Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:587

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-02-2015
Datum publicatie
19-03-2015
Zaaknummer
BK-14-00341
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:2525, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de boete terecht is opgelegd, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/620
V-N 2015/26.11.7
FutD 2015-0717
NTFR 2015/1754 met annotatie van mr.drs. B.J.E. Lodder
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-14/00341

Uitspraak van 20 februari 2015

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst Amsterdam, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 februari 2014, nr. SGR 13/7733.

Bezwaar en beroep

1.1.

Belanghebbende zijn over het tijdvak van 16 februari 2011 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting van € 3.538 en bij beschikking een boete van € 1.769 opgelegd. Bij beschikking is € 96 aan heffingsrente berekend.

1.2.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag en de beschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Tegen de uitspraak van de Inspecteur betreffende de boete heeft belanghebbende beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 160 is geheven.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur die betrekking heeft op de boetebeschikking vernietigd, de beschikking zo gewijzigd dat de boete wordt verminderd tot € 1.415,20 en de Inspecteur gelast het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

Hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 122 is geheven.

2.2.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 9 januari 2015 te Den Haag. Partijen zijn niet verschenen. De griffier heeft partijen bij aangetekende brieven, verzonden op 12 december 2014 aan [Y] te [Z] en aan [A] te [B], onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd op de zitting te verschijnen. Blijkens door de griffier bij TNT Post ingewonnen inlichtingen (track and trace) zijn de brieven op 16 december 2014 op beide postadressen aangeboden.

Feiten

3.1.

Op grond van de stukken van het geding gaat het Hof in hoger beroep uit van de door de rechtbank onder 1 en 2 van haar uitspraak vermelde feiten en vult deze aan.

"1. [Belanghebbende] heeft over het eerste kwartaal van 2011 een bedrag aan voorbelasting teruggevraagd van € 553 en over het tweede kwartaal van 2011 een bedrag van € 2.985.

2. [De Inspecteur] heeft een boekenonderzoek ingesteld. In het controlerapport is opgenomen dat de controleur zowel op internet als op het bedrijfsadres geen aanwijzingen heeft kunnen vinden dat [belanghebbende] een onderneming heeft gedreven die juridische diensten heeft verleend. Zij reageerde in eerste instantie niet op vragenbrieven en telefonische verzoeken om terug te bellen. Als zij wel reageert geeft zij aan dat de kostenfacturen niet meer te vinden zijn en dat ze zich niet kan herinneren € 45.000 (het bedrag dat volgens de controleur hoort bij de gevraagde voorbelasting) aan kosten te hebben gemaakt. In het rapport wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van ondernemersactiviteiten en dat [belanghebbende] zich vermoedelijk heeft willen voordoen als ondernemer om via de aangiften omzetbelasting opzettelijk onjuiste verzoeken om teruggaaf in te dienen. [De Inspecteur] heeft een vergrijpboete van 50% opgelegd."

3.2.

Bij brief van 13 november 2012 en bij brief van 1 juli 2014 schrijven behandelaars werkzaam bij een tweetal GGZ-instellingen:

"(…) dat mw. psychische beperkingen heeft en verkeert in een psychose. Hierdoor is het voor haar erg moeilijk om op tijd haar post te openen en tijdig te reageren. (…)"

"(…) Omdat [X] al enige tijd last heeft van psychische klachten is zij de afgelopen periode in behandeling geweest bij [C]. Overbelasting en andere psychische klachten hebben ervoor gezorgd dat [X] niet altijd in staat is geweest op meerdere vlakken goed voor haarzelf te zorgen. Op meerdere disciplines wordt zij ondersteund. (…)"

Geschil en standpunten

4.1.

In geschil is of de boete terecht is opgelegd, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2.

Belanghebbende is van mening dat voor een boete geen plaats is, gelet op de bijzondere persoonlijke omstandigheden waarin zij heeft verkeerd. Zij stelt dat door psychische klachten, waaronder psychoses waarvoor zij onder behandeling is (geweest), het haar niet gelukt is van haar bedrijf een succes te maken. Het niet kunnen overleggen van de bijhorende facturen corresponderend met de in aftrek genomen voorbelasting is niet met opzet gebeurd, maar is het gevolg van haar psychische klachten waardoor ze niet in staat is geweest adequaat haar administratie te voeren.

