Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:437

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-02-2015
Datum publicatie
03-03-2015
Zaaknummer
200.143.990/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot opheffing van gelegde executoriale beslagen en verbod opnieuw beslag te leggen. Uitleg eerdere rechterlijke beslissingen: omvang van een gebod tot het verschaffen van informatie. Is voldaan aan veroordeling eerder vonnis tot medewerken aan het voltooien van een boedelbeschrijving. Onmogelijkheid om aan de veroordelingen te voldoen. Dwangsomveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.143.990/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : C/10/441916/KG ZA 14-2

arrest d.d. 17 februari 2015

inzake

1. [Broer A],

wonende te [woonplaats],

2. [Broer B],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: [Broer A] en [Broer B],

advocaat: mr. M. Littooij te Breda,

tegen

[Zus] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [Zus],

advocaat: mr. Y. Ooykaas te Rotterdam.

Het geding

[Broer A] en [Broer B] zijn bij exploot van 3 maart 2014 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2014, gewezen tussen [Broer A] en [Broer B] als eisers en [Zus] als gedaagde, hierna: het bestreden vonnis.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis daarover heeft vermeld.

Ter rolzitting van 24 juni 2014 hebben [Broer A] en [Broer B] een memorie van grieven, tevens wijziging/vermeerdering van eis ingediend. Daarbij zijn 13 producties overgelegd.

[Zus] heeft ter rolzitting van 22 juli 2014 een memorie van antwoord ingediend. Daarbij zijn 2 producties overgelegd.

Ter rolzitting van 2 september 2014 hebben [Broer A] en [Broer B] een akte ingediend, met bijgevoegd 2 producties.

Ter rolzitting van 7 oktober 2014 heeft [Zus] een - na een beslissing van de rolraadsheer ingekorte - antwoordakte ingediend.

Partijen hebben hun procesdossier overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen de feiten, met uitzondering van het in het bestreden vonnis onder 2.2 vastgestelde feit, is niet opgekomen zodat het hof van deze feiten zal uitgaan.

2. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [Broer A] en [Broer B] afgewezen. [Broer A] en [Broer B] zijn veroordeeld in de proceskosten van [Zus]. De vorderingen van [Broer A] en [Broer B] in eerste aanleg strekten – samengevat – ertoe de door [Zus] ten laste van [Broer A] en [Broer B] gelegde executoriale beslagen te doen opheffen; een verbod aan [Zus] om opnieuw executoriaal beslag te doen leggen ten laste van [Broer A] en [Broer B], op straffe van verbeurte van een dwangsom en tot opheffing van de aan [Broer A] en [Broer B] bij het vonnis in kort geding van 13 december 2011 opgelegde dwangsommen, althans tot opschorting daarvan, totdat de boedelnotaris duidelijk heeft gemaakt welke gegevens nog door [Broer A] en [Broer B] moeten worden aangeleverd.

3. [Broer A] en [Broer B] vorderen – kort weergegeven - dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en:

1) de op 6 maart, 2 april en 27 april 2012 gelegde executoriale beslagen ter incasso van dwangsommen zal opheffen;

2) [Zus] zal verbieden op basis van dezelfde feiten en omstandigheden opnieuw beslag te leggen op straffe van een dwangsom;

3) de aan [Broer A] en [Broer B] in het vonnis van 13 december 2011 opgelegde dwangsommen onder 5.1 en 5.2 in dit vonnis zal opheffen per 20 december 2011, althans deze zal schorsen vanaf 20 december 2011 tot de boedelnotaris duidelijk zal hebben gemaakt welke gegevens nog ontbreken en tot 1 dag nadat een gesprek zal hebben plaatsgevonden met de boedelnotaris waarin de mogelijkheden voor verdere afwikkeling van de boedel zullen zijn besproken, voorts de dwangsom te matigen en aan een maximum te verbinden;

4) de dwangsom onder 5.3 in genoemd vonnis aan [Broer A] en [Broer B] opgelegd zal opheffen per 20 december 2011, althans deze zal schorsen, alsmede dan wel althans de dwangsom te matigen en aan een maximum te verbinden;

