Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:755

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-03-2015
Datum publicatie
03-04-2015
Zaaknummer
BK-14-00571
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1207, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of de vrijstelling als bedoeld in artikel 5.7, lid 1, letter c, Wet IB 2001 van toepassing is op de golfgronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/747
Belastingadvies 2015/12.1
V-N 2015/32.2.4
FutD 2015-0932 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2015/1685 met annotatie van mr. M.E. Kastelein
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-14/00571

Uitspraak van 31 maart 2015

in het geding tussen:

[X] te [Z] belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 april 2014, nummer SGR 13/4778, betreffende na te vermelden aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 148.466.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 128.016, de heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van € 974 en vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 44 gelast.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 17 februari 2015, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep komen vast te staan:

3.1.

Belanghebbende is één van de vier aandeelhouders van Landgoed [Y] B.V. (hierna: de BV).

3.2.

De BV is eigenaar van een ingevolge de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed, Landgoed [Y] (hierna: het NSW-landgoed). Het NSW-landgoed is ongeveer 355 hectare groot en bestaat uit bos, natuurterrein, landbouwgrond en een stuk grond van ongeveer 58 hectare waarop een golfcomplex is gerealiseerd.

3.3.

De waarde van de golfgronden bedraagt per 1 januari 2008 en 31 december 2008 € 2.045.000. Hierbij is rekening gehouden met de bestemming golfterrein.

3.4.

Tot de stukken van het geding behoort een "huurovereenkomst golfcomplex [Y]" (hierna: Huurovereenkomst [A] BV), welke - voor zover hier van belang - als volgt luidt:

"De ondergetekenden:

[de BV] (…), hierna te noemen 'Verhuurder',

en

de heer [B] (…), handelend voor zich in privé en als enig bestuurder van [Agrec Zelle BV], (…), hierna te noemen 'Huurder',

zijn het volgende overeengekomen:

Verhuurder verhuurt met ingang van 1 september 2005 aan Huurder, die van Verhuurder huurt het hierna te noemen golfcomplex, (…).

(…).

1. Het gehuurde, bestemming, gebruik

1.1.

A. Het golfcomplex bestaat uit de volgende onderdelen:

a. een achttien-holes baan;

b. een negen-holes par-3 baan;

c. een putting-green met chipping-green;

d. een driving-range met afslagloods, pitching-greens en vangnet;

e. een parkeerplaats met toegangsweg;

f. een clubhuis;

g. een golfshop;

h. een trolleyloods;

i. en installaties en infrastructuur voor beregening, waterafvoer en elektriciteit. (…)

B. Onder de hiervoor onder a, b, c en d gemelde onderdelen worden verstaan de terreindelen van het golfcomplex welke kunnen worden aangemerkt als noodzakelijk aangelegd in verband met het beoefenen van de golfsport.

C. Bospartijen en houtopstanden, waaronder ook bospartijen en houtopstanden welke de onder punt B. omschreven terreindelen doorkruisen, scheiden of omzomen vallen uitdrukkelijk niet onder de terbeschikkingstelling aan de Huurder.

D. Waterpartijen en sloten welke de onder punt B. omschreven terreindelen doorkruisen, scheiden of omzomen vallen onder de terbeschikkingstelling aan de Huurder.

E. Ten aanzien van de onder C. omschreven bospartijen en houtopstanden staat Verhuurder toe dat deze betreden mogen worden in verband met de beoefening van de golfsport.

(…)

3. Looptijd, verlenging en boete bij niet-verlenging

3.1.

Deze overeenkomst gaat in op 1 september 2005 en loopt tot en met 31 december 2032.

(…)

6. Tussentijdse beëindiging

6.1.

Bij beëindiging van deze overeenkomst vanwege toerekenbare niet-nakoming door een der partijen van haar verplichtingen voortvloeiende uit deze overeenkomst, heeft de benadeelde partij recht om schadevergoeding te eisen van de andere partij. (…)

6.2.

Bij beëindiging van deze overeenkomst vanwege toerekenbare niet-nakoming door Huurder van zijn verplichtingen voortvloeiende uit deze overeenkomst, is Huurder – onverminderd het hiervoor in lid 1 bepaalde – doch slechts indien Huurder een schadevergoeding conform "Huurovereenkomst Stichting" artikel 9, lid 2, ontvangt van de Stichting [C], een schadevergoeding verschuldigd gelijk aan de kosten voor normaal onderhoud van het golfcomplex gedurende één jaar te vermeerderen met alle door Verhuurder te maken gerechtelijke-, incasso-, en rentekosten in verband met de vaststelling van de schade.

6.3.

Bij beëindiging van deze overeenkomst vanwege toerekenbare niet-nakoming door Verhuurder van zijn verplichtingen voortvloeiende uit deze overeenkomst, is Verhuurder – onverminderd het hiervoor in lid 1 bepaalde – doch slechts indien Huurder een schadevergoeding conform "Huurovereenkomst Stichting" artikel 9, lid 3, verschuldigd is aan de Stichting [C], een boete verschuldigd gelijk aan tweemaal de vaste vergoeding voor het gebruik van het golfcomplex ad (…) (€ 139.044,00), gecorrigeerd met de in de loop der jaren tot en met het jaar van de beëindiging overeengekomen index.

(…)

7. Vergoeding voor baaninvesteringen en opstallen

7.1.

Bij beëindiging van deze overeenkomst is Verhuurder aan Huurder een vergoeding verschuldigd voor de door Huurder gefinancierde baaninvesteringen en opstallen, indien en voorzover Huurder op grond van artikel 2, artikel 4 en artikel 8 van de "Overeenkomst van Financiering" betalingen aan Golfclub [Y] heeft moeten verrichten én bancaire leningen heeft moeten aflossen.

7.2.

