Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:463

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-02-2015
Datum publicatie
24-03-2015
Zaaknummer
200.115.722-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is Early Bird programma (deels onderwijs in Engelse taal op basisschool) in strijd met de wet?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/253
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.115.722/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : 318762 / HA ZA 08-2781

arrest van 10 februari 2015

inzake

Stichting TAALVERDEDIGING,

gevestigd te Eindhoven,

appellante,

hierna te noemen: Stichting Taalverdediging,

advocaat: mr. P. Hoogenraad te Maassluis,

tegen

1. STICHTING BOOR,

gevestigd te Rotterdam,

2. GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

geïntimeerden,

hierna te noemen: Stichting Boor respectievelijk de Gemeente,

advocaat: mr. J. Bootsma te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 10 oktober 2012 is Stichting Taalverdediging in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen tussenvonnis van 24 november 2010 en het daarop volgende eindvonnis van 11 juli 2012. Bij memorie van grieven (met productie) heeft Stichting Taalverdediging vijf grieven tegen deze vonnissen aangevoerd. Bij memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel (met producties) hebben Stichting Boor en de Gemeente de grieven bestreden en in incidenteel appel zes grieven geformuleerd tegen voormelde vonnissen. Stichting Taalverdediging heeft deze grieven op haar beurt bestreden bij memorie van antwoord in incidenteel appel. Hierna hebben partijen op 8 januari 2015 de zaak door hun raadslieden doen bepleiten, elk aan de hand van pleitnotities, die aan het hof zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd en bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Partijen zijn niet opgekomen tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank onder 2. van het tussenvonnis van 24 november 2010, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1.

Stichting Taalverdediging is een stichting met volledige rechtsbevoegdheid. Haar doelstelling is neergelegd in haar statuten. Artikel 2 van de statuten van eiseres luidt:

De stichting heeft ten doel:

a. a) herstel en behoud van de Nederlandse taal;

b) verbetering van de positie van het Nederlands.

De stichting tracht haar doel onder meer te bereiken door het uitvoeren van activiteiten gericht op de verwezenlijking van de volgende doelstellingen:

(…)

8. Al het onderwijs in Nederland moet in het Nederlands gegeven worden.

(…).

1.2.

Stichting Boor is een door de gemeenteraad van de gemeente Rotterdam opgerichte stichting. Artikel 3.1 van de statuten van Stichting BOOR luidt:

De stichting heeft ten doel:

a. a) het ingevolge een besluit van de Raad dat scholen in stand worden gehouden door de stichting, uitoefenen van alle taken en bevoegdheden van het bevoegd gezag over die scholen in de zin van de onderwijswetgeving, met uitzondering van de besluitvorming over de opheffing van een school en verdere beperkingen van de onderwijswetgeving;

b) het doen geven van openbaar onderwijs conform de bepalingen van de daartoe strekkende voorschriften; alsmede

c) het bijdragen aan de realisatie van het Rotterdams Onderwijsbeleid (…).”

Stichting BOOR houdt onder meer 74 openbare scholen voor primair onderwijs in stand. Bedoelde scholen hebben geen eigen rechtspersoonlijkheid.

1.3.

De Wet op het Primair Onderwijs (hierna: “WPO”), geeft in titel II, afdeling I diverse voorschriften voor onder meer het openbaar (basis)onderwijs. Artikel 9 (inhoud onderwijs) van de WPO luidt, voor zover van belang in dit geding:

1. Het onderwijs omvat, waar mogelijk in samenhang:

a. zintuiglijke en lichamelijke oefening;

b. Nederlandse taal;

c. rekenen en wiskunde;

d. Engelse taal;

e. enkele kennisgebieden;

f. expressie-activiteiten;

g. bevordering van sociale redzaamheid, waaronder gedrag in het verkeer;

h. bevordering van gezond gedrag.

(…)

5. Ten aanzien van de onderwijsactiviteiten, genoemd in het eerste (….) lid, worden bij algemene maatregel van bestuur kerndoelen vastgesteld. (…)

9. Voor de school geldt de eis dat zij tenminste de kerndoelen bij haar onderwijsactiviteiten als aan het eind van het basisonderwijs te bereiken doelstellingen hanteert. Kerndoelen geven een beschrijving van kwaliteiten van leerlingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden. (…)

13. Het onderwijs wordt gegeven in het Nederlands. Daar waar naast de Nederlandse taal, de Friese taal of een streektaal in levend gebruik is, kan de Friese taal of de streektaal mede als voertaal bij het onderwijs worden gebruikt. Voor de opvang in en de aansluiting bij het Nederlandse onderwijs van leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond kan de taal van het land van oorsprong mede als voertaal bij het onderwijs worden gebruikt, overeenkomstig een door het bevoegd gezag vastgestelde gedragscode.