5) de dwangsom, opgelegd aan [Broer A] in het vonnis van 13 december 2011 onder 5.4 van het dictum op te heffen per 20 december 2011, althans te schorsen vanaf 20 december 2011, alsmede c.q. althans de dwangsom te matigen en aan een maximum te verbinden;

6) te bepalen dat voor de verdere vereffening van de nalatenschap geldt dat [Broer A] aan de nalatenschap verschuldigd is de huurpenningen die hij dient te betalen op basis van de tussen [Broer A] en erflaatster gesloten huurovereenkomsten vanaf de datum van het openvallen van de nalatenschap tot aan de verdeling van de nalatenschap, behoudens voor zover bewijs van die huurbetalingen voor of op 20 december 2011 aan de boedelnotaris is verstrekt;

7) te bepalen dat aan [Broer A] bij de verdere verdeling van de nalatenschap geen beroep toekomt op verrekening van de posten genoemd in 4.5, 4.6 en 4.7 van het vonnis van 6 april 2011, voor zover de boedelnotaris de op 20 december 2011 aan haar verstrekte stukken, ondanks nadere mondelinge uitleg en toelichting, ontoereikend acht om aan [Broer A] een beroep op verrekening toe te staan;

8) [Zus] te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties, daaronder begrepen de nakosten zoals omschreven in artikel 237 lid 4 Rv, met het verzoek om voor die kosten een bevelschrift af te geven.

4. [Zus] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [Broer A] en [Broer B] in hun appel, althans tot ontzegging aan [Broer A] en [Broer B] van hun vorderingen, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en tot veroordeling van [Broer A] en [Broer B] in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten ad € 8.500, - voor de procedure in eerste aanleg en € 12.000,- voor de procedure in appel.

Houdt het rechterlijk gebod informatie over de door [Broer A] en [Broer B] te betalen dan wel de door hen (te) ontvangen huurpenningen in?

5. In hun eerste grief voeren [Broer A] en [Broer B] aan dat ten onrechte als feit is vastgesteld dat [Broer A] en [Broer B] zijn veroordeeld om middels bankafschriften informatie te verstrekken aan de boedelnotaris omtrent de door [Broer A] en [Broer B] ontvangen huurpenningen. Eveneens ten onrechte is overwogen dat [Broer A] en [Broer B] verplicht waren om inzage te geven in de door hen ontvangen huurpenningen en [Broer A] en [Broer B] op dit onderdeel niet hebben geappelleerd, zodat dit oordeel van de rechtbank stand heeft gehouden. [Broer A] en [Broer B] voeren ter toelichting het volgende aan. Zij hebben, deels bebouwde, percelen grond van hun moeder gehuurd en deze onderverhuurd aan derden. De inkomsten komen aan hen toe en vallen niet in de nalatenschap. Er is dan ook geen aanleiding om door het overleggen van bankafschriften daarover verantwoording af te leggen; dit is voor de afwikkeling van de nalatenschap irrelevant. In het vonnis van 6 april 2011 valt deze verplichting niet te lezen; hierin is alleen vermeld dat [Broer A] en [Broer B] informatie moeten verstrekken omtrent de ontvangen huurpenningen. Dit kan alleen betrekking hebben op de door [Broer A] en [Broer B] als huurders aan de nalatenschap verschuldigde huurpenningen. Zij hebben gedurende een aantal jaren immers handelingen verricht op basis van een volmacht van (onder anderen) [Zus] tot afwikkeling van de nalatenschap. [Broer A] en [Broer B] verwijzen daartoe mede naar een proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 20 september 2010. Met geen woord is gerept over de huurpenningen die [Broer A] en/of [Broer B] als onderverhuurders zouden ontvangen. [Broer A] en [Broer B] hoefden dan ook geen grief te richten tegen de veroordeling inzage te geven in de door hen ontvangen huurpenningen.