De in het vorige lid vermelde vergoeding (V) is gelijk aan:

a. de vrije verkoopwaarde van het onderhavige gehele golfcomplex ten tijde van de beëindiging (A), te verminderen met

b. de waarde van de grond op een landgoed met de onherroepelijke bestemming golfbaan per die datum (B),

V is aldus gelijk aan A-B. De waarden van A en B zullen gelijk zijn aan de overeenkomende waarden zoals van toepassing in artikel 8 lid 2 van de "Overeenkomt van Financiering".

Het bedrag dat Huurder per die datum verschuldigd is aan Verhuurder uit hoofde van deze overeenkomst zal in mindering worden gebracht op V.

8. Kooprecht roerende zaken

Bij beëindiging van deze overeenkomst heeft Verhuurder een recht van koop van alle roerende zaken, welke zich in- of op het golfcomplex bevinden, (…). Voorzover deze zaken geen eigendom van Huurder zijn draagt Huurder bij deze zijn kooprecht als vermeld in artikel 10 van de "Huurovereenkomst Stichting" respectievelijk artikel 13 van de "Overeenkomst van Financiering" aan Verhuurder over.

9. Bijzondere bepalingen

9.1.

Verhuurder verleent aan Huurder het recht om, op de voorwaarden als in de "Huurovereenkomst Stichting" genoemd, het gehuurde in onderhuur aan de Stichting [C] te verhuren.

(…)"

3.5.

Tot de stukken van het geding behoort voorts de "huurovereenkomst betreffende het golfcomplex, gelegen op Landgoed [Y] (…)" (hierna: Huurovereenkomst Stichting), welke - voor zover hier van belang - als volgt luidt:

"Vandaag (…) verschenen voor mij (…):

  1. (…): [[A] BV]

  2. a. (…)

b. (…)

[namens de] Stichting [C], (…), hierna ook te noemen: "de Stichting",

De comparanten, handelend als gemeld, verklaarden:

(…)

HUUR GOLFCOMPLEX

A. [[A] BV] verhuurt met ingang van één september tweeduizend vijf aan de Stichting het golfcomplex, gelegen op Landgoed [Y] (…), met het daarbij behorende clubhuis en bijbehoren (…)

Het golfcomplex wordt aan de Stichting verhuurd onder de navolgende voorwaarden en bepalingen:

Artikel 1

  1. De Stichting heeft – (…) – het uitsluitend recht om dagelijks van zonsopgang tot zonsondergang voor uitsluitend de beoefening van de golfsport gebruik te maken van het golfcomplex, (…). Het gebruik van het clubhuis, de overige opstallen en de parkeerplaats is vierentwintig uur per dag toegestaan en wel uitsluitend voor faciliteiten en/of activiteiten welke in verband staan met het beoefenen van de golfsport. (…).

  2. De Stichting verplicht zich jegens [[A] BV] om voor tenminste tachtig procent (80 %) van de beschikbare tijd genoemd in artikel 1, lid 1, speelrechten op het golfcomplex te verlenen aan de vereniging "Golfclub [Y], alsmede de hierbij behorende rechten om gebruik te maken van het clubhuis en overige opstallen en parkeerplaats.

  3. [[A] BV] draagt als enige partij zorg voor de aanleg/bouw en het aanbrengen van wijzigingen in-, en het natuur- en landschapsbeheer op het golfcomplex, een en ander met inachtneming van het bepaalde in artikel 3. [[A] BV] draagt als enige partij zorg voor het onderhoud van het golfcomplex. (…)

(…)

EXPLOITATIE DOOR DE STICHTING

Artikel 2

1. De exploitatie van het golfcomplex door de Stichting houdt onder meer het volgende in:

(…)

Alle kosten en baten die voortvloeien uit deze exploitatie zijn voor rekening en risico van de Stichting.

(…)

ONDERHOUD VAN HET GOLFCOMPLEX

Artikel 3

  1. [A] BV] zal het normale onderhoud van het golfcomplex, exclusief het onderhoud van het clubhuis en overige opstallen, verrichten.

  2. (...)

  3. Het onderhoud van het clubhuis en overige opstallen wordt uitgevoerd door- en komt voor rekening van de Stichting. (…)

VERGOEDINGEN – INDEXERING

Artikel 4

1. De totale door de Stichting exclusief omzetbelasting aan [A] BV] te betalen vergoeding bestaat uit twee componenten, te weten:

a. een vaste vergoeding voor het gebruik van het golfcomplex;

b. een variabele vergoeding voor het onderhoud van het golfcomplex zoals bedoeld in artikel 3, lid 1.

(…)

LOOPTIJD

Artikel 8

Deze overeenkomst gaat in op één september tweeduizendvijf en loopt tot en met éénendertig december tweeduizend tweeëndertig.

(…)

TUSSENTIJDSE BEËINDIGING

Artikel 9

  1. Bij beëindiging van deze overeenkomst vanwege toerekenbare niet-nakoming door een der partijen van haar verplichtingen voortvloeiende uit deze akte, heeft de benadeelde partij recht om schadevergoeding te eisen van de andere partij. (…)

  2. Bij beëindiging van deze overeenkomst vanwege toerekenbare niet-nakoming door de Stichting van haar verplichtingen voortvloeiende uit deze akte, is de Stichting – onverminderd het hiervoor in lid 1 bepaalde – een schadevergoeding verschuldigd gelijk aan de kosten voor normaal onderhoud van het golfcomplex gedurende één jaar te vermeerderen met alle door [A] BV] te maken gerechtelijke-, incasso-, en rentekosten in verband met de vaststelling van de schade.

  3. Bij beëindiging van deze overeenkomst vanwege toerekenbare niet-nakoming door [A] BV] van haar verplichtingen voortvloeiende uit deze akte, is [A] BV] – onverminderd het hiervoor in lid 1 bepaalde – een boete verschuldigd gelijk aan tweemaal de vaste vergoeding voor het gebruik van het golfcomplex ad (…) (€ 139.044,00), gecorrigeerd met de in de loop der jaren tot en met het jaar van de beëindiging overeengekomen index.

