Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:67

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-01-2015
Datum publicatie
23-01-2015
Zaaknummer
K13/0341
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Art. 12 Sv.

Het hof verklaart het beklag voor zover dit betrekking heeft op beklaagden [beklaagden 1 en 2] gegrond en gelast de strafvervolging van beklaagden [beklaagden 1 en 2] ter zake van (medeplegen van) doodslag als bedoeld in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, dan wel ter zake van enig ander strafrechtelijk verwijtbaar handelen met betrekking tot het onderhavige schietincident.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

raadkamer beklagzaken

BESCHIKKING

gegeven op het beklag, op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[namen klagers],

klagers,

in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van hun raadsman mr. S.L.J. Janssen, advocaat, kantoor houdende te Amsterdam aan het Van der Helstplein 3

(postadres: Postbus 51143, 1007 EC Amsterdam).

1 Het beklag

Het klaagschrift is op 24 juni 2013 door het hof ontvangen.

Het beklag richt zich tegen de beslissing van de hoofdofficier van justitie te Rotterdam om [beklaagden 1 en 2], beklaagden, niet te vervolgen ter zake van een schietincident op 7 april 2013 waarbij [slachtoffer] om het leven is gekomen, respectievelijk beklaagde [beklaagde 3] niet te vervolgen ter zake van mishandeling van [slachtoffer] op diezelfde datum.

Voor het verloop van de procedure en hetgeen eerder in deze zaak is voorgevallen, verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van 11 maart 2014 met bijbehorend proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 11 februari 2014.

2 De behandeling in raadkamer

De meervoudige beklagkamer heeft het klaagschrift - nadat de behandeling bij bovengenoemde tussenbeschikking is aangehouden teneinde beklaagden in raadkamer te horen - op 14 oktober 2014 in raadkamer verder behandeld.

Ter zitting is verschenen mr. P.P.J. van der Meij, kantoorgenoot van en optredend als waarnemer voor de raadsman van klagers mr. S.L.J. Janssen.

De raadsvrouw van beklaagde [beklaagde 3], mr. N. Flikkenschild, advocaat te Rotterdam, is gehoord. Daarbij is door de raadsvrouw een pleitnota overgelegd welke in het dossier is gevoegd. Beklaagde [beklaagde 3] is - volgens opgave van zijn raadsvrouw wegens de emotionele belasting van deze zaak voor beklaagde - niet ter zitting verschenen.

Beklaagden [beklaagden 1 en 2] en hun raadslieden, respectievelijk mr. K. Versteeg en mr. A.J.M. de Swart, beiden advocaat te Rotterdam, zijn gehoord.

Daarbij zijn door de raadslieden pleitaantekeningen overgelegd welke in het dossier zijn gevoegd.

De advocaat-generaal mr. E.C. Kole heeft in raadkamer - overeenkomstig het eerdere schriftelijke verslag en haar conclusie ter zitting van 11 februari 2014 - geconcludeerd tot afwijzing van het beklag.

Het hof heeft na sluiting van het onderzoek in raadkamer kennisgenomen van het op 23 oktober 2014 bij dit hof ingekomen faxbericht van de raadsman van klagers. De raadsman geeft in dit faxbericht onder meer aan dat klagers zich niet kunnen vinden in de inhoud van de ter zitting van 14 oktober 2014 namens beklaagden [beklaagden 1 en 2] overgelegde pleitnotitie. Voorts wordt er naar het oordeel van klagers van de zijde van beklaagden [beklaagden 1 en 2] een onjuiste feitelijke lezing gegeven van de gang van zaken op de bewuste dag. Namens klagers is verzocht om klagers op een daartoe nader door het hof te bepalen zitting in de gelegenheid te stellen te reageren op hetgeen door beklaagden [beklaagden 1 en 2] en hun raadslieden ter zitting van 14 oktober 2014 naar voren is gebracht. Voorts is verzocht aan de raadsman van klagers een proces-verbaal van de zitting van 14 oktober 2014 te doen toekomen.

Naar aanleiding van het hiervoor genoemde verzoek van de raadsman van klagers heeft het hof de raadsman - onder toezending van het proces-verbaal van de zitting van 14 oktober 2014 - in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie aan het hof te doen toekomen.