6. [Zus] stelt dat van meet af aan duidelijk is geweest dat zij duidelijkheid wil over de huurpenningen die [Broer A] en [Broer B] innen ten behoeve van de boedel. Dit volgt uit de dagvaarding van 23 februari 2005. Door [Zus] wordt betwist dat de gelden die [Broer A] en [Broer B] incasseren niet tot de boedel behoren. Het onroerend goed waarop de huurcontracten betrekking hebben behoort tot de onverdeelde nalatenschap. Nu er geen recht van opstal is gevestigd komen de vorderingen uit de (onder)huurovereenkomsten volledig toe aan de onverdeelde boedel. Als de interpretatie van [Broer A] en [Broer B] zou worden gevolgd zou de veroordeling volstrekt onzinnig zijn geweest. [Zus] verwijst – onder meer – naar rechtsoverweging 3.2.1 van het vonnis van de rechtbank van 6 april 2011. Verder verwijst zij naar het vonnis in kort geding van 13 december 2011, waarbij een dwangsom is verbonden aan het door [Broer A] en [Broer B] door middel van bankafschriften verstrekken van informatie aan de boedelnotaris omtrent de ontvangen huurpenningen van de onroerende zaken in de nalatenschap.

7. Het hof stelt het volgende voorop. Een in het dictum van een rechterlijk vonnis uitgesproken veroordeling moet worden gelezen in het licht van en met inachtneming van de overwegingen die tot het dictum hebben geleid. Het hof overweegt daartoe als volgt.

8. [Zus] heeft in de inleidende dagvaarding d.d. 23 februari 2005 aangevoerd (onder 15 van de dagvaarding) dat [Broer A] en [Broer B] gelden die toekomen aan de nalatenschap (onder andere de huurpenningen die de huurders betaalden en betalen voor het gebruik van de aan erflaatster toekomende onroerende zaken) in privé innen. Zij heeft de verdeling van de nalatenschap gevorderd.

9. Bij (tweede) tussenvonnis van 21 juli 2010 is een comparitie van partijen bepaald. Op die zitting zijn afspraken gemaakt over de door partijen nog te verstrekken inlichtingen en over te leggen stukken. Tot de stukken die [Broer A] en [Broer B] nog zouden overleggen behoorden – onder meer – de door [Broer A] te betalen (cursivering hof) huurpenningen vanaf 17 november 2000 tot 31 december 2010, aangevuld met de huur vanaf 1 januari 2011 tot einde procedure.

10. [Broer A] en [Broer B] hebben vervolgens bij akte stukken in het geding gebracht en [Zus] heeft daarop bij antwoordakte gereageerd.

11. In haar vonnis van 6 april 2011 overweegt de rechtbank dat er verschil van mening is over de ontvangen huurpenningen en de lasten welke door [Broer A] ten behoeve van de verhuurde panden zijn betaald. In rechtsoverweging 3.2.1 van dit vonnis overweegt de rechtbank dat zij kennis heeft genomen van de omvangrijke verzameling nota’s en andere bescheiden in ordners en ringmappen waaruit zou moeten blijken hetgeen [Broer A] aan gemeentelijke belastingen, verzekeringen en andere lasten ten behoeve van de verhuurde panden, dan wel ten behoeve van het beheer van de bestanddelen van de nalatenschap zou hebben betaald, dan wel aan huurpenningen zou hebben ontvangen (cursivering hof). In 4.1 overweegt de rechtbank vervolgens dat zij tussen de overgelegde bescheiden geen enkel bankafschrift heeft aangetroffen waaruit het betalingsverkeer van de ontvangen (cursivering hof) huurpenningen blijkt. De rechtbank stelt vervolgens vast dat er geen sprake is van een deugdelijk afleggen van rekening en verantwoording. [Broer A] en [Broer B] worden veroordeeld om door bankafschriften informatie te verstrekken aan de boedelnotaris omtrent de ontvangen huurpenningen.

12. In het vonnis in kort geding van 13 december 2011 heeft de voorzieningenrechter (r.o 4.5) het volgende overwogen. Vast staat dat [Broer A] en [Broer B] geen informatie hebben verstrekt aan de notaris omtrent de ontvangen huurpenningen. [Broer A]’s verweer – dat [Zus] geen belang meer heeft bij haar vorderingen omdat de huurpenningen met terugwerkende kracht als vruchten van het legaat aan [Broer A] toekomen – faalt. Dat de huurpenningen nooit op een boedelrekening zijn gestort ontslaat [Broer A] niet van de verplichting om inzage te geven, aldus de voorzieningenrechter. De vordering van [Zus]: ‘te bepalen dat indien [Broer A] en/of [Broer B] niet binnen 7 dagen na betekening van het vonnis middels bankafschriften informatie zullen verstrekken aan de notaris omtrent de ontvangen huurpenningen in de nalatenschap op straffe van een dwangsom, zal worden toegewezen. De voorzieningenrechter wijst in het dictum (onder 5.3) vervolgens de vordering toe.