(…)

KOOPRECHT ROERENDE ZAKEN

Artikel 10

Bij beëindiging van deze overeenkomt heeft [A] BV] een recht van koop van alle in eigendom van de Stichting zijnde roerende zaken welke zich in- of op het golfcomplex bevinden, (…)."

3.6.

Tot de stukken van het geding behoort voorts een "afschrift overeenkomst van financiering betreffende het golfcomplex, gelegen op Landgoed '[Y] (…)" (hierna: Overeenkomst van Financiering), welke - voor zover hier van belang - als volgt luidt:

"Vandaag (…) verschenen voor mij (…)

  1. [[A] BV];

  2. a. (…)

b. (…)

[namens] vereniging Golfclub [Y] (…), deze vereniging hierna ook te noemen "de Golfclub";

De comparanten, handelend als gemeld, verklaarden:

(…)

FINANCIERING GOLFCOMPLEX

Artikel 1

[[A] BV] heeft voor eigen rekening het golfcomplex op Landgoed [Y] aangelegd. De kosten voor verwerving, aanleg, bouw en vervanging van, alsmede eventuele nader overeen te komen wijzigingen in onderdelen van het golfcomplex, zijn voor rekening van [[A] BV]. De Golfclub zal ter financiering van bovengenoemde kosten - voor zover deze niet verband houden met de kosten van verwerving voor de benodigde onderliggende gronden - aan [[A] BV] één of meerdere langlopende renteloze leningen verschaffen ter hoogte van deze kosten en overeenkomstig de hierna vermelde voorwaarden.

RENTELOZE LENING

Artikel 2

  1. De Golfclub heeft aan [[A] BV] een geldlening verstrekt ter grootte van de tot en met tweeduizend drie over en weer erkende investeringen tot een bedrag van (…) (€ 1.103.000,00).

  2. Over deze geldlening is door [[A] BV] geen rente verschuldigd.

  3. De lening heeft een looptijd tot en met éénendertig december tweeduizend tweeëndertig. (…)

(…)

BIJKOMENDE INVESTERINGEN

Artikel 4

  1. Betreffende de geplande uitbreiding van de golfbaan alsmede toekomstige met toestemming van beide partijen te verrichten investeringen zal [[A] BV] bancaire geldleningen ter hoogte van deze investeringen aangaan. De Golfclub zal aan [Agrec Zelle BV] aanvullende renteloze geldleningen verstrekken ter hoogte van deze bancaire geldleningen van [[A] BV]. [[A] BV] zal deze aanvullende geldleningen van de Golfclub geheel aanwenden om haar bancaire geldleningen af te lossen.

  2. De Golfclub zal bovendien een bedrag vergoeden aan [[A] BV] gelijk aan de renteverplichtingen en overige kosten welke [[A] BV] heeft jegens de bank op grond van het hiervoor in lid 1 bepaalde.

(…)

VERGOEDINGSREGELING

Artikel 8

1. Bij beëindiging van deze overeenkomst is [[A] BV] aan de Golfclub een vergoeding verschuldigd voor de door de Golfclub gefinancierde baaninvesteringen en opstallen, naast het geen uit hoofde van de aangegane geldleningen voldaan moet worden.

2. De in het vorige lid vermelde vergoeding (V) is gelijk aan:

a. de vrije verkoopwaarde van het onderhavige gehele golfcomplex ten tijde van de beëindiging (A), te verminderen met

b. de waarde van de grond op een landgoed met de onherroepelijke bestemming golfbaan per die datum (B),

c. het bedrag, dat [[A] BV] per die datum verschuldigd is aan de bank uit hoofde van de geldleningen als bedoeld in artikel 4 van deze overeenkomst (C) en

d. het bedrag dat [[A] BV] per die datum verschuldigd is aan de Golfclub uit hoofde van de in artikel 2 en 4 genoemde geldleningen (D).

V is aldus gelijk aan A-B-C-D.

3. Indien de waarde van V, zoals hierboven berekend, negatief is, zal de Golfclub de absolute waarde van V vergoeden aan [[A] BV].

(…)

KOOPRECHT ROERENDE ZAKEN

Artikel 13

Bij beëindiging van deze overeenkomst heeft [[A] BV] een recht van koop van alle roerende zaken welke zich in- of op het golfcomplex bevinden en eigendom zijn van de Golfclub, (…)."

3.7.

Tot de stukken van het geding behoort voorts een "overeenkomst van gebruik" tussen [A] BV en vereniging Golfclub [Y], welke - voor zover hier van belang - als volgt luidt:

"Heden (…) verschenen voor mij (…)

1. de heer [B] vennootschapsbestuurder (…)

ten deze handelend:

als enig bestuurder van [[A] BV];

2. a. (…)

b. (…)

volgens hun verklaring handelend als voorzitter en penningmeester van de (…) vereniging Golfclub [Y], (…), deze vereniging hierna ook te noemen "de Golfclub";

De comparanten, handelend als gemeld, verklaarden:

(…)

I. GEBRUIK GOLFCOMPLEX

A. [[A] BV] stelt het golfcomplex, (…), ter beschikking aan de Golfclub. (…)

Artikel 1

  1. De Golfclub heeft als enige partij het recht om dagelijks van zonsopgang tot zonsondergang voor uitsluitend de beoefening van de golfsport gebruik te maken van het golfcomplex, (…).

  2. [[A] BV] draagt als enige partij zorg voor de aanleg/bouw en het aanbrengen van wijzigingen in-, en het natuur- en landschapsbeheer op het golfcomplex, (…).

ONDERHOUD VAN HET GOLFCOMPLEX

Artikel 3

1. [[A] BV] zal het normale onderhoud van het golfcomplex, exclusief het onderhoud van het clubhuis en overige opstallen, verrichten.

