Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:75

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-01-2015
Datum publicatie
19-03-2015
Zaaknummer
BK-14_1201 BK-14_1202
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:8499, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat belanghebbende niet in verzuim is geweest met betrekking tot de overschrijding van de wettelijke termijn voor het maken van bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/619
NTFR 2015/1333
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

enkelvoudige kamer

nummers BK-14/01201en BK-14/01202

Uitspraak van 7 januari 2015

in het geding tussen:

[X] te [Z] belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Den Haag, de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 juli 2014, nummers SGR 13/10217 en 13/10218 AWB betreffende de onder 1.1. vermelde aanslag en beschikkingen.

Aanslag, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft belanghebbende voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.669 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.292 (aanslag). Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de Inspecteur bij afzonderlijke beschikkingen een verzuimboete van € 226 opgelegd (boetebeschikking) en € 2.852 aan heffingsrente in rekening gebracht (beschikking heffingsrente).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslag en de beschikkingen bezwaar gemaakt. Bij in één geschrift van 16 oktober 2013 vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

De Inspecteur heeft de bezwaren tegen de aanslag en de beschikkingen tevens aangemerkt als verzoeken tot ambtshalve vermindering van de aanslag, de verzuimboete en de in rekening gebrachte heffingsrente. Deze verzoeken heeft de Inspecteur in het onder 1.2. vermelde geschrift afgewezen.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. Ter zake is een griffierecht van € 44 geheven.

1.5.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.6.

De rechtbank heeft in het beroepschrift van belanghebbende tevens een beroep tegen een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet voor het jaar 2009 gelezen. Dit beroep heeft de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake is een griffierecht van € 122 geheven.

2.2.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

Hangende het hoger beroep heeft belanghebbende een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gevraagd. Bij uitspraak van 22 oktober 2014, nummers BK-14/01199 en BK-14/01200 heeft de voorzieningenrechter van het Hof dit verzoek afgewezen.

2.4.

Het hoger beroep is op 26 november 2014 door de enkelvoudige kamer van het Hof behandeld. Partijen zijn daar verschenen. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.

2.5.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende een aantal stukken overgelegd met het verzoek om deze als producties 12 tot en met 21 aan het hogerberoepschrift toe te voegen.

Vaststaande feiten

3.1.

Het Hof ontleent aan de uitspraak van de rechtbank het volgende:

“1. De aanslag IB en de beschikkingen zijn gedagtekend 21 november 2012. Per e-mailbericht van 7 februari 2013 heeft [belanghebbende] daartegen bezwaar gemaakt. Per faxbericht van 13 mei 2013 heeft [belanghebbende] het bezwaar gemotiveerd. Per brief van 30 september 2013 heeft [de Inspecteur] [belanghebbende] meegedeeld dat hij voornemens was het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren omdat het bezwaarschrift niet binnen zes weken na de dagtekening van de aanslag en de beschikkingen was ingediend.

2. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft [de Inspecteur] het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 16 oktober 2013. Per e-mailbericht aan [de Inspecteur] van 30 oktober 2013 heeft [belanghebbende] op de uitspraak op bezwaar gereageerd. In dit e-mailbericht, waarvan een uitdraai in kopie tot de gedingstukken behoort, is onder meer het volgende vermeld:

"Geachte hr ( ... ),

Ik heb intussen uw uitspraak op mijn bezwaar ontvangen.

( ... )

Voorts stelt u dat uit de jaarstukken niet blijkt dat er belasting is ingehouden cq dat er nog een belastingschuld is welke nog door de bv moet worden afgedragen. Dit is niet correct.

( ... ).

In mijn eerder schrijven heb ik u al aangegeven dat ik weinig of geen salaris heb ontvangen van de bv in 2009, sterker nog ik heb zelfs meer betaald als ontvangen voor de bv. ( ... ).

Dit houdt dus in dat mijn inkomen negatief is geweest in 2009, ( ... ).

( ... )

Ik verzoek u dit te herzien.

Ik verzoek u om de uw uitspraak ambtshalve te herzien gebaseerd op de gegevens en aangifte welke ik u nu aanlever en gedurende die periode uitstel van betaling te verlenen,

(.. )

Ik hoop dat u de uitspraak en de aangifte nogmaals ambtshalve wil herzien gebaseerd op de stukken welke ik u nu overleg. Ik heb werkelijk geen inkomsten in 2009 gehad en het alleen daarom is het al zuur dat ik dan ook nog belasting zou moeten betalen over loon wat ik werkelijk niet heb ontvangen."

3.2.

Het Hof voegt hieraan nog het volgende toe.

3.3.