12. Het hof kan uit het vonnis van 6 april 2011 niet anders afleiden dan dat de door [Broer A] en [Broer B] over te leggen informatie de huurpenningen die zij ontvangen/innen van huurders, betreft. Immers, [Broer A] en [Broer B] hadden al informatie overgelegd over de door hen te betalen huurpenningen. Duidelijk volgt uit dit vonnis dat het om door [Broer A] en [Broer B] te ontvangen huurpenningen gaat. Dit volgt voorts eens te meer uit het vonnis van 13 december 2011 bij welk vonnis de dwangsom is opgelegd. In dat verband is het verweer van [Broer A], dat hij die informatie niet zou hoeven te verstrekken, besproken en verworpen. Het was [Broer A] en [Broer B] dan ook eveneens duidelijk dat het om de door hen te ontvangen huurpenningen ging en gaat. De slotsom is dan ook dat de veroordeling tot het verschaffen van informatie de door [Broer A] en [Broer B] (te) ontvangen huurpenningen betreft. Het hof heeft bij arrest van 16 juli 2013 de vonnissen van de rechtbank van 18 november 2009 en 6 april 2011 bekrachtigd. Dat daarin geen oordeel zou zijn gegeven over de vraag of de onderhuur bij de nalatenschap moet worden betrokken, zal gelegen zijn in de omstandigheid dat [Broer A] en [Broer B] daarover geen oordeel hebben gevraagd aan het hof. Daarmee heeft het oordeel hieromtrent van de rechtbank kracht van gewijsde verkregen. De eerste grief faalt daarom.

14. Tevens wordt met het vorenoverwogene de zesde grief gepasseerd. Het gaat immers niet om het voldoen van een schuld uit de nalatenschap.

Hebben [Broer A] en [Broer B] voldaan aan de veroordelingen in het vonnis van 6 april 2011, aan welke veroordelingen bij vonnis van 13 december 2011 een dwangsom is verbonden?

15. In de tweede, derde vierde, vijfde en zevende grief stellen [Broer A] en [Broer B] dat de voorzieningenrechter ten onrechte vooralsnog voldoende aannemelijk acht dat [Broer A] en [Broer B] niet adequaat hebben voldaan aan de veroordeling van de rechtbank om schriftelijke bescheiden aan de boedelnotaris te doen toekomen waarmee een boedelbeschrijving kan worden gemaakt. De voorzieningenrechter baseert dit oordeel ten onrechte op de overwegingen onder 4.4 tot en met 4.9 van het vonnis, nu hetgeen daarin gesteld is feitelijk onjuist is, respectievelijk niet als juridische grondslag voor het aangevallen oordeel kan dienen.

16. In het dictum van het vonnis van 13 december 2011 is een dwangsom verbonden aan de veroordelingen in het vonnis van 6 april 2011 tot:

- het verlenen van medewerking om de reeds eerder aangevangen boedelbeschrijving te voltooien (5.1 en 5.2);

- het door middel van bankafschriften verstrekken van informatie over de ontvangen huurpenningen (5.3);

- het deugdelijk onderbouwen van de kosten genoemd in 4.5, 4.6 en 4.7 van het vonnis van 6 april 2011 ten overstaan van de benoemde boedelnotaris.

17. Het hof overweegt dat, voor zover [Broer A] en [Broer B] betogen dat de voorzieningenrechter een onjuist oordeel zou hebben gegeven in het vonnis van 13 december 2011, dit betoog moet worden gepasseerd. [Broer A] en [Broer B] hebben tegen dit vonnis geen hoger beroep ingesteld. Terecht heeft de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis overwogen dat ten aanzien van de vordering tot opheffing van de executoriale beslagen sprake is van een executiegeschil. De executierechter heeft niet tot taak de door de dwangsomrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen. Hij dient zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling (zoals die door uitleg moet worden vastgesteld). Daarbij moeten doel en strekking van de veroordeling tot richtsnoer worden genomen, aldus dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel.