FINANCIERING VAN HET GOLFCOMPLEX

Artikel 5

De kosten voor verwerving, aanleg, bouw en vervanging van, alsmede eventuele nader overeen te komen wijzigingen in onderdelen van het golfcomplex, zijn voor rekening van [[A] BV]. De Golfclub zal ter financiering van bovengenoemde kosten – voor zover deze niet verband houden met de kosten van verwerving voor de benodigde onderliggende gronden – aan [[A] BV] één of meerdere langlopende renteloze leningen verschaffen ter hoogte van deze kosten en overeenkomstig de hierna onder II. vermelde voorwaarden.

(…)

II. GELDLENING

(…)

RENTELOZE LENING

Artikel 9

1. De Golfclub heeft aan [[A] BV] een geldlening verstrekt ter grootte van de tot en met tweeduizend drie over en weer erkende investeringen tot een bedrag van (…) (€ 1.103.000,00).

2. Over deze geldlening is door [[A] BV] geen rente verschuldigd.

3. De lening heeft een looptijd tot en met éénendertig december tweeduizend tweeëndertig. (…)

BIJKOMSTIGE INVESTERINGEN

Artikel 11

  1. Betreffende de geplande uitbreiding van de golfbaan alsmede toekomstige met toestemming van beide partijen te verrichten investeringen zal [[A] BV] bancaire geldleningen ter hoogte van deze investeringen aangaan. De Golfclub zal aan [[A] BV] aanvullende renteloze geldleningen verstrekken ter hoogte van deze bancaire geldleningen van [[A] BV]. [[A] BV] zal deze aanvullende geldleningen van de Golfclub geheel aanwenden om haar bancaire geldleningen af te lossen.

  2. De Golfclub zal bovendien een bedrag vergoeden aan [[A] BV] gelijk aan de renteverplichtingen en overige kosten welke [[A] BV] heeft jegens de bank op grond van het hiervoor in lid 1 bepaalde.

(…)

ZEKERHEIDSTELLING JEGENS DE GOLFCLUB

Artikel 12

  1. Tot zekerheid voor al hetgeen de Golfclub op enig moment te vorderen heeft op [[A] BV] uit hoofde van voormelde geldleningen alsmede de overige verplichtingen welke voor [[A] BV] uit de onderhavige overeenkomst jegens de Golfclub voorvloeien zal [[A] BV] er voor zorgen dat [de BV] ten behoeve van de Golfclub een recht van tweede hypotheek vestigt op het golfcomplex.

  2. Aangezien thans het recht van eerste hypotheek op het golfcomplex is/wordt gevestigd ten behoeve van de ABN Amrobank (…), zal een separate overeenkomst worden gesloten tussen de Golfclub, [[A] BV] en de ABN Amrobank waarin een andere regeling ten aanzien van de betalingsverplichtingen van [[A] BV] jegens de bank alsmede van de Golfclub jegens [[A] BV] zal worden getroffen, zodanig dat de Golfclub rechtstreeks aan de bank haar betalingen als hiervoor in artikel 11 vermeld zal kunnen verrichten, zulks ter aflossing van de schuld van [[A] BV] aan de bank.

(…)

VII. TOESTEMMING GRONDEIGENAAR EN BORGSTELLING

Mede verscheen voor mij, notaris:

[Belanghebbende],

tezamen met comparant sub 1 handelend als rechtsgeldig vertegenwoordigend bestuurders van [de BV], die in gemelde hoedanigheid verklaarden:

- als grondeigenaren aan [[A] BV] de bevoegdheid te verlenen tot het aangaan van de onderhavige gebruiksovereenkomst;

- mee te werken aan het vestigen van de zekerheidsrechten zoals vermeld in artikel 12 van deze overeenkomst;

- zich borg te stellen voor de verplichtingen van [[A] BV] jegens de Golfclub (…)"

3.8.

Het NSW-landgoed wordt op grond van artikel 10.9 Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) juncto artikel 23 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen van de aandeelhouders van de BV (transparence fiscale).

3.9.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2008 aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 120.018.

3.10.

Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur de volgende correcties toegepast:

Aangegeven rendementsgrondslag: € 3.000.451

Bij: meerwaarde gebouwde eigendommen Landgoed [Y] € 302.970

Bij: waarde inventaris, overige vorderingen en liquide middelen € 16.974

Bij: waarde niet vrijgestelde grond € 511.250

Af: meer in aanmerking te nemen schulden € 119.990

Totale rendementsgrondslag € 3.711.655

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (* 4 %): € 148.466

3.11.

Belanghebbende is in bezwaar gekomen tegen de correctie betreffende het niet-toepassen van de vrijstelling als bedoeld in artikel 5.7, lid 1, letter c, Wet IB 2001 (de NSW-vrijstelling) ten aanzien van de golfgronden en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat een waarde van (25 % van € 2.045.000 =) € 511.250 niet tot de rendementsgrondslag behoort.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of de vrijstelling als bedoeld in artikel 5.7, lid 1, letter c, Wet IB 2001 van toepassing is op de golfgronden.

4.2.

De Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend en voert daartoe - samengevat - het volgende aan. Om in aanmerking te komen voor toepassing van de vrijstelling dient de eigenaar van de grond de volle eigendom daarvan te hebben, waarmee - gelet op de wetsgeschiedenis - wordt bedoeld het volledige gebruiks- en genotsrecht alsook het gehele belang bij de waardemutatie van de onroerende zaak. Gelet op de verhuur van de grond heeft belanghebbende niet de volle eigendom in vorenbedoelde zin. Bovendien gaat gelet op het bepaalde in artikel 7 van de Huurovereenkomst [A] BV (zie 3.4) en artikel 8 van de Overeenkomst van Financiering (zie 3.6) de waardemutatie van de golfinrichting, waarvan belanghebbende door natrekking eigenaar is geworden, gedurende de looptijd van deze overeenkomsten niet de BV (en derhalve: niet belanghebbende), maar vereniging Golfclub [Y] aan, zodat in zoverre de BV c.q. haar aandeelhouders niet het gehele belang hebben bij de waardemutatie van de onroerende zaak.

4.3.

