Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3993

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-02-2015
Datum publicatie
26-10-2016
Zaaknummer
200.135.495/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Internationaal privaatrecht. Internationale bevoegdheid; onbekende woonplaats verweerder; art. 5 sub 3 EEX-Verordening en thuiskopievergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

zaaknummer : 200.135.495/01

zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/428013 / HA ZA 12-1153

Arrest van 10 februari 2015

in de zaak van

[appellant],

volgens zijn opgave wonende te [woonplaats 1], Duitsland,

hierna te noemen: [appellant],

appellant,

advocaat: mr. H.S.A. Wijnands te Haarlem,

tegen

STICHTING DE THUISKOPIE,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Thuiskopie,

advocaat: mr. J.D. Holthuis te Amsterdam.

Het verloop van het geding

1. Bij exploot van 19 augustus 2013 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen incidenteel vonnis van de rechtbank Den Haag, team handel, van 12 juni 2013, voor zover gewezen tussen [appellant] als eiser in het bevoegdheidsincident en Thuiskopie als verweerster in dat incident. Bij memorie van grieven heeft [appellant] vier grieven tegen genoemd vonnis aangevoerd, die Thuiskopie bij memorie van antwoord heeft bestreden. Vervolgens hebben partijen op 6 november 2014 de zaak laten bepleiten door hun advocaten, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities. Op verzoek van het hof hebben partijen zich ter zitting uitgelaten over HvJ EU 18 