18. Vervolgens is de vraag aan de orde of [Broer A] en [Broer B] aan de veroordelingen dan wel een of meer van de veroordelingen hebben voldaan. Het is daarbij aan [Broer A] en [Broer B] om te stellen welke handelingen zij ter uitvoering van het veroordelend vonnis hebben verricht. Het hof passeert hiermee de tiende grief van [Broer A] en [Broer B], die inhoudt dat het [Zus] is die moet bewijzen dat de veroordeling waarop een dwangsom is gesteld, niet is nagekomen.

19. Ten aanzien van de veroordeling tot het door middel van bankafschriften verstrekken van informatie over ontvangen huurpenningen staat naar het oordeel van het hof vast dat daaraan niet is voldaan, reeds omdat [Broer A] en [Broer B] zich nu op het standpunt stellen dat de veroordeling niet de door hen ontvangen huurpenningen zou betreffen. Dat dit standpunt nu ten onrechte wordt ingenomen, heeft het hof reeds besproken in de rechtsoverwegingen 7 tot en met 13.

20. Ten aanzien van het deugdelijk onderbouwen van de kosten, genoemd in 4.5 en 4.6 van het vonnis van 6 april 2011 heeft de rechtbank in dat vonnis overwogen (rechtsoverweging 4.7) dat deze posten onder voorwaarde van een deugdelijke onderbouwing, dat het maken van die kosten noodzakelijk was voor behoud van het onroerend goed, opnieuw dienen te worden onderzocht. Tegen het aan de veroordeling tot het overleggen van stukken verbonden dwangsom ten laste van [Broer A] heeft [Broer A] geen hoger beroep ingesteld. Vast staat dan ook dat hij een dwangsom verbeurt indien hij niet aan die veroordeling voldoet. [Broer A] stelt dat hij alle stukken ter zake van deze kosten heeft overgelegd en niet beschikt over andere stukken (punt 41 memorie van grieven). Het hof kan niet vaststellen of dit het geval is. [Broer A] en [Broer B] stellen weliswaar (punt 41 memorie van grieven) dat zij op 20 december 2011 de stukken hebben overgelegd die zij eerder ook aan de rechtbank hadden verstrekt, aangevuld met enkele aanvullende stukken, maar deze stelling is niet onderbouwd en door de wederpartij betwist. Welke aanvullende stukken nog zouden zijn overgelegd is niet weergegeven. Vast staat, ingevolge het vonnis van 6 april 2011, dat de rechtbank de tot dan toe overgelegde stukken onvoldoende heeft bevonden en daarom een veroordeling tot het overleggen van stukken heeft gegeven. Het hof gaat aan dit betoog daarom voorbij.

21. Ten aanzien van het verlenen van medewerking de boedelbeschrijving te voltooien overweegt het hof als volgt. Het gebod hiertoe is algemener van aard. Daarvoor geldt dat de draagwijdte van dit gebod beperkt is tot handelingen waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat die, mede gelet op de gronden waarop het gebod is gegeven, inbreuken opleveren op datgene wat de rechter heeft geboden.