Belanghebbende beantwoordt de in geschil zijnde vraag bevestigend. Zij heeft de standpunten van de Inspecteur gemotiveerd weersproken. Meer in het bijzonder betoogt zij dat de BV de volle eigendom van het golfterrein heeft (behouden). De uitspraak van de rechtbank doet recht aan doel en strekking van de onderhavige bepaling. De uitsluiting van de vrijstelling dient beperkt te blijven tot gevallen waarin de eigendom wordt beperkt door zakelijke genotsrechten. Daarvan is hier geen sprake. Voorts heeft zij een beroep gedaan op toepassing van het gelijkheidsbeginsel.

4.4.

Voor de (nadere) onderbouwing van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

5.2.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft - voor zover in hoger beroep van belang - het volgende overwogen:

"13. Artikel 5.3 van de Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"1. De rendementsgrondslag is de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden.

2. Bezittingen zijn:

a. onroerende zaken;

b. rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben;

c. (…);

d. (…);

e. rechten die niet op zaken betrekking hebben, waaronder geld en

f. overige vermogensrechten,

met waarde in het economisch verkeer."

14. Artikel 5.7, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet IB 2001 (de vrijstellingsbepaling) luidt als volgt:

"1. Tot de bezittingen behoren niet:

a. (…)

b. (…)

c. onroerende zaken die deel uitmaken van een ingevolge de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed, met uitzondering van de op deze landgoederen voorkomende gebouwde eigendommen."

15. In de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de Wet IB 2001 (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, p. 521) is artikel 5.7 als volgt toegelicht:

"In de vermogensheffing, die overigens onderdeel uitmaakt van de inkomstenbelasting, is conform de huidige vrijstelling in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 een vrijstelling opgenomen voor voordelen uit bosbezit. Daarnaast zijn ten opzichte van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 twee nieuwe vrijstellingen opgenomen die op het 'groene' vlak liggen; een vrijstelling voor natuurterreinen en een vrijstelling voor ongebouwde eigendommen van landgoederen in de zin van de Natuurschoonwet 1928. In antwoord op vragen van de leden van de VVD-fractie en de leden van de D66-fractie merken wij op dat de vrijstellingen slechts van toepassing zijn als de belastingplichtige de volle eigendom van de zaak heeft. Gelet op het feit dat met name in de sfeer van beperkte rechten nieuwe arbitrageruimte zal ontstaan, delen deze niet in de vrijstelling."

16. Uit het onder 15. geciteerde blijkt dat de bedoeling van de wetgever is dat de vrijstelling slechts geldt voor belastingplichtigen die de volle eigendom bezitten van een onroerende zaak die deel uitmaakt van een ingevolge de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed. De achtergrond daarvan is dat de vrees bestond dat op het gebied van de beperkte rechten nieuwe arbitragemogelijkheden zouden ontstaan. Tijdens de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2009 is herhaald dat de achtergrond van het beginsel dat vrijstellingen in box 3 alleen gelden voor zaken in volle eigendom is dat onder de Wet IB 2001 zeker gesteld moet worden dat zich geen constructies met het bloot eigendom en zakelijke genotsrechten meer kunnen voordoen (zie Kamerstukken II, 2008/09, 31 704, nr. 85, p. 12-13).

17. Zoals onder 4. is vermeld heeft de BV met ingang van 1 september 2005 het golfcomplex gelegen op de grond, welke deel uitmaakt van een ingevolge de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed, verhuurd aan [A] heeft daarmee een persoonlijk gebruiksrecht van het verhuurde gekregen. De wettekst van artikel 5.7, eerste lid, letter c, van de Wet IB 2001, noch de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, p. 521 en Kamerstukken II, 2008/09, 31 704, nr. 85, p. 12-13), geeft steun aan de opvatting van [de Inspecteur] dat de in box 3 geldende vrijstelling voor landgoederen in de zin van de Natuurschoonwet 1928 geen toepassing vindt indien een persoonlijk gebruiksrecht op dat landgoed is gevestigd. De rechtbank begrijpt uit hetgeen in de parlementaire geschiedenis over de vrijstelling is opgemerkt dat de wetgever met name het oog heeft gehad op het voorkomen van constructies met bloot eigendom en (zakelijk) beperkte rechten. Daarvan is in de onderhavige situatie geen sprake. Zoals onder 4. en 5. is weergegeven gaat de economische eigendom van de grond alleen de BV aan, ondanks de verhuur van het daarop aanwezige golfcomplex. De BV is louter een vergoeding verschuldigd bij beëindiging van de huurovereenkomst voor de huurdersinvesteringen, waarbij de omvang van die vergoeding wordt begrensd door het verschil tussen de vrije waarde van het gehele golfcomplex en de waarde van de grond per dat moment. Het vorenstaande brengt mee dat de BV en daarmee, gelet op het onder 2. vermelde, [belanghebbende] de volle eigendom van de grond heeft (behouden) in de zin van de vrijstellingsbepaling. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de vrijstelling voor landgoederen van toepassing is. Hieraan doet niet af hetgeen in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Belastingherziening 2001, Kamerstukken II 1998/1999, 26727, nr. 3, p. 229 over de begrippen zaken versus rechten en genotsrechten versus rechten is opgemerkt. De Memorie van Toelichting vermeldt dat met het begrip "zaak" enkel is bedoeld de situatie dat de belastingplichtige het volledige gebruiks- en genotsrecht én het gehele belang bij de waardemutatie van een goed heeft en dat met "rechten" zijn bedoeld al die situaties die niet onder het begrip "zaak" vallen. Voor zover [de Inspecteur] heeft bedoeld te stellen dat in de onderhavige situatie geen sprake is van een (verhuurde) zaak maar van een recht, vindt die opvatting geen steun in het recht.

18. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 5.7, lid 1, letter c, Wet IB 2001 behoren niet tot de in artikel 5.3 Wet IB 2001 bedoelde - bezittingen, onroerende zaken die deel uitmaken van een ingevolge de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed, met uitzondering van de op deze landgoederen voorkomende gebouwde eigendommen.