Bij een op 18 november 2014 per e-mail verzonden en aan de voorzitter gerichte brief heeft de raadsman van deze gelegenheid gebruik gemaakt. In deze brief stelt de raadsman zich - mede onder verwijzing naar hetgeen al eerder was opgemerkt in de pleitnotities van 11 februari 2014 - kort gezegd op het standpunt dat gelet op meerdere uit het dossier naar voren gekomen en ter zitting door beklaagden [beklaagden 1 en 2] bevestigde omstandigheden, waaronder het door [slachtoffer] weglopen van de verbalisanten en de vaststelling dat er sprake was van een wandelstok in plaats van een bijl, de inzet van het dodelijk vuurwapengeweld niet proportioneel is geweest en een beroep op noodweer geen kans van slagen heeft. Gelet hierop wordt opnieuw gevraagd het klaagschrift gegrond te verklaren en de vervolging van beklaagden te bevelen.

Het hof heeft de raadslieden van beklaagden en de advocaat-generaal vervolgens - onder toezending van het proces-verbaal van de zitting van 14 oktober 2014 en de per e-mail aan het hof verzonden brief van mr. Janssen van 18 november 2014 - in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de nadere schriftelijke reactie van de raadsman van klagers.

In een aan de voorzitter van het hof gerichte brief van 2 december 2014 heeft mr. Van de Bilt, mede namens mrs. Versteeg en De Swart, zich onder meer op het standpunt gesteld dat het schrijven van mr. Janssen tardief is en voorts in strijd is met Gedragsregel 15, eerste en tweede lid. Voor het geval het hof desondanks de schriftelijke reactie van mr. Janssen aan het dossier mocht toevoegen, is verzocht de raadslieden van beklaagden [beklaagden 1 en 2] in de gelegenheid te stellen alsnog een nadere schriftelijke reactie aan het hof te doen toekomen.

Bij een aan de voorzitter van het hof gericht e-mail bericht van 4 december 2014 heeft mr. Janssen aan het hof doen toekomen een afschrift van een schrijven dat hij in reactie op de brief van de raadslieden van beklaagden [beklaagden 1 en 2] van 2 december 2014 aan mr. Van de Bilt heeft doen toekomen. In deze brief geeft mr. Janssen een korte reactie op de door mr. Van de Bilt in haar brief neergelegde stellingen.

In een aan de voorzitter van het hof gericht faxbericht van 4 december 2014 heeft mr. Flikkenschild het hof bericht dat zij naar aanleiding van het door haar ontvangen proces-verbaal van de zitting van 14 oktober 2014 en de schriftelijke reactie daarop van mr. Janssen geen aanvullende opmerkingen heeft en de eerder door haar ingenomen standpunten handhaaft.

De raadslieden van beklaagden [beklaagden 1 en 2] hebben bij een aan de voorzitter van het hof gericht faxbericht van 8 december 2014 gereageerd op de schriftelijke reactie van mr. Janssen van 18 november 2014. Door hen is onder meer aangevoerd dat het feit dat beklaagden zelf geen andere personen in de binnentuin hebben waargenomen niet automatisch betekent dat er geen sprake kon zijn van een onmiddellijk dreigend gevaar. Dat [slachtoffer] wist dat zijn potentiële doelwit niet in het huizenblok woonde dat grensde aan de binnentuin maakt dit niet anders.

Voorts hebben zij benadrukt dat niet alleen beklaagden [beklaagden 1 en 2] maar ook diverse getuigen het door mr. Janssen als wandelstok aangeduide voorwerp destijds hebben aangezien als een (slag)wapen, bijl of tomahawk en dat deze waarneming, gezien de door de voorzitter ter zitting gegeven omschrijving van het voorwerp, zeer goed voorstelbaar is. De vaststelling dat het vermoedelijk om een wandelstok gaat, doet naar de mening van de raadslieden niet af aan het feit dat het voorwerp in de ogen van zowel beklaagden als ook van diverse getuigen, potentieel als dodelijk wapen zou kunnen dienen, zeker in combinatie met de agressieve, onberekenbare en zoekende houding van de man die zich schijnbaar door niemand liet tegenhouden en daardoor een onmiddellijk dreigend gevaar opleverde. Door de raadslieden is verder aangevoerd dat in een dergelijke situatie van politieambtenaren wordt verwacht dat zij dit gevaar op een actieve wijze keren en dat het gebruik van het vuurwapen in deze situatie de enige optie was om het gevaar af te wenden.