Belanghebbende en de Inspecteur hebben ter zitting van de voorzieningenrechter op 8 oktober 2014 en opnieuw ter zitting van het Hof op 26 november 2014 eenparig verklaard dat aan belanghebbende voor het jaar 2009 geen aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: aanslag Zvw) is opgelegd.

3.4.

De Inspecteur heeft ter zitting van de voorzieningenrechter op 8 oktober 2014 en opnieuw ter zitting van het Hof op 26 november 2014 verklaard dat hij de boetebeschikking herroept.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In geschil is of redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat belanghebbende niet in verzuim is geweest met betrekking tot de overschrijding van de wettelijke termijn voor het maken van bezwaar.

4.2.

Belanghebbende neemt het standpunt in dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond heeft verklaard. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft belanghebbende bij het verzoek om een voorlopige voorziening en het hoger beroepschrift diverse stukken overgelegd waaruit naar zijn opvatting blijkt dat hij poststukken met grote regelmaat niet of met grote vertraging ontvangt. Ter zitting van de voorzieningenrechter van het Hof op 8 oktober 2014 heeft hij de bij het hoger beroepschrift gevoegde stukken aangevuld met een aanmaning tot betaling van de aanslag. De aanmaning, die is gedagtekend 22 januari 2013, is naar zeggen van belanghebbende bij de buurvrouw bezorgd en pas veel later door belanghebbende ontvangen. Tot de onder 2.5 genoemde, door belanghebbende ter zitting van het Hof van 26 november 2014 overgelegde stukken behoort een kopie van een exploot dat blijkens de inhoud ervan door de gerechtsdeurwaarder is gelaten aan het woonadres van belanghebbende, maar dat in werkelijkheid is bezorgd op het adres [Y] te [Z]. Uit de bezorging van dit stuk blijkt volgens belanghebbende dat in de buurt waarin hij woont zelfs betekende stukken verkeerd worden bezorgd. Hoeveel te meer geldt dit dan voor met de gewone post verzonden stukken, zoals het aan belanghebbende gezonden aanslagbiljet. Dit verklaart waarom belanghebbende pas geruime tijd na de dag van dagtekening van het aanslagbiljet kennis van de inhoud daarvan heeft kunnen nemen. Daarna heeft hij zo spoedig als dat redelijkerwijs van hem verlangd kon worden bezwaar tegen de aanslag gemaakt.

4.3.

De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd weersproken.

Conclusies van partijen

5.1

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar alsmede tot veroordeling van de Inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen:

“Aanslag Zvw

6. [Belanghebbende] heeft weliswaar beroep ingediend tegen een aanslag Zvw - naar de rechtbank begrijpt eveneens gedagtekend 21 november 2012 - maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij daartegen een bezwaarschrift heeft ingediend, zodat het beroep reeds op die grond niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Aanslag IB

7. (…)

8. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking, dan wel op de dag na die van de voldoening of de inhouding onderscheidenlijk de afdracht. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is het bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet‑ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

9. De dagtekening van de aanslag is het in bezwaar bestreden besluit is 21 november 2012. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de aanslag pas na die datum is bekendgemaakt, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op 2 januari 2013. Het bezwaarschrift is op 7 februari 2013 door [de Inspecteur] ontvangen. Het bezwaarschrift is dus gelet op artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb niet tijdig ingediend.

10. Als reden voor de termijnoverschrijding heeft [belanghebbende] opgegeven dat hij de aanslag pas op of omstreeks 7 februari 2013 heeft ontvangen. [Belanghebbende] heeft in dit verband aangevoerd dat hij in een nieuwbouwwijk woont en dat voor hem bestemde poststukken vaak op een verkeerd adres worden bezorgd. De door [belanghebbende] na de zitting ingediende stukken hebben betrekking op een door [belanghebbende] ingediende klacht bij de Rechtbank Rotterdam inzake het niet of later ontvangen van stukken van die rechtbank. Bij deze stukken heeft [belanghebbende] ook een verklaring ingediend van een medebuurtbewoonster die verklaart dat zij in het verleden wel eens post heeft ontvangen die voor [belanghebbende] bestemd was. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen [belanghebbende] heeft aangevoerd en overgelegd, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende] daarmee niet aannemelijk gemaakt dat hij ook de aanslag pas geruime tijd na de dagtekening heeft ontvangen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [belanghebbende] pas ter zitting van de rechtbank het standpunt heeft ingenomen dat de aanslag niet was ontvangen. Voorts neemt de rechtbank daarbij in aanmerking – [de Inspecteur] heeft daar ook op gewezen – dat [belanghebbende] bij zijn bezwaar geen reden voor de termijnoverschrijding heeft opgegeven en dat hij op de in 1 aangehaalde brief van [de Inspecteur], waarin [belanghebbende] wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk wordt verklaard maar hem nog de mogelijkheid werd geboden te worden gehoord, in het geheel niet heeft gereageerd. Ondanks het feit dat nadien in de uitspraak op bezwaar wederom duidelijk is vermeld dat [belanghebbende] alleen tegen de niet‑ontvankelijkverklaring van het bezwaar beroep kon instellen, heeft [belanghebbende] ook in het beroepschrift niets aangevoerd betreffende de ontvankelijkheid van het bezwaar.

11. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat [belanghebbende] niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb op grond waarvan niet-ontvankelijkverklaring achterwege zou moeten blijven. [De Inspecteur] heeft het bezwaar dus terecht niet-ontvankelijk verklaard en het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard.

Griffierecht

12. Ter zitting is nog besproken dat de rechtbank weliswaar een tweede dossier heeft aangemaakt met betrekking tot de aanslag Zvw, maar daarbij tevens griffierecht ad € 44 aan [belanghebbende] in rekening heeft gebracht. Dat zal aan [belanghebbende] worden geretourneerd. Het betreft immers een met de aanslag IB samenhangende zaak en bij het beroep daartegen gericht heeft de rechtbank reeds € 44 griffierecht in rekening gebracht.

Proceskosten

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen de aanslag Zvw niet-ontvankelijk

- verklaart het beroep gericht tegen de aanslag IB ongegrond.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Gelet op hetgeen onder 3.3 is overwogen berust de veronderstelling van de rechtbank dat aan belanghebbende voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (aanslag Zvw) is opgelegd op een misverstand. Dit heeft echter niet tot gevolg dat de uitspraak van de rechtbank op het beroep tegen de (vermeende) aanslag Zvw onjuist is. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat tegen een niet-bestaand besluit (hier: de aanslag Zvw) geen beroep kan worden ingesteld. Derhalve heeft de rechtbank het beroep tegen de aanslag Zvw terecht niet-ontvankelijk verklaard, wat er ook zij van de daartoe door de rechtbank gebezigde gronden.

7.2.

Gelet op hetgeen onder 3.4 is overwogen, beperkt het geschil zich tot de aanslag en de beschikking heffingsrente.

7.3.

De rechtbank heeft terecht en op goede gronden beslist dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb op grond waarvan niet-ontvankelijkverklaring achterwege zou moeten blijven. Het Hof maakt deze beslissingen en de gronden waarop zij berusten tot de zijne. Naar aanleiding van hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, overweegt het Hof daarenboven nog het volgende.

7.4.

Het Hof stelt voorop dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres worden bezorgd of aangeboden. Niet in geschil is dat het adres waarnaar het aanslagbiljet dat de aanslag en de beschikking heffingsrente bevat (hierna: het aanslagbiljet), is verzonden naar het woonadres van belanghebbende. Derhalve kan naar het oordeel van het Hof ervan worden uitgegaan dat het aanslagbiljet op het woonadres van belanghebbende is ontvangen of aangeboden, tenzij belanghebbende feiten stelt en bij betwisting aannemelijk maakt op grond waarvan de ontvangst of aanbieding van het aanslagbiljet op het woonadres van belanghebbende redelijkerwijs moet worden betwijfeld.

7.5.

Met de door hem overgelegde stukken heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof aannemelijk gemaakt dat het voorkomt dat een aan hem geadresseerd stuk hem niet of met vertraging bereikt. Dat er sprake is van een structureel tekortschietende postbezorging in de wijk waar belanghebbende woont, kan uit deze stukken en hetgeen belanghebbende daarover heeft opgemerkt echter niet worden afgeleid. Evenmin kan op grond daarvan de conclusie worden getrokken dat aan belanghebbende geadresseerde van stukken die afkomstig zijn van de Belastingdienst, zoals het aanslagbiljet, belanghebbende niet of met vertraging bereiken. Het Hof is, het een en ander afwegende, van oordeel dat belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd en overgelegd niet aannemelijk maakt dat de (tijdige) ontvangst of aanbieding van het aanslagbiljet op zijn woonadres redelijkerwijs moet worden betwijfeld.

7.6.

Van andere feiten op grond waarvan redelijkerwijs zou kunnen worden geoordeeld dat belanghebbende niet in verzuim is geweest met betrekking tot de overschrijding van de wettelijke termijn voor het maken van bezwaar, is het Hof niet gebleken.

7.7.

Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten

Voor het toekennen van ene proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 7 januari 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.