7.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat het golfterrein niet kan worden aangemerkt als gebouwd eigendom, alsmede dat de op het golfterrein aanwezige opstallen (zoals het clubhuis) en de ondergrond daarvan wel aangemerkt moeten worden als gebouwd eigendom. Het Hof sluit zich aan bij dit gemeenschappelijk standpunt van partijen nu niet is gebleken dat zij zich daarbij op een juridisch onjuist standpunt hebben gesteld (NV, Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, p. 522). Partijen zijn voorts eenparig van mening dat in het onderhavige jaar de waarde van de gronden waarop de golfinrichting is aangelegd € 2.045.000 bedraagt en dat deze waarde enkel ziet op de golfgronden en niet op de inrichting van de golfbaan, derhalve op de gronden behorend tot het landgoed in de zin van de NSW met bestemming golfterrein, zonder de daarop gerealiseerde opstallen met bijbehorende ondergrond.

7.3.

Uit de parlementaire behandeling van de onderhavige bepaling blijkt dat de wetgever de vrijstelling slechts van toepassing wil laten zijn indien sprake is van volle eigendom van de onroerende zaak:

"(…) Daarnaast zijn ten opzichte van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 twee nieuwe vrijstellingen opgenomen die op het «groene» vlak liggen; een vrijstelling voor natuurterreinen en een vrijstelling voor ongebouwde eigendommen van landgoederen in de zin van de Natuurschoonwet 1928. In antwoord op vragen van de leden van de VVD-fractie en de leden van de D66-fractie merken wij op dat de vrijstellingen slechts van toepassing zijn als de belastingplichtige de volle eigendom van de zaak heeft. Gelet op het feit dat met name in de sfeer van beperkte rechten nieuwe arbitrageruimte zal ontstaan, delen deze niet in de vrijstelling. (…)"

(NV, Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, p. 521)

Uit hetgeen tijdens de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2009, het Belastingplan 2012, de Overige Fiscale Maatregelen 2012, en het Belastingplan 2013 over deze bepaling is opgemerkt, volgt dat de wetgever niet is afgestapt van zijn opvatting dat de vrijstelling van artikel 5.7 Wet IB 2001 alleen van toepassing is als de objecten in volle eigendom zijn bij de belastingplichtige.

7.4.

Met de Inspecteur is het Hof van oordeel dat uit het systeem van de Wet IB 2001 (artikel 5.7, lid 1, letter c in verbinding met artikel 5.3, lid 2, letters a en b) en hetgeen is opgemerkt bij de totstandkoming van de onderhavige vrijstellingsbepaling kan worden afgeleid dat de vrijstelling uitsluitend van toepassing is in het geval sprake is van volle eigendom van de onroerende zaak.

7.5.

Het Hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld wat onder volle eigendom moet worden verstaan in de zin van de vrijstellingsbepaling.

7.6.1.

De Inspecteur betoogt dat de wetgever, gelet op de woorden 'met name' in het in 7.3 opgenomen citaat, geen volledige opsomming heeft willen geven en dat derhalve ook in andere dan de daar genoemde gevallen sprake kan zijn van inbreuk op het eigendom. Het vereiste van volle eigendom van de zaak is zijns inziens terug te voeren op het in artikel 5.3, lid 2, van de Wet IB 2001 met betrekking tot het begrip 'bezittingen' gemaakte onderscheid tussen onroerende zaken enerzijds (tweede lid, letter a) en rechten die betrekking hebben op onroerende zaken anderzijds (tweede lid, letter b). Mede op grond van de wetsgeschiedenis komt hij tot de conclusie dat het begrip (onroerende) zaak in de zin van hoofdstuk 5 van de Wet IB 2001 uitsluitend betrekking heeft op de situatie dat de belastingplichtige daarvan het volledige gebruiks- en genotsrecht heeft en het gehele belang bij de waardemutatie en dat dit ook voor toepassing van de vrijstellingen geldt. Ook gelet op doel en strekking van de onderhavige vrijstelling, is het volgens hem verdedigbaar deze niet te laten gelden bij verhuur.

7.6.2.

Meer in het bijzonder heeft de Inspecteur gewezen op de volgende passages uit de wetsgeschiedenis:

"Verhouding tussen zaken, rechten en genotsrechten

Bij de opsomming van de verschillende categorieën bezittingen is aangesloten bij de begrippen «zaken» en «rechten» zoals die voorkomen in het Burgerlijk Wetboek. In de Wet inkomstenbelasting 2001 worden deze begrippen in een andere context gebruikt en hebben daardoor een enigszins afwijkende betekenis.

(…).

Zaken versus rechten

Onder de werking van de Wet inkomstenbelasting 2001 is het, in tegenstelling tot bij de Wet op de inkomstenbelasting 1964, voor de bepaling van de voordelen uit sparen en beleggen niet meer van belang of er belastbare vruchten loskomen van de bron. Het vermogensbestanddeel wordt per definitie als fiscale bron aangewezen. Dit betekent dat niet alleen rekening gehouden moet worden met het feit dat vermogensbestanddelen bepaalde gebruiks- en genotsmogelijkheden kunnen bieden, maar ook dat vermogensbestanddelen waardemutaties kunnen ondergaan. In dit kader dient voorts bedacht te worden dat er rechthebbenden zijn waarbij beide elementen zich verenigen, maar ook personen die rechten hebben die slechts betrekking hebben op één van de genoemde elementen of een, al of niet beperkte, mengvorm daarvan. In het overgrote gedeelte van de gevallen zal de belastingplichtige het volledige gebruiks- en genotsrecht van bezittingen hebben en zal het risico van waardemutatie en tenietgaan (het belang) hem volledig aangaan. Reeds vanuit die optiek is het verdedigbaar dat met het fiscale begrip «zaak» slechts een dergelijke situatie bedoeld is. Ook vanuit de bedoeling om in de sfeer van de vrijstellingen enkel de waarde van bepaalde zaken zelf vrij te stellen, is verdedigbaar dat het begrip «zaak» enkel ziet op de situatie dat het volledige belang en het volledige gebruik/genot hem aangaan. De vrijstellingen dienen immers beperkt te blijven tot de waarde van de desbetreffende zaak en niet tot allerhande rechten die (geheel of gedeeltelijk) op (het gebruik of de waardemutatie van) die zaak betrekking hebben. Zo is het zeker niet de bedoeling dat een optie tot koop van een waardevol kunstwerk, waarbij niet de intentie bestaat om het kunstwerk te leveren maar enkel om het verschil tussen de uitoefenprijs en de waarde van de zaak te verrekenen, vrij te stellen.