Wat betreft de kwaliteit van het in de onderhavige zaak verrichte onderzoek handhaven de raadslieden hun ter zitting ingenomen standpunt, kort gezegd inhoudende dat de kwaliteit daarvan naar hun mening ruimschoots voldoet aan de eisen die het EHRM daaraan stelt.

In een aan de griffier gericht e-mail bericht van 19 december 2014 heeft de advocaat-generaal het hof bericht dat zij op beide zittingen door het hof in de gelegenheid is gesteld om haar visie op de zaak kenbaar te maken en dat zij thans geen behoefte meer heeft aan een verdere standpuntenwisseling.

Het hof heeft van de inhoud van alle hiervoor genoemde schriftelijke reacties kennis genomen en deze zijn in het dossier gevoegd.

3. Ontvankelijkheid van het beklag voor zover dit betrekking heeft op beklaagde [beklaagde 3]

Alvorens tot een inhoudelijke toetsing van het beklag te kunnen overgaan, dient het hof te beoordelen of klagers ontvankelijk zijn in het beklag.

Daarbij komt primair aan de orde de vraag of klagers kunnen worden beschouwd als rechtstreeks belanghebbenden in de zin van artikel 12, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan slechts degene die door het achterwege blijven van een strafvervolging getroffen is in een belang dat hem bepaaldelijk aangaat, als zodanig worden aangemerkt.

In beginsel kunnen ook verwanten en nabestaanden als belanghebbenden worden aangemerkt.

Bij beschikking van dit hof van 19 mei 2003 is echter overwogen dat een beklagrecht voor nabestaanden uitsluitend erkenning vindt bij delicten waarbij sprake is van een ernstige fysieke aantasting van de persoon van het slachtoffer, zoals levensberoving, mishandeling met dodelijk gevolg en verkrachting. De in casu relatief geringe ernst van het beweerdelijk door beklaagde [beklaagde 3] ten opzichte van [slachtoffer] gepleegde feit staat naar het oordeel van het hof de ontvankelijkheid van het beklag in de weg.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat klagers, voor zover het beklag ziet op het achterwege blijven van een vervolging van beklaagde [beklaagde 3] ter zake van mishandeling, niet-ontvankelijk zijn in hun beklag.

4 De feiten

Op 7 april 2013 is [slachtoffer], de partner van klaagster [naam klager 1] en de (stief-)zoon van klagers [naam klagers 2 en 3], overleden ten gevolge van een schietincident waarbij door twee politieambtenaren [beklaagden 1 en 2] gericht is geschoten.

Aan dit schietincident is een ander incident voorafgegaan, waarbij [slachtoffer], twee stadswachten en een buurtbewoner (beklaagde [beklaagde 3]) betrokken zijn geweest. Uit het dossier volgt dat [slachtoffer] bij dit eerdere incident door beklaagde [beklaagde 3] een klap op zijn kaak gekregen heeft als gevolg waarvan hij op de grond gevallen is.

Naar aanleiding van het onderhavige feitencomplex is op verzoek van de hoofdofficier van justitie te Rotterdam door de Rijksrecherche een onderzoek ingesteld naar de toedracht van de op die dag door politieambtenaren van de Politie Eenheid Rotterdam toegepaste geweldsaanwending. Van dit onderzoek is een proces-verbaal opgemaakt dat op 27 mei 2013 is afgesloten. Dit proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

Beide beklaagden zijn op 14 oktober 2014 door het hof gehoord. Van dit verhoor is een proces-verbaal opgemaakt, welk proces-verbaal is toegevoegd aan het dossier.

Beklaagde [beklaagde 1] heeft ter zitting in raadkamer onder meer verklaard dat hij zich geconfronteerd zag met een verwarde en onberekenbare man met een in zijn beleving op een bijl of een ander slagwapen gelijkend voorwerp in zijn handen waarmee hij ongecontroleerde en zwaaiende bewegingen maakte, die ondanks meerdere aanroepingen en het tonen van het vuurwapen en politiepasje van deze beklaagde niet op hem reageerde maar zijn weg bleef vervolgen waarbij hij door heggen heen rende en over een schutting klom. Beklaagde [beklaagde 1] had het idee dat de man op zoek was naar iemand die hij iets aan wilde doen en af wilde maken. Hij was er vast van overtuigd dat wanneer hij niet in zou grijpen er iets met iemand zou gebeuren. Beklaagde [beklaagde 1] werd in dit idee versterkt door het feit dat de man niet reageerde op het waarschuwingsschot van een collega en het eerste door hem zelf op de benen van de man gerichte geloste schot. Het zou hem niet verbazen als de man in een psychose verkeerde.