(…).

1.4.

De eerste volzin van het hierboven geciteerde lid 13 (“Het onderwijs wordt gegeven in het Nederlands”) is ten gevolge van de behandeling van het wetsvoorstel over het zogenaamde OALT-onderwijs (onderwijs in allochtone levende talen) in artikel 9 WPO terecht gekomen. Op 21 november 1997 heeft het VVD-kamerlid Cornielje een motie ingediend om aan lid 13 van artikel 9 lid 13 (toen nog lid 8) vorenbedoelde volzin toe te voegen. Cornielje heeft dit amendement als volgt toegelicht (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997, 25 176, nr. 29, p. 29-2279):

Voorzitter! Ik heb ook een amendement ingediend om Nederlands als voertaal te hanteren in het onderwijs. Het is een technisch amendement, omdat men op dit moment in het basisonderwijs al uitgaat van Nederlands als voertaal. Wij hebben toch gemeend – nu het onderwijs in eigen taal en cultuur uit het basisonderwijs, buiten het curriculum geplaatst wordt – dat wij hierover geen onduidelijkheid moeten laten bestaan. (….).

De staatssecretaris van Onderwijs (hierna: de staatssecretaris) heeft hierop te kennen gegeven het amendement te omarmen. Daarbij heeft zij onder meer opgemerkt dat in een deel van de onderwijstijd een andere voertaal, zoals het Fries of het Engels, wordt gebruikt, dat het tweetalig onderwijs buitengewoon populair is de laatste tijd en dat zij ervan uitgaat dat de heer Cornielje van mening is dat dit mogelijk moet blijven (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997, 25 176, nr. 29, p. 29-2297). Cornielje heeft hier instemmend op gereageerd (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997, 25 176, nr 29, p. 29-2297-98):

Inderdaad, daarom heb ik mij gebaseerd op de tekst van de wat modernere wetten, zoals WHW en WEB. Daarin is ook ruimte voor het gebruik van andere talen, maar de hoofdtaal is het Nederlands.

Op een later moment tijdens de (hervatting van) de algemene beraadslaging heeft de staatssecretaris voorts onder meer het volgende opgemerkt (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997, 25 176, nr. 30, p. 30-2408):

De heer Cornielje sprak over de voertaal, waarover hem ook door anderen vragen zijn gesteld. Wanneer je de voertaal invoert in de Wet op het basisonderwijs, is dat de dominante taal in ons Nederlands onderwijs. Dat sluit niet uit dat je voor onderdelen van het programma bijvoorbeeld de moedertaal gebruikt. Ik denk aan de discussie van zojuist over de onderbouw. Je kunt ook tweetalig onderwijs introduceren. Dat is niet uitgesloten, maar niemand kan verzinnen dat er plotsklaps 25,5 uur per week onderwijs wordt gegeven in het Spaans.

1.5.

Sinds 2003 voert Stichting BOOR een beleid (aanvankelijk in de vorm van een pilot) dat erop gericht is de kwaliteit van het openbaar onderwijs te versterken door het aanbieden van zogenaamd “natuurlijk” Engels op de door haar in stand gehouden basisscholen. Daartoe is Stichting BOOR in 2003 het EarlyBird programma gestart. Thans vindt participatie in het EarlyBird programma plaats op basis van een overeenkomst die Stichting BOOR aangaat met de scholen die zij in stand houdt. De scholen met wie Stichting Boor zo’n overeenkomst heeft gesloten (op dit moment 34 in totaal) zullen hierna worden aangeduid als: “EarlyBird scholen”.

1.6.

