Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:403

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-02-2015
Datum publicatie
04-03-2015
Zaaknummer
BK-14-00415
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:4003, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil of de rechtbank bij de vaststelling van de hoogte van de proceskostenvergoeding voor de beroepsprocedure kon volstaan met een kostenvergoeding op basis van een wegingsfactor 0,25 (zeer licht) als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb), zoals de Ontvanger stelt en belanghebbende betwist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/473
V-N 2016/7.22.2
FutD 2015-0582
NTFR 2015/1144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-14/00415

Uitspraak van 24 februari 2015

in het geding tussen:

[X] te [Z] belanghebbende,

en

de ontvanger van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Ontvanger,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 maart 2014, nummer SGR 13/9328, betreffende de hierna onder 1.1 vermelde aan belanghebbende met dagtekening 21 mei 2013 gegeven beschikking.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Met dagtekening 21 mei 2013 heeft de Ontvanger belanghebbende aangemaand tot betaling van het openstaande bedrag van deze aanslag en heeft bij beschikking een bedrag van € 15 aan aanmaningskosten in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de in rekening gebrachte aanmaningskosten toegewezen en het bedrag aan aanmaningskosten teruggebracht tot nihil.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, de Ontvanger veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 243,80 en de Ontvanger opgedragen het betaalde griffierecht van € 44 aan belanghebbende te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 122. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 13 januari 2015 te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staat in hoger beroep het volgende vast:

3.1.

De Inspecteur heeft met dagtekening 21 maart 2013 aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2010 opgelegd naar een te betalen bedrag van € 715.

3.2.

Niettegenstaande belanghebbendes bezwaar tegen voormelde aanslag is met dagtekening 21 mei 2013 een aanmaning voor betaling van het openstaande bedrag van die aanslag gezonden, waarbij een bedrag van € 15 aan kosten in rekening is gebracht.

3.3.

Belanghebbende heeft op 23 mei 2013 bezwaar ingediend tegen de in rekening gebrachte aanmaningskosten. Belanghebbende heeft hierbij tevens verzocht om vergoeding van kosten voor verleende rechtsbijstand.

3.4.

Bij brief van 15 augustus 2013 heeft belanghebbende de Ontvanger erop gewezen dat hij niet binnen de wettelijke beslistermijn op het hiervoor in 3.3 vermelde bezwaar heeft beslist en een beroep gedaan op de dwangsomregeling.

3.5.

De Ontvanger heeft bij uitspraak op bezwaar de aanmaningskosten teruggebracht tot nihil. Tevens is aan belanghebbende, bij afzonderlijk gegeven beslissing, een dwangsom toegekend ten bedrage van € 1260. Aan belanghebbende is geen proceskostenvergoeding toegekend.

3.6.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar omdat geen proceskostenvergoeding was toegekend.

3.7.

De Ontvanger heeft nadat het beroep was ingesteld alsnog een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend ten bedrage van € 118.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil of de rechtbank bij de vaststelling van de hoogte van de proceskostenvergoeding voor de beroepsprocedure kon volstaan met een kostenvergoeding op basis van een wegingsfactor 0,25 (zeer licht) als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb), zoals de Ontvanger stelt en belanghebbende betwist.

4.2.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de uitspraak van de Rechtbank voor wat betreft de proceskostenvergoeding en tot toekenning van een proceskostenvergoeding voor de beroepsprocedure op basis van wegingsfactor 1. Belanghebbende heeft tevens verzocht om een proceskostenvergoeding voor de hoger beroepsprocedure.

5.2.

De Ontvanger heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft in haar uitspraak, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen:

"5. Omdat [de Ontvanger] geheel aan het beroep van [belanghebbende] is tegemoetgekomen, veroordeelt de rechtbank [de Ontvanger] in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 243,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 0,25). De rechtbank gaat uit van een wegingsfactor 0,25 omdat in beroep slechts de vergoeding van proceskosten voor de bezwaarfase in het geding was."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Onderdeel C1 van de Bijlage bij het Bpb onderscheidt voor de bepaling van het gewicht van een zaak vijf categorieën met een bijbehorende wegingsfactor, maar kent aan geen van die categorieën een bijzondere positie toe.

7.2.

De toelichting op het Bpb van 22 december 1993, Stb. 763 vermeldt op blz. 8-9:

"Het gewicht van een zaak wordt uitgedrukt in wegingsfactor C1, die varieert van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. Het gewicht van een zaak wordt bepaald door het – al dan niet in geld uit te drukken – belang en de ingewikkeldheid. Het is niet wenselijk om de rechter aan nadere criteria voor de bepaling van het gewicht te binden. (…) Het opnemen van factor C1 berust op de overweging dat enerzijds het met een gemachtigde voeren van bagatelprocedures niet moet worden aangemoedigd, en, anderzijds, dat de vergoeding evenredig dient te zijn met de prestatie van de gemachtigde."

7.3.

De toelichting op de wijziging van het Bpb van 25 februari 2002, Stb. 113 vermeldt op blz. 6:

"Het gewicht van de zaak kan nader tot uiting worden gebracht in de wegingsfactoren. Dit kan variëren van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. De uitkomst dient steeds in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener."

7.4.

In zijn arrest van 23 september 2011, nr. 10/04238, BNB 2011/265, ECLI:NL:HR:2011:BT2293, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat uit het hiervoor in 7.1 tot en met 7.3 vermelde volgt dat de beoordelende instantie zelfstandig – op grond van een eigen waardering – dient te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt.

7.5.

Belanghebbende heeft met betrekking tot de proceskosten in beroep gesteld dat de door de rechtbank gehanteerde wegingsfactor te laag is en heeft verzocht deze op 1 te stellen.

7.6.

Het Hof is van oordeel dat gelet op het feit dat in beroep uitsluitend de vergoeding van proceskosten in geschil is, er aanleiding is het gewicht van de zaak aan te merken als zeer licht en daarom de wegingsfactor te bepalen op 0,25. Het Hof acht deze uitkomst in overeenstemming met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de gemachtigde. Het Hof verenigt zich daarmee met de beslissing van de rechtbank een wegingsfactor 0,25 toe te passen.

Slotsom

7.7.

Gelet op het vorenstaande dient het hoger beroep van belanghebbende ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, W.M.G. Visser en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 24 februari 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.