4.3.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende met opzet onjuiste teruggaafverzoeken van omzetbelasting heeft ingediend en dat terecht een boete is opgelegd. Daartoe voert de Inspecteur in het verweerschrift in beroep aan dat niet is gebleken dat belanghebbende telkens bij het indienen van aangiften voor de omzetbelasting in een psychose verkeert.

4.4.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

4.5.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de boetebeschikking.

4.6.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

De rechtbank

5. De rechtbank heeft overwogen:

"(…)

3. In geschil is of de vergrijpboete terecht is opgelegd.

4. [ Belanghebbende] wijst op haar medische en psychische verleden en stelt dat er geen opzet is om verkeerd aangifte te doen. Daarnaast wijst zij erop geen fiscaal specialist te zijn.

5. [ De Inspecteur] stelt zich op het standpunt dat [belanghebbende] opzettelijk onjuiste teruggaafverzoeken heeft ingediend en dat terecht een boete is opgelegd. Gelet op de persoonlijke situatie van [belanghebbende] kan de boete volgens [de Inspecteur] met 10% worden gematigd.

6. De rechtbank is van oordeel dat [de Inspecteur], op wie de bewijslast rust, terecht een vergrijpboete heeft opgelegd op basis van artikel 67f van de AWR en artikel 20, eerste lid, tweede volzin, van de AWR. [Belanghebbende] heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat zij kosten heeft gemaakt in het kader van ondernemersactiviteiten en dat aan haar facturen zijn uitgereikt waarop voorbelasting in rekening is gebracht. [De Inspecteur] stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat geen sprake is geweest van ondernemersactiviteiten en het aan opzet van [belanghebbende] te wijten is dat ten onrechte teruggaaf van omzetbelasting is verleend. In het doen van teruggaafverzoeken van omzetbelasting zonder dat voorbelasting in rekening is gebracht, ligt (voorwaardelijk) opzet besloten. Hetgeen [belanghebbende] heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de psychische situatie van [belanghebbende] dusdanig slecht was dat (voorwaardelijk) opzet ontbrak.

7. De rechtbank zal [de Inspecteur] volgen in zijn standpunt dat de boete met 10% kan worden gematigd. Een boete van 40% acht de rechtbank passend en geboden.

8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond verklaard.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

Beoordeling

6.1.

Gelet op de beschikbare stukken is het Hof van oordeel dat belanghebbende ontvankelijk is in beroep en in hoger beroep.

6.2.

De Inspecteur dient aannemelijk te maken dat het aan de opzet van belanghebbende te wijten is dat ten onrechte bedragen aan omzetbelasting aan haar zijn teruggegeven.

6.3.

De Inspecteur heeft naar 's Hofs oordeel onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat belanghebbende te dezen opzet is te verwijten, veronderstellenderwijs ervan uitgaand dat zij geen recht heeft op teruggaaf van de in geding zijnde bedragen. De stelling van de Inspecteur in het verweerschrift in beroep dat 'niet is gebleken dat belanghebbende telkenmale bij het indienen van de aangifte in een psychose verkeerde' doet daar onvoldoende aan af. Er is onvoldoende grond aan te nemen dat belanghebbende geen last had van de gestelde psychische klachten bij het indienen van de teruggaafverzoeken. Uit brieven van een tweetal behandelaars van een GGZ-instelling waar belanghebbende onder behandeling was, is bovendien af te leiden dat een aanmerkelijke kans bestond dat belanghebbende ten tijde van het doen van aangifte last had van psychische klachten en daardoor (mogelijk) onjuiste teruggaafverzoeken heeft ingediend. Daarbij komt dat de Inspecteur in de beroepsfase te kennen heeft gegeven dat hij in de persoonlijke situatie van belanghebbende dan wel in de medische omstandigheden aanleiding ziet de boete te matigen en dat hij de mate waarin de boete moet worden gematigd aan het oordeel van de rechtbank overlaat.

6.4.

Dat voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt.

Proceskosten en griffierechten

7.1.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten, nu niet is gebleken dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

7.2.

De voor de behandeling van de zaak in beroep en in hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 282 dient de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar die ziet op de boetebeschikking;

- vernietigt de boetebeschikking; en

- gelast de Inspecteur de griffierechten van € 282 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. F.A. Mijnans. De beslissing is op 20 februari 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.