Het EarlyBird programma kent twee basismodellen. Het eerste model is gebaseerd op het principe van simultane taalverwerving. In dit model worden op basis van de per 1 december 2007 gesloten Early Bird-overeenkomst aan de groepen 1 en 2 gedurende drie à drie en een half uur activiteiten in het Engels aangeboden. In de groepen 3, 4 en 5 wordt het aantal uren teruggebracht. In de groepen 6, 7 en 8 wordt vervolgens het vak Engels aangeboden, waarbij activiteiten of andere vakken ook (deels) in het Engels worden onderwezen. In de laatstgenoemde groepen hebben de leerlingen gemiddeld twee à drie uur per week les in het Engels. Het tweede model gaat uit van het principe van successieve taalverwerving, hetgeen inhoudt dat leerlingen vanaf ongeveer 10 jaar de Engelse taal leren aan de hand van de eigen taal. In dit model wordt in de groepen (5), 6, 7 en 8 het vak Engels aangeboden, waarbij activiteiten of andere vakken ook (deels) in het Engels worden onderwezen. Over deze drie of vier jaren hebben de leerlingen van deze laatstgenoemde groep gemiddeld zes à negen uur per week les in het Engels, hetgeen neerkomt op gemiddeld in elk schooljaar twee à drie uur per week (onweersproken stelling van de Stichting Boor en de Gemeente; zie hun akte uitlating tussenvonnis en overlegging aanvullende producties onder punt 3).

1.7.

Een brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de Tweede Kamer d.d. 19 november 2008 luidt, voor zover thans van belang:

Om mee te kunnen komen in de internationale economie is het nodig dat de taalbeheersing van de Nederlanders op een hoger niveau wordt gebracht, zowel in aantal talen als het beheersingsniveau ervan. (…) Ik wil het (…) voor een beperkt aantal scholen voor het primair onderwijs mogelijk maken om te experimenteren met Engels als deelvoertaal voor maximaal 15 procent van de onderwijstijd. (…)

1.8.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft de Tweede Kamer bij brief van 6 oktober 2009 geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek dat de Inspectie van het Onderwijs heeft gedaan naar het Early Bird programma. De staatssecretaris vermeldt in deze brief:

(…) Uit het onderzoek van de Inspectie blijkt dat scholen die het EarlyBird concept hanteren (met ingang van het schooljaar 2009-2010 zijn dit in totaal 26 scholen) dit doen binnen de kaders van de Wet op het primair onderwijs. De Inspectie concludeert dit uit het feit dat het aantal uren Engels in het kader van het genoemde project relatief beperkt blijft op de deelnemende scholen. De Inspectie heeft geen aanwijzingen dat de betreffende scholen de verplichting om het Nederlands als voertaal te hanteren tijdens de Engelse les, geheel loslaten (…).

De conclusie van het bedoelde onderzoek luidt: “op de scholen die betrokken zijn bij dit onderzoek is de voertaal Nederlands. (…) de onderwijstijd die besteed wordt aan het Engels laat zich, volgens dit beperkte onderzoek, in het basisonderzoek lastig kwantificeren vanwege de grote diversiteit in didactische settings maar is in alle onderzochte gevallen niet meer dan drie uur per week..(…) Al met al komt de inspectie tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn dat de deelname aan het EarlyBird-project (…) in Rotterdam op enigerlei wijze botst met de wettelijke verplichting (WPO, artikel 9, lid 8) om het Nederlands als voertaal te hanteren tijdens het onderwijs. Dit baseert de inspectie op het feit dat het aantal uren waarin Engels gegeven wordt (…) relatief beperkt blijft op de deelnemende scholen. Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat de voertaal Nederlands geheel losgelaten wordt tijdens de Engelse lessen. Deze is en blijft immers nodig om de lesstof te doen beklijven voor de leerlingen, gezien hun leeftijd en vaardigheidsniveau.

2. Stichting Taalverdediging vordert in dit geding:

1) een verklaring voor recht dat het EarlyBird programma in het kader van primair onderwijs van Stichting Boor en de Gemeente, althans Stichting BOOR, en de overeenkomsten aangegaan op grond van dit programma in strijd zijn met het recht, in het bijzonder artikel 9 lid 8 [hof: thans lid 13] Wet op het Primair Onderwijs;