Met het begrip «zaak» is dus enkel bedoeld de situatie dat de belastingplichtige het volledige gebruiks- en genotsrecht én het gehele belang bij de waardemutatie van een goed heeft. Met «rechten» zijn bedoeld al die situaties die niet onder het begrip «zaak» vallen.

(MvT, Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 228 e.v.)

"De leden van de CDA-fractie vragen waarom de opstallen op de landgoederen niet delen in de vrijstelling die in box III is opgenomen voor de onbebouwde gronden van landgoederen.

In de beantwoording van deze vraag willen wij voorop stellen dat ook wij hechten aan het behoud van landgoederen in Nederland. Dat moge al blijken uit de vrijstelling die momenteel in de vermogensrendementsheffing is opgenomen voor de ongebouwde delen van landgoederen. In de vormgeving van de vrijstelling is gezocht naar een zeker evenwicht.

Enerzijds wordt door een vrijstelling van inkomstenbelasting, hetgeen overigens ook ten opzichte van de huidige inkomstenbelasting een nieuwe vrijstelling is, het behoud van landgoederen gestimuleerd; anderzijds zullen veel landgoederen die in box III in de heffing worden betrokken kunnen zijn verhuurd. Juist voor de verhuur van het pand zal daarbij, vooral ook als het bedrijfsmatige verhuur betreft, een marktconforme prijs kunnen worden bedongen. Voornoemde afweging heeft ons tot de voorgestelde vrijstelling van ongebouwde delen van landgoederen doen besluiten."

(NNV, Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 17, p. 137)

7.7.1.

Het standpunt van de Inspecteur dat wegens de verhuur de vrijstelling niet van toepassing is op de golfgronden aangezien belanghebbende niet de volle eigendom van de grond heeft, wordt verworpen.

7.7.2.

Het onderhavige huurrecht - een persoonlijk gebruiksrecht - maakt immers geen inbreuk op het zakelijke recht van eigendom dat rust op de grond. Er is geen aanleiding om voor de uitleg van de onderhavige vrijstellingsbepaling af te wijken van de gangbare, op het civiele recht gebaseerde uitleg van het begrip 'volle eigendom'.

7.7.3.

Weliswaar heeft de wetgever ook voor de toepassing van de vrijstelling tijdens de parlementaire behandeling opgemerkt dat deze alleen geldt als de belastingplichtige het volledige belang bij alsmede het gebruik en genot van een zaak heeft (zie 7.6.2, 1e citaat), maar uit hetgeen daarna is opgemerkt blijkt dat de wetgever daarmee enkel heeft bedoeld de vrijstelling te beperken tot de waarde van de desbetreffende zaak en niet tot allerhande rechten die (geheel of gedeeltelijk) op (het gebruik of de waardemutatie van) die zaak betrekking hebben. De wetgever wilde voorkomen dat "arbitrageruimte" zou ontstaan en dat constructies zouden worden toegepast. Dit volgt ook uit het systeem van de wet: in artikel 5.3, lid 2, Wet IB 2001 wordt een onderscheid gemaakt tussen 'zaken' (letter a) en 'rechten die op zaken betrekking hebben' (letter b), terwijl de vrijstellingsbepaling van artikel 5.7, lid 1, letter c, Wet IB 2001 alleen ziet op (onroerende) 'zaken'. In het onderhavige geval doet zich niet het geval voor dat een belastingplichtige de vrijstelling wil toepassen op een recht dat betrekking heeft op, bijvoorbeeld, het gebruik van de onroerende zaak. Daarenboven zij opgemerkt dat de BV, gelet op de huurpenningen die zij ontvangt, het genot van de onroerende zaak heeft behouden.

7.7.4.

Ook in hetgeen de wetgever heeft opgemerkt over de achtergrond van de onderhavige vrijstelling (zie 7.6.2, 2e citaat), ziet het Hof geen aanleiding om de vrijstelling niet te laten gelden bij verhuur. De wetgever heeft de vrijstelling beperkt tot ongebouwde eigendommen met kennelijk als ratio dat gebouwde eigendommen in de regel voor een marktconforme huur kunnen worden verhuurd. Dit is in de wettekst tot uitdrukking gebracht door de vrijstelling niet van toepassing te laten zijn voor op NSW-landgoederen voorkomende gebouwde eigendommen. Aangezien de golfgronden moeten worden aangemerkt als ongebouwd eigendom, vallen zij niet onder de in de wettekst tot uitdrukking gebrachte beperking van de vrijstelling.

7.7.5.

Bevestiging van het oordeel dat de vrijstelling ook van toepassing is bij verhuur van de grond is te vinden in de brief van de staatssecretaris van Financiën van 6 oktober 2008, nr. DB 2008-00539, Kamerstukken II 2008/09, 30 375, nr. 6, p. 6, V-N 2008/49.9 waarin hij mededeelt dat indien - zoals hier - sprake is van verhuur van een NSW-landgoed, de verhuurder in aanmerking komt voor toepassing van de onderhavige vrijstelling:

"Op 29 november 2007 heeft een algemeen overleg plaatsgevonden tussen ondergetekende en de vaste commissie voor Financiën over "Breder, lager eenvoudiger? Een evaluatie van de belastingherziening 2001" (30375).