Beklaagde [beklaagde 2] heeft ten overstaan van het hof onder meer verklaard dat zij ter plekke was gekomen na een melding om spoedassistentie, hetgeen naar haar beleving met zich meebracht dat er sprake was van een noodsituatie. Zij hoorde haar collega [beklaagde 1] met hoorbare stress in zijn stem roepen: “man met wapen”. Vlak voordat zij uitstapte bij de Fazantstraat hoorde zij dat er een zogenaamde BTGV melding werd gedaan, hetgeen staat voor Benaderingstechniek Gevaarlijke Verdachten. Ook hieruit maakte zij op dat er sprake was van een ernstige situatie. Toen zij ter plekke kwam, zag zij een verwilderde man met een - naar zij dacht - bijl in een van zijn handen rennen, die niet reageerde op meerdere aanroepingen en de aanwezigheid van haar en haar collega’s van de politie waardoor zij het idee had dat het helemaal mis was. Voorts heeft zij verklaard dat zij, nadat zij vervolgens een of meerdere schoten had gehoord, zelf een waarschuwingsschot heeft gelost en opnieuw heeft geroepen: “Politie, staan blijven”, en dat zij constateerde dat dit geen effect op de man had aangezien deze door bleef rennen. Vervolgens heeft zij de conclusie getrokken dat de man heel erg gevaarlijk was en gestopt moest worden.

Met betrekking tot de weergave van de feiten verwijst het hof voor het overige kortheidshalve naar de inhoud van de uitvoerige, aan de raadsman van klagers gerichte schriftelijke sepotbeslissing van de hoofdofficier van justitie te Rotterdam van 2 mei 2013.

Van dit bericht is ter informatie van klagers en beklaagden een afschrift aan deze beschikking gehecht.

5. De beoordeling van het beklag voor zover dit betrekking heeft op beklaagden [beklaagden 1 en 2]

Het hof stelt voorop dat in het onderhavige geval ten aanzien van beide beklaagden geen sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder b van de Ambtsinstructie voor de politie.

Ter beoordeling staat thans dus de vraag of de beslissing van de hoofdofficier van justitie om beklaagden niet te vervolgen op goede gronden is genomen, meer in het bijzonder of er - conform de Aanwijzing handelwijze geweldsaanwending (politie)ambtenaar - geen rechtens relevante twijfel kan bestaan over het bevestigende antwoord op de vraag of de strafrechter, indien de zaak aan hem zou worden voorgelegd, een beroep op een rechtvaardigings- of schulduitsluitingsgrond zal honoreren en de politiefunctionarissen zal ontslaan van rechtsvervolging en er ook overigens geen omstandigheden aan de orde zijn waardoor het in de rede ligt het rechterlijk oordeel in te winnen.

De raadsman van klagers heeft in raadkamer onder meer aangevoerd dat door de politie, onder wie beklaagden [beklaagden 1 en 2], opzettelijk is geschoten in de rug van een van hen weglopende man met een houten (wandel)stok in zijn hand op het moment dat deze zich bevond in een binnentuin waar geen andere burgers aanwezig waren, ten gevolge waarvan deze man is overleden. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat niet is gebleken van politieagenten of burgers die het risico liepen door de man te worden aangevallen, dan wel dat er een persoon daadwerkelijk is aangevallen, en dat de identiteit en het adres van de man bij de politie bekend waren. Onder die omstandigheden is naar de mening van de raadsman een beroep op noodweer uitgesloten. De stelling van het openbaar ministerie dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding en dat het op deze wijze neerschieten van een burger proportioneel en subsidiair was, is naar de mening van de raadsman dan ook onbegrijpelijk.