2) een verklaring voor recht dat Stichting Boor en de Gemeente, althans Stichting BOOR, gehandeld hebben/heeft c.q. handelen/handelt in strijd met de wet, in het bijzonder artikel 9 lid 8 [hof: thans lid 13] Wet op het Primair Onderwijs door:

primair: op haar basisscholen vakken of delen van vakken (onderwijs) en activiteiten anders dan het vak Engels in het Engels te doen aanbieden alsmede op haar basisscholen het vak Engels in de instructietaal Engels te doen geven;

subsidiair: op haar basisscholen vakken of delen van vakken (onderwijs) alsmede activiteiten anders dan het vak Engels in het Engels te doen aanbieden;

3) een verbod aan Stichting Boor en de Gemeente om het EarlyBird programma uit te - laten - voeren binnen het primair onderwijs op openbare basisscholen in Nederland;

4) een verbod aan Stichting Boor en de Gemeente om binnen het primair onderwijs:

primair: vakken of delen van vakken (onderwijs) en activiteiten anders dan het vak Engels in het Engels te doen aanbieden alsmede het vak Engels in de instructietaal Engels te doen geven;

subsidiair: vakken of delen van vakken (onderwijs) alsmede activiteiten anders dan het vak Engels in het Engels te doen aanbieden;

5) de veroordeling van Stichting Boor en de Gemeente in de kosten van het geding.

Volgens de Stichting Taalverdediging is het Early Bird-programma in strijd met de eerste volzin van lid 13 van artikel 9 (“Het onderwijs wordt gegeven in het Nederlands) en dus onrechtmatig.

3. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 24 november 2010 (onder meer) de ontvankelijkheidsverweren van Stichting Boor en de Gemeente verworpen en een comparitie van partijen gelast. Bij eindvonnis van 11 juli 2012 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat Stichting Boor en de Gemeente onrechtmatig handelen voor zover zij (blijven) toestaan dat Early Bird-scholen gedurende meer dan 15% van de onderwijstijd per jaar onderwijsactiviteiten aanbieden waarbij de voertaal Engels is.

4. Beide partijen hebben appel ingesteld.

5. Het hof laat om proceseconomische redenen in het midden of Stichting Taalverdediging kan worden ontvangen in haar vorderingen, respectievelijk of deze vorderingen ook jegens de Gemeente ontvankelijk zijn, nu, zoals uit het hiernavolgende zal blijken, de vorderingen hoe dan ook niet toewijsbaar zijn. Bij een bespreking van de incidentele grieven 1 en 2 hebben Stichting Boor en de Gemeente dan ook geen belang.

6. Daarmee komt het hof toe aan de inhoudelijke vraag of het Early Bird programma in strijd is met de bepaling in de eerste volzin van lid 13 van artikel 9 WPO. Stichting Taalverdediging stelt zich op het standpunt dat de formulering van deze volzin geen enkele ruimte laat voor het gebruik van een andere taal dan Nederlands als medevoertaal (behoudens de in het lid expliciet genoemde uitzonderingen (Fries en andere streektalen)). Het hof volgt Stichting Taalverdediging daarin niet.

7. Voorop staat dat bij de uitleg van een wettelijke bepaling, niet alleen de letterlijke tekst van de bepaling van belang is. De bepaling moet worden bezien in de context van de omringende bepalingen en de systematiek van de bewuste wet. Daarnaast is de wetsgeschiedenis van belang om te achterhalen wat de bedoeling van de wetgever is geweest.

8. Niet in geschil is dat binnen het basisonderwijs geen sprake is van afgescheiden vakken, maar van onderwijsactiviteiten, die, waar mogelijk, in samenhang met elkaar moeten worden gegeven (lid 1 van artikel 9 WPO, zie hierboven onder 1.3.). Evenmin is in geschil dat het onderwijs in de Engelse taal een verplichte onderwijsactiviteit is. Het hof acht het onmogelijk dat goed onderwijs wordt gegeven in de Engelse taal zonder gebruik van de Engelse taal. Artikel 9 WPO biedt, gelet op het voorgaande, dan ook de mogelijkheid om zowel bij de specifieke onderwijsactiviteit “Engelse taal” als bij andere onderwijsactiviteiten, zoals bijvoorbeeld gymles, gebruik te maken van de Engelse taal. De eerste volzin van lid 13 van dit artikel (“Het onderwijs wordt gegeven in het Nederlands”) staat daaraan niet in de weg. Dit oordeel vindt bovendien steun in de wetsgeschiedenis (zie hierboven onder 1.4.), waaruit blijkt dat de bepaling dat het onderwijs wordt gegeven in het Nederlands “ook ruimte [laat] voor het gebruik van andere talen, maar [dat] de hoofdtaal (..) het Nederlands [is]” (aldus kamerlid Cornielje), respectievelijk dat de invoering van Nederlands als voertaal betekent dat Nederlands de “dominante taal” in het Nederlands onderwijs is, maar dat dit niet uitsluit “dat je voor onderdelen van het programma bijvoorbeeld de moedertaal gebruikt” (aldus de toenmalige staatssecretaris).