De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de stukken die [Broer A] en [Broer B] na de comparitie van partijen hadden overgelegd, onvoldoende waren om tot een verdeling van de nalatenschap te komen. Niet dan wel onvoldoende weersproken is dat de door [Broer A] en [Broer B] in december 2011 overgelegde stukken dezelfde waren, als die welke de rechtbank als onvoldoende had bestempeld. Uit het vonnis van 6 april 2011 volgt dat inzage in de door [Broer A] en [Broer B] ontvangen huurpenningen van belang is en dient te volgen. De boedelnotaris heeft verzocht om stukken over de onderverhuurverhouding; dit zijn stukken die [Broer A] en [Broer B] weigeren over te leggen, omdat zij van mening zijn dat die niet van belang zijn. Partijen verschillen daarover echter van mening en dit moet [Broer A] en [Broer B], gelet op de stellingen van [Zus], volkomen duidelijk zijn geweest. Door het overleggen van de stukken daaromtrent kan daarover een oordeel worden gevormd, hetgeen zonder kennisname van die stukken niet mogelijk is. Dat van meet af aan voor [Broer A] en [Broer B] kenbaar is geweest dat deze stukken van belang zijn, volgt uit de inleidende dagvaarding van – onder anderen – [Zus], waarin zij daar melding van maakt. Eveneens volgt dit uit het vonnis van 13 december 2011; uit het vonnis blijkt dat de discussie daarover is gevoerd. Voorts volgt uit de brief van de boedelnotaris aan de erven van 30 juni 2014 met bijgevoegde concept boedelbeschrijving, volgens de notaris opgemaakt aan de hand van de (summierlijk) aangeleverde gegevens, dat er nog veel open plekken zijn. Gesteld noch gebleken is dat het aan andere erven dan [Broer A] en [Broer B] te wijten is dat de boedelbeschrijving nog altijd niet compleet is. Het hof concludeert dan ook dat niet is komen vast te staan dat [Broer A] en [Broer B] alle medewerking hebben verleend aan het voltooien van de boedelbeschrijving. Of [Broer A] inmiddels duidelijkheid heeft verschaft over de door hem uit de nalatenschap opgenomen en in de nalatenschap in te brengen lening kan verder in het midden blijven. De dwangsommen zijn dan ook terecht verbeurd. De tweede, derde, vierde, vijfde en zevende grief worden daarmee gepasseerd.

Verkeren [Broer A] en [Broer B] in de mogelijkheid aan de veroordelingen te voldoen?

22. [Broer A] en [Broer B] hebben vervolgens aangevoerd (achtste grief) in de onmogelijkheid te verkeren aan de veroordeling te voldoen. Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter miskend dat zich gronden als bedoeld in artikel 611d Rv voordoen. Zij stellen daartoe dat zij zich tijdig tot de boedelnotaris hebben gewend om mee te werken aan de boedelbeschrijving, dat zij tijdig alle beschikbare bankafschriften hebben overgelegd waaruit betaling van huur aan de nalatenschap blijkt en dat tijdig alle beschikbare onderbouwing van verrekenposten is verstrekt. Daarom is er duidelijk sprake van onmogelijkheid om (nader) aan de hoofdveroordelingen te voldoen, aldus [Broer A] en [Broer B].

23. Het hof stelt voorop dat artikel 611d Rv restrictief moet worden uitgelegd. Er dient niet een extra procedure te worden gecreëerd waarin geoordeeld wordt over de juistheid van de hoofdveroordeling. Het hof is van oordeel dat van onmogelijkheid, om aan de veroordelingen, zoals deze zijn weergegeven in het vonnis van de voorzieningenrechter van 13 december 2011 onder 5.1, 5.2 en 5.3, te voldoen niet is gebleken. Zoals uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt, hebben [Broer A] en [Broer B] niet hun volledige medewerking aan het opmaken van een boedelbeschrijving verleend. Zij hebben geweigerd om door de boedelnotaris verzochte stukken aan deze ter hand te stellen. Het hof gaat daarom aan het betoog van [Broer A] en [Broer B] voorbij ten aanzien van de onmogelijkheid om stukken over te leggen ten aanzien van de door hen ontvangen huurpenningen en de aan de boedelnotaris te verlenen medewerking. De dwangsommen worden dan ook niet opgeheven.

24. Uitsluitend ten aanzien van het overleggen van stukken van door [Broer A] gestelde, ten laste van de nalatenschap gemaakte, kosten, welke kosten hij wenst te verrekenen, overweegt het hof dat een voortduren van de dwangsom niet zinvol is, nu [Broer A] stelt niet meer stukken hieromtrent over te kunnen leggen. Het is in zijn belang de door hem gestelde kosten die hij verrekend wenst te zien, deugdelijk te documenteren. Aan de hand van de door hem tot heden aan de boedelnotaris overgelegde stukken zal nu moeten worden beoordeeld of een verrekening van kosten op zijn plaats is, zoals is gevorderd. De dwangsom ten aanzien van de onder 5.4 in het vonnis van de voorzieningenrechter van 13 december 2011 weergegeven verplichting van [Broer A] zal daarom worden opgeheven en wel met ingang van 10 januari 2014, zijnde de datum van de inleidende dagvaarding.