Tijdens dit overleg heb ik toegezegd nader in te gaan op de volgende onderwerpen:

(…)

2.d Geen vrijstelling voor bos, natuurterreinen en landgoederen bij huurerfpacht

Zoals toegezegd in het algemeen overleg van 29 november 2007 zal ik nader ingaan op de vrijstelling in box 3 voor natuurterreinen en landgoederen. Dit in verband met de situatie van "huurerfpacht", een figuur die onlangs apart is onderscheiden in de Natuurschoonwet 1928.

De vrijstelling in box 3 voor bos, natuurterreinen en landgoederen is niet van toepassing als sprake is van "huurerfpacht". De achtergrond van dit onderscheid tussen de Natuurschoonwet 1928 en de vrijstelling in box 3 is als volgt.

De vrijstelling in box 3 geldt uitsluitend voor degene die de volle eigendom heeft. Dit is geheel in lijn met de aan box 3 ten grondslag liggende doctrine om de mogelijkheid tot arbitrage met vermogensbestanddelen uit te sluiten. Dit aspect, het voorkomen van arbitrage, is daarbij van doorslaggevend belang.

Het uitgangspunt bij de Natuurschoonwet 1928 is een andere. De instandhouding van het natuurschoon staat daar voorop.

De fiscale faciliteiten in de Natuurschoonwet 1928 komen vanouds toe aan degene die het in zijn macht heeft het landgoed als landgoed in stand te houden, te weten de eigenaar van een onbezwaard landgoed, dan wel de erfpachter of vruchtgebruiker. Bij "huurerfpacht" blijft de economische eigendom bij de verpachter. De huurerfpachter wordt niet beschouwd als degene die het voor het zeggen heeft wanneer het aankomt op de instandhouding van het landgoed. In de situatie van "huurerfpacht" stelt degene die de onroerende zaak in "huurerfpacht" uitgeeft de bloot eigenaar - de regels en voorwaarden die strekken tot de instandhouding van het landgoed. Daarom vallen de fiscale faciliteiten hem toe en niet aan de huurerfpachter. Diens positie is vergelijkbaar met die van een huurder.

Van belang in dit verband is ook de dat de vrijstelling in box 3 uitsluitend betrekking heeft op onbebouwde grond en niet op opstallen. De figuur van "huurerfpacht" wordt echter vooral toegepast met betrekking tot opstallen."

7.8.

Aangezien het standpunt van de Inspecteur, inhoudend dat de BV door de verhuur van de golfgrond niet de volle eigendom in de zin van de vrijstellingsbepaling heeft, wordt verworpen, behoeft belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel dat inhoudt dat de belastingdienst landelijk de vrijstelling van verpachte NSW-landbouwgronden wel accepteert, geen behandeling.

7.9.

De Inspecteur heeft voorts betoogd dat de vrijstelling toepassing mist omdat de BV niet het volledige belang bij de waardemutatie heeft door de in de onderhavige huurovereenkomsten opgenomen vergoedingsregeling. Volgens deze regeling dient na afloop van de verhuur door de verhuurder een vergoeding te worden betaald voor de investeringen in het golfcomplex, zodat gedurende de looptijd van de overeenkomsten niet de BV maar (uiteindelijk) vereniging Golfclub [Y] het risico van waardemutatie van de investeringen in de golfbaaninrichting aangaat. Ten aanzien van dit subsidiaire betoog van de Inspecteur overweegt het Hof als volgt.

7.10.

[A] BV en vereniging Golfclub [Y] (hierna ook: de golfclub) hebben een Overeenkomst van Financiering gesloten (zie 3.6). Het golfcomplex is voor rekening van [A] BV aangelegd, maar de golfclub heeft hiervoor een renteloze lening verstrekt aan [A] BV. Ook toekomstige bijkomende investeringen worden gefinancierd door de golfclub (zie artikel 4 van de Overeenkomst van Financiering). Op grond van het bepaalde in artikel 8 van de Overeenkomst van Financiering is [A] BV bij beëindiging van de overeenkomst aan de golfclub - naast hetgeen uit hoofde van de leningen moet worden voldaan - een vergoeding verschuldigd die gelijk is aan de vrije verkoopwaarde van het onderhavige gehele golfcomplex ten tijde van de beëindiging verminderd met de waarde van de grond op een landgoed met de onherroepelijke bestemming golfterrein (alsmede verminderd met per die datum openstaande schulden van [A] BV aan de bank en aan de golfclub). Op grond van het bepaalde in artikel 7 van de Huurovereenkomst [A] BV is de verhuurder van de golfgronden, de BV, bij beëindiging van de overeenkomst een vergoeding verschuldigd aan de huurder, [A] BV, voor zover [A] BV een vergoeding verschuldigd is aan de golfclub.

7.11.

Aangezien ten aanzien van het golfcomplex (de golfinrichting) geen recht van opstal is gevestigd, is de eigenaar van de grond (de BV) tevens eigenaar geworden van het golfcomplex. De BV is door natrekking juridisch eigenaar geworden van de investering in de golfgronden. Derhalve gaan ook de waardemutaties in de golfinrichting de BV aan, ook al zijn die investeringen door de huurder aangebracht. Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat de partijen bij de overeenkomsten niet meer dan een vergoedingsregeling zijn overeengekomen voor de investering van de huurder in de golfbaaninrichting, van welke investering(en) de BV door natrekking eigenaar is geworden, waarbij de omvang van die vergoeding wordt begrensd door het verschil tussen de vrije waarde van het gehele golfcomplex en de waarde van de grond per dat moment. De vergoedingsregeling is een persoonlijk recht en maakt geen inbreuk op het zakelijk recht van eigendom. Dat de vergoedingsregeling is gerelateerd aan voormelde waarden doet hieraan niet af.

7.12.

Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond is.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.948 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (1 punt voor het verweerschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, een wegingsfactor van 2 voor het gewicht van de zaak en een bedrag per punt van € 487).

8.2.

Nu de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, wordt van de Inspecteur een griffierecht geheven van € 493.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank,

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.948, en

  • -

    gelast dat van de Inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 493.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, W.M.G. Visser en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 31 maart 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.