9. Uiteraard is op enig moment sprake van een omslagpunt, als dusdanig veel gebruik wordt gemaakt van de Engelse taal dat niet langer wordt voldaan aan de bepaling in de eerste volzin van lid 13 (met blijkens het voorgaande als strekking dat het Nederlands de dominante lestaal is). Gelet op enerzijds de vrij grote mate van vrijheid die de basisscholen hebben bij de invulling van het onderwijsprogramma en anderzijds het feit dat de wetgever een specifiek orgaan in het leven heeft geroepen om toe te zien op de kwaliteit van het onderwijs (de Inspectie), is een terughoudende opstelling van de rechter gepast bij de beantwoording van de vraag waar dat omslagpunt ligt. In dit geding kan dit verder in het midden blijven, omdat daargelaten hoeveel uur precies op de Early Bird-scholen in de Engelse taal wordt gecommuniceerd, op basis van de stukken (waaronder de informatie over het door de Inspectie uitgevoerde onderzoek, zie hierboven onder 1.8.) kan worden aangenomen dat het Early Bird-programma ver verwijderd is van dat omslagpunt. Stichting Taalverdediging heeft ook niet (voldoende) onderbouwd dat op de Early Bird-scholen dit omslagpunt is bereikt. Zij komt niet verder dan hooguit 4 uur per week Engelse taal.

10. De conclusie is dat het Early Bird-programma past binnen de kaders van artikel 9 WPO en daarmee niet in strijd is.

11. Het voorgaande betekent dat de principale grief 2 faalt en dat de incidentele grieven 3, 4 en 6 (in elk geval deels) slagen. Aan een bespreking van het hierboven onder 1.7. bedoelde experiment wordt niet toegekomen, zodat de principale grieven 1, 3 en 4 geen behandeling behoeven. Evenmin wordt toegekomen aan de vraag of het gevorderde verbod te verstrekkend is (principale grief 5). Bij een behandeling van de incidentele grief 5 (gericht tegen het oordeel dat op sommige Early Bird scholen meer dan 15% (hetgeen neerkomt op 3 à 3,5 uur per week) van de onderwijstijd in het Engels wordt lesgegeven) hebben Stichting Boor en de Gemeente bij deze stand van zaken geen belang. Het hof gaat er immers van uit dat niet meer dan 4 uur per week les wordt gegeven in het Engels en dat dit in ieder geval toelaatbaar is (zie hierboven onder 9.).

12. Nu het tussenvonnis geen voor executie vatbare beslissingen bevat, zal het hof dienaangaande niets in het dictum opnemen. Het bestreden eindvonnis zal worden vernietigd. Opnieuw rechtdoende zal het hof de vorderingen van Stichting Taalverdediging alsnog integraal afwijzen. Bij deze uitkomst past dat Stichting Taalverdediging in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger wordt veroordeeld, waaronder begrepen de (nog te maken) nakosten (waarvoor onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft (ECLI:NL:HR:2010: BL1116)). Ingevolge artikel 237, derde lid, Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten. Conform de vordering van Stichting Boor en de Gemeente zal worden bepaald dat Stichting Taalverdediging over deze proceskosten wettelijke rente verschuldigd is met ingang van veertien dagen na de datum van dit arrest en zal de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het eindvonnis van 11 juli 2012,

en, opnieuw rechtdoende:

- wijst de vorderingen van Stichting Taalverdediging af;

- veroordeelt Stichting Taalverdediging in de proceskosten van Stichting Boor en de Gemeente, in eerste aanleg tot aan 11 juli 2012 begroot op € 254,-- aan griffierecht en € 1808,- aan salaris advocaat en in hoger beroep tot op heden begroot op € 666,- aan griffierecht en € 2.682,- aan salaris voor de advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, M.A.F. Tan-de Sonnaville en E.M. Dousma-Valk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2015 in aanwezigheid van de griffier.