Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:560

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-02-2015
Datum publicatie
19-03-2015
Zaaknummer
BK-14-00261
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:1973, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil of de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/627
V-N 2015/25.19.25
FutD 2015-0729
NTFR 2015/1507
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

enkelvoudige kamer

nummer BK-14/00261

Uitspraak d.d. 24 februari 2015

in het geding tussen:

[X], wonende te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger van beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 februari 2014, nummer SGR 13/8435, betreffende de hierna vermelde aanslag en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.574. Tegelijkertijd is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 52.

1.2.

De Inspecteur heeft het tegen de aanslag en de beschikking ingediende bezwaarschrift afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake is een griffierecht geheven van € 122. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 13 januari 2015, gehouden te Den Haag. De Inspecteur is wel, doch belanghebbende is met bericht niet verschenen. Belanghebbende heeft niet om uitstel van de zitting verzocht. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staat in hoger beroep het volgende vast.

3.1.

Belanghebbende is geboren [in] 1970.

3.2.

Belanghebbende staat onder bewindvoering van curator [A] te [B].

3.3.

Uit door de Inspecteur ontvangen renseignementen is hem gebleken dat belanghebbende in het onderhavige kalenderjaar inkomsten heeft genoten van het UWV in de vorm van de volgende uitkeringen:

- een NWW-uitkering ad € 8.385 ingehouden loonheffing € 1.733;

- een toeslag op de NWW-uitkering ad € 1.568 ingehouden loonheffing € 325;

subtotaal € 9.953 € 2.058;

- een Ziektewet-uitkering ad € 10.621 ingehouden loonheffing € 1.252;

totaal € 20.574 € 3.310.

3.4.

In de aangifte voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2011 heeft belanghebbende alleen de Ziektewet-uitkering ad € 10.621 vermeld. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur, op basis van de hem ter beschikking staande gegevens – te weten dat belanghebbende ook een NWW-uitkering en een toeslag daarop, ten bedrage van in totaal € 9.953, heeft ontvangen – het inkomen verhoogd tot € 20.574.

3.5.

Tegen de definitieve aanslag heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend, volgens welke hij geen Ziektewetuitkering heeft ontvangen, maar een NWW-uitkering met toeslag tot voormeld bedrag.

3.6.

Naar aanleiding van door de Inspecteur gevraagde informatie heeft de heer [C], van de afdeling WW [B], in een emailbericht van 25 november 2013, over belanghebbende het volgende geschreven:

“(…) In ieder geval heeft klant in 2011 wel een WW-uitkering gehad. Het is wel zo, dat achteraf is gebleken dat de WW uitkering ten onrechte is geweest omdat klant op hetzelfde moment ook een ziekengelduitkering genoot. De betaalde WW uitkering is van klant teruggevorderd. Dat is pas in februari 2012 gebeurt [lees: gebeurd, hof]. Daardoor valt voor de Belastingdienst de betaalde uitkering onder het belastingjaar 2011. De betaalde WW uitkering over 2011 op de jaaropgave 2011 komt overeen met het bedrag wat de Belastingdienst aangeeft.”

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.1.

In hoger beroep is in geschil of de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld, hetgeen belanghebbende stelt, doch de Inspecteur bestrijdt.

4.1.2.

Niet in geschil is dat de door belanghebbende in het onderhavige jaar ontvangen NWW-uitkering van € 8.385 en de daarop betrekking hebbende toeslag van € 1.568 ten onrechte zijn toegekend en dat deze in 2012 zijn teruggevorderd.

4.2.

Belanghebbende stelt dat de NWW-uitkering en de toeslag die hij ten onrechte in 2011 heeft ontvangen, niet heeft genoten en dat deze uitkeringen niet in de heffing van de inkomstenbelasting dienen te worden betrokken.

4.3.

De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd betwist.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de aanslag en de beschikking.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft geoordeeld:

“1. Tussen partijen is in geschil het moment waarop de in 2011 door [belanghebbende] ontvangen uitkering op grond van de Ziektewet (de uitkering) in de belastingheffing moet worden betrokken.

2. [ Belanghebbende] meent dat de uitkering, die hij in 2011 ten onrechte heeft ontvangen, niet in 2011 in de belastingheffing moet worden betrokken nu die uitkering in 2012 is teruggevorderd dan wel verrekend.

3. [ [De Inspecteur] neemt het standpunt in dat artikel 3.146, eerste lid, onder a, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) voorschrijft dat, nu [belanghebbende] de uitkering in 2011 heeft ontvangen, deze in 2011 is genoten zodat deze ook in 2011 in de belastingheffing moet worden betrokken. De verrekening van de ten onrechte ontvangen uitkering heeft in 2012 plaatsgevonden en kan onder voorwaarden in dat jaar tot aftrek leiden.

4. De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 3.146, eerste lid, onder a, van de Wet het tijdstip van genieten van de uitkering het moment is waarop de uitkering is ontvangen, verrekend, ter beschikking is gesteld, rentedragend is geworden of vorderbaar en inbaar is geworden. Voorts is in artikel 3.147 van de Wet IB 2001 bepaald dat aftrekbare kosten en uitgaven voor inkomensvoorzieningen - voor zover niet anders is bepaald - voor aftrek in aanmerking komen op het tijdstip waarop zij zijn betaald, verrekend, ter beschikking gesteld of rentedragend zijn geworden.

5. Op grond van de onder 4. genoemde wettelijke bepalingen wordt de uitkering geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij is ontvangen. Nu de uitkering in 2011 door [belanghebbende] is ontvangen, is de rechtbank van oordeel dat [de Inspecteur] de uitkering terecht in 2011 in de heffing van de inkomstenbelasting heeft betrokken. Daaraan doet niet af dat de uitkering in 2012 is teruggevorderd dan wel verrekend. Laatstgenoemd feit kan er immers slechts toe leiden dat de uitkering in 2012 onder voorwaarden als negatief loon in mindering kan worden gebracht op het inkomen dat jaar.

6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden gesteld die in eerste aanleg nog niet waren aangevoerd en op grond waarvan geoordeeld kan worden dat het oordeel van de rechtbank onjuist is. Het Hof neemt dat oordeel en de daarvoor gebezigde gronden over en maakt die tot de zijne.

7.2.

Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten

8. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, W.M.G. Visser en Chr.Th.P.M. Zandhuis in tegenwoordigheid van de griffier N. El Allaoui. De beslissing is op 24 februari 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.