juni 2012 is gevolgd door een dagvaarding. De erven hebben dit weersproken en een beroep gedaan op de brieven, die ter gelegenheid van de pleidooien nog in het geding zijn gebracht. Het hof oordeelt hierover als volgt.

3.5

Partijen gaan er beide van uit dat de verjaringstermijn van de rentevordering is gaan lopen met het sub 1.10 genoemde arrest van 15 oktober 1998 van dit hof. Bij brief d.d. 2 januari 2001, gericht tot de toenmalige advocaat van Eurowoningen, heeft mr. Duijsens een eerste opgave van de omvang van de schade gedaan (ƒ 800.000,- aan hoofdsom en ƒ 1.200.000,- aan wettelijke rente) en heeft hij gevraagd of Eurowoningen bereid was dit bedrag te voldoen.
Bij brief van 17 december 2002 heeft mr. Duijsens Eurowoningen gesommeerd tot betaling van de schade uiterlijk op 10 januari 2003 en aangekondigd dat bij gebreke van betaling tot dagvaarding zou worden overgegaan. Deze brief stuitte de lopende verjaring en deed een nieuwe termijn van vijf jaar ingaan.
In de overgelegde briefwisseling heeft het hof geen door of namens de erven binnen deze laatste verjaringstermijn gezonden brief aangetroffen, die kan worden beschouwd als een aanmaning in de zin van artikel 3:325 BW.
Binnen de per 17 december 2002 begonnen verjaringstermijn is de verjaring niet door een schriftelijke aanmaning en evenmin op grond van een van de andere in artikel 3:325, tweede lid BW genoemde stuitingsmiddelen gestuit.
Het hof komt dan ook tot de conclusie dat de renteaanspraak van de erven is verjaard. De rechtbank is ten onrechte tot een andere conclusie gekomen.

3.6

De eerste grief van Eurowoningen gaat dus op. Bij deze stand van zaken behoeven de grieven 2 en 3 geen behandeling.

3.7

Eurowoningen heeft de veroordeling van de erven gevorderd om terug te betalen hetgeen zij uit hoofde van het bestreden vonnis heeft betaald. Deze vordering wordt toegewezen.

4 Het hof komt tot de conclusie dat het principale appel faalt en het incidentele beroep slaagt. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen voor zover daarbij de meer subsidiaire vordering van de erven is toegewezen alsmede voor wat betreft de proceskostenveroordeling. Bij deze uitkomst van het hoger beroep is het passend dat de erven de proceskosten in beide instanties dragen.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van 17 juli 2013 van de rechtbank Rotterdam, voor zover Eurowoningen daarbij veroordeeld is aan de erven te voldoen een bedrag van € 107.782,04, vermeerderd met de proceskosten,
en, in zoverre opnieuw recht doende,

wijst de meer subsidiaire vordering van de erven af;

  • -

    bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

  • -

    veroordeelt de erven in de proceskosten aan de zijde van Eurowoningen, tot deze uitspraak begroot op:
    - in eerste aanleg € 1.436,- voor verschotten en € 6.422,- voor salaris advocaat,
    - in hoger beroep € 4.961,- voor verschotten en € 20.610,- voor salaris advocaat;

  • -

    veroordeelt de erven om aan Eurowoningen te betalen een bedrag van € 112.150,68, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 augustus 2013 tot de dag van betaling;

  • -

    verklaart dit arrest ten aanzien van deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, S.A. Boele en J.C.N.B. Kaal en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2015 in aanwezigheid van de griffier.