Opheffing beslagen

25. De negende grief, inhoudende dat ten onrechte de vordering tot opheffing van gelegde beslagen is afgewezen, wordt gepasseerd op grond van hetgeen hiervoor is overwogen.

Proceskosten eerste aanleg

26. In de elfde grief stellen [Broer A] en [Broer B] dat de voorzieningenrechter hen ten onrechte heeft veroordeeld in de proceskosten, omdat zij in het gelijk hadden moeten worden gesteld.

27. Het hof overweegt dat [Broer A] en [Broer B] terecht – althans voor het merendeel - in het ongelijk zijn gesteld en de proceskostenveroordeling dan ook terecht is uitgesproken. De vordering van [Zus], [Broer A] en [Broer B] te veroordelen in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten in eerste aanleg, wordt afgewezen. [Zus] heeft geen grief gericht tegen de beslissing van de voorzieningenrechter omtrent de proceskosten.

Bewijsaanbod

28. Aan het bewijsaanbod gaat het hof voorbij. In kort geding is geen plaats voor bewijslevering.

Slotsom; proceskosten in hoger beroep

29. De slotsom is dat alle grieven falen, met uitzondering van hetgeen vorenstaand onder 24 ten aanzien van de achtste grief is overwogen. De door [Broer A] en [Broer B] in punt 3 ingestelde vorderingen, weergegeven onder 5) en 7), zullen als na te melden worden toegewezen. Het bestreden vonnis zal dan ook gedeeltelijk worden vernietigd. Nu [Broer A] en [Broer B] grotendeels in het ongelijk worden gesteld zullen zij in de proceskosten worden veroordeeld. In het gedeeltelijk slagen van een grief ziet het hof echter aanleiding de proceskostenveroordeling te beperken tot een bedrag ter hoogte van het liquidatietarief en zal het door [Zus] meer gevorderde worden afgewezen.

Terzijde

30. Het hof merkt verder ten aanzien van hetgeen de voorzieningenrechter ‘ter instructie’ onder 4.11 in het bestreden vonnis heeft overwogen het volgende op. Het hof deelt het standpunt van de voorzieningenrechter dat, nu nog altijd diverse geschilpunten partijen verdeeld houden en de boedelnotaris daarom de boedelbeschrijving niet kan voltooien, het geraden voorkomt dat de rechter de verdeling van de nalatenschap vaststelt. De rechter kan ten aanzien van het al dan niet (gehouden zijn tot) overleggen van stukken de gevolgtrekking maken die hij geraden acht en de voortgang van de procedure bewaken.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis, voor zover daarbij de vordering van [Broer A] en [Broer B] tot opheffing van de dwangsom ten aanzien van de verrekenposten, waartoe [Broer A] onder 5.4 van het vonnis van de voorzieningenrechter van 13 december 2011 is veroordeeld is afgewezen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

heft de dwangsom, verbonden aan de veroordeling in het vonnis van 6 april 2011: de genoemde verrekenposten als bedoeld in overweging 4.7 deugdelijk te onderbouwen met inachtneming van het gestelde in de overwegingen 4.5 en 4.6, met ingang van 10 januari 2014 op;

bepaalt dat aan [Broer A] bij de verdere verdeling van de nalatenschap geen beroep toekomt op verrekening van de posten genoemd in 4.5, 4.6 en 4.7 van het vonnis van 6 april 2011, voor zover de aan de boedelnotaris de op 20 december 2011 verstrekte stukken, ondanks nadere mondelinge uitleg en toelichting, ontoereikend zullen worden bevonden om aan [Broer A] een beroep op verrekening toe te staan;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

veroordeelt [Broer A] en [Broer B] in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van [Zus] begroot op € 1.649, -, te weten € 308, - aan griffierecht en € 1.341, - aan salaris advocaat en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, A.H.N. Stollenwerck en C.M. Warnaar en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2015 in aanwezigheid van de griffier.