Ter zitting in raadkamer is door beide beklaagden met opgave van de redenen daarvoor verklaard dat zij zich genoodzaakt achtten de man met het slagwapen uit te schakelen, teneinde gevaar voor anderen af te wenden. Door hen is in eerste instantie op verschillende manieren geprobeerd het dreigende geweld te stoppen, namelijk door het meermalen aanroepen van [slachtoffer] met de mededeling dat zij van de politie waren en dat hij moest stoppen en het door beklaagde [beklaagde 1] tonen van zijn politiepasje en zijn dienstwapen. Dit was echter vergeefs. Vervolgens was er sprake van een oplopend gebruik van geweldmiddelen. Nadat ook het lossen van enkele waarschuwingsschotten en het gericht op de benen/het onderlichaam van [slachtoffer] schieten niet het beoogde effect sorteerden, is door beklaagde [beklaagde 1] uiteindelijk gericht een schot ter hoogte van de rug van [slachtoffer] gelost.

Door en namens beklaagden is voorts aangevoerd dat er sprake was van een voor hen onbekende, agressieve man, mogelijk onder invloed van middelen, die ondanks de toepassing van een aantal geweldmiddelen niet gestopt kon worden. Integendeel, de man bleef doorrennen, waarbij beide beklaagden, onafhankelijk van elkaar, de sterke indruk hadden dat de man naar iemand op zoek was teneinde deze persoon iets aan te doen en dat als zij niet zouden ingrijpen er iets met iemand zou gebeuren. Zich verwijderen was geen optie, aldus de beklaagden, nu van een politieagent niet wordt verwacht dat deze zich bij dreiging van een confrontatie verwijdert van de plaats des onheils. In de overtuiging van beklaagden bleef het gebruik van het dienstwapen als laatste redmiddel over.

Hoewel het hof zich gelet op alle door en namens beklaagden aangevoerde omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, goed voor kan stellen dat er in de beleving van de jonge en onervaren politieagenten sprake was van een moeilijke en bedreigende situatie, kan naar het oordeel van het hof, met name gelet op al hetgeen omtrent de diverse in deze zaak van belang zijnde discussiepunten met kracht van argumenten door enerzijds klagers en anderzijds beklaagden en het openbaar ministerie - als tegenover elkaar staande standpunten - naar voren is gebracht, niet bij voorbaat met grote stelligheid worden gezegd dat het optreden van de politieagenten - ook achteraf beschouwd - volledig en buiten iedere twijfel valt te rechtvaardigen. Naar het oordeel van het hof doet zich hier dus niet de situatie voor dat er geen rechtens relevante twijfel kan bestaan over het bevestigende antwoord op de vraag of de strafrechter, indien de zaak aan hem zou worden voorgelegd een beroep op een rechtvaardigings- of schulduitsluitingsgrond zal honoreren en zal komen tot een ontslag van rechtsvervolging. Het hof neemt hierbij onder meer in aanmerking dat de uiterlijke omstandigheden (zoals het feit dat [slachtoffer] wegliep van de agenten en het publiek in een richting waar zich zichtbaar geen personen bevonden) niet zonder twijfel tot de conclusie leiden dat een ingrijpen zoals hier is geschied gerechtvaardigd is. Gelet op de verklaringen van beklaagden heeft hun eigen waardering van de gemoedstoestand van [slachtoffer] hier denkelijk ook een grote rol gespeeld. Een en ander dient derhalve nader te worden beoordeeld. Ook het antwoord op de vraag hoe gevaarlijk het voorwerp was te achten waarmee [slachtoffer] heeft lopen zwaaien is naar het oordeel van het hof gelet op wat hierover door enerzijds klagers en anderzijds beklaagden en het openbaar ministerie naar voren is gebracht niet zonder meer eenduidig te beantwoorden. Gelet op die twijfel is het hof van oordeel dat een beoordeling van de onderhavige zaak - die publiekelijk ook nogal wat discussie heeft opgeleverd - door een onafhankelijke rechter aangewezen is.

6 De beslissing

Het hof:

Verklaart klagers niet-ontvankelijk in het beklag voor zover dit ziet op beklaagde [beklaagde 3].

Verklaart het beklag voor zover dit betrekking heeft op beklaagden [beklaagden 1 en 2] gegrond en gelast de strafvervolging van beklaagden [beklaagden 1 en 2] ter zake van (medeplegen van) doodslag als bedoeld in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, dan wel ter zake van enig ander strafrechtelijk verwijtbaar handelen met betrekking tot het onderhavige schietincident.

Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 20 januari 2015 door mr. R.C.A. Duindam, voorzitter, mr. H.C. Plugge en mr. A.W. Beelaerts van Blokland, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.W. Kuiper-van den Haak, griffier, en is ondertekend door de voorzitter en de griffier.