Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:4007

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
28-03-2017
Zaaknummer
22/001418-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:3326, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft in een voertuig een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voorhanden gehad.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001418-15

Parketnummer: 09-152667-12

Datum uitspraak: 6 oktober 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 11 maart 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] (Turkije) op [dag] 1982,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 22 september 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 300,-, subsidiair 6 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 mei 2012 te Wassenaar (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een revolver, die qua vorm en/of afmetingen een nagenoeg sprekende gelijkenis vertoong met revolver(s) van diverse merken en modellen, zijnde (een) voorwerp(en) vermeld op lijst a of lijst b van de bij de Regeling Wapens en Munitie behorende bijlage I, voorhanden heeft gehad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Gevoerd verweer

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld zakelijk weergegeven - dat het bij de verdachte aangetroffen wapen geen wapen is in de zin van artikel 2, lid 1, categorie 1, onder 7° van de Wet wapens en munitie (WWM), zodat de verdachte van het hem ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het bij de verdachte aangetroffen wapen een speelgoedpistool was waarvan het bezit onder de toepasselijke regelgeving niet strafbaar is.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Artikel 2, lid 1, categorie I, aanhef en onder 7° en lid 4 van de WWM, geldend op zowel 29 mei 2012 als thans, luiden:

1. Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.

Categorie I

(…)

7°. andere door Onze Minister aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn.

(…)

4. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, onder categorie I, sub 7°, zijn geen wapens in de zin van deze wet voorwerpen die klaarblijkelijk zijn bestemd om als speelgoed te worden gebruikt en die redelijkerwijze niet geschikt kunnen worden geacht om daarmee personen ernstig lichamelijk letsel toe te brengen of om personen te bedreigen of af te dreigen.

Artikel 3, aanhef en onder a van de Regeling wapens en munitie (Rwm), geldend op 29 mei 2012 luidt:

Als voorwerpen van categorie I, onder 7°, die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, worden aangewezen:

a. voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen;

(…)

In de Toelichting op artikel 3 van de Rwm (Stcr. 27 november 2001, nr. 230) is vermeld dat de criteria vorm en afmetingen bepalend zijn voor de vraag of een voorwerp een gelijkenis vertoont met bestaande vuurwapens (…). Het voorwerp behoeft niet een gelijkenis te vertonen met één specifiek vuurwapen (…). Bepalend is of de voorwerpen gelijken op vuurwapens (…) in het algemeen en in zoverre voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn. De vorm moet voldoen aan die van vuurwapens (…) in het algemeen. De afmetingen moeten in het algemeen overeenkomen met de afmetingen van bestaande vuurwapens (…).

In het proces-verbaal met nummer [nummer] heeft een verbalisant, werkzaam als materiedeskundige wapens munitie en explosieven bij het Bureau Forensische Opsporing, ploeg Wapens, Explosieven en Narcotica van de politie Haaglanden verklaard dat het wapen voor wat betreft vorm en afmetingen een nagenoeg sprekende gelijkenis vertoont met revolvers van diverse merken en modellen. Voorts is in het proces-verbaal vermeld dat het wapen be- en afdreigingsgeschikt is. Het wapen kan derhalve worden aangemerkt als een voorwerp in de zin van artikel 2 lid 1, categorie I, sub 7 van de WWM, gelet op artikel 3 onder a van de Rwm.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie I onder 7° van de WWM voorhanden heeft gehad. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 29 mei 2012 te Wassenaar (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een revolver, die qua vorm en/of afmetingen een nagenoeg sprekende gelijkenis vertoong vertoont met revolver(s) van diverse merken en modellen, zijnde (een) voorwerp(en) vermeld op lijst a of lijst b van de bij de Regeling Wapens en Munitie behorende bijlage I, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft in een voertuig een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voorhanden gehad. Dergelijk bezit verdient bestraffing, nu dat onder burgers gevoelens van onveiligheid met zich mee brengt, temeer aangezien (imitatie)vuurwapens dikwijls worden gebruikt bij het plegen van strafbare feiten.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 september 2015.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. C.J. van der Wilt, mr. E. van Die en mr. A.H. de Wild, in bijzijn van de griffier mr. L.A.M. Karels.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 oktober 2015.

Mr. A.H. de Wild is buiten staat dit arrest te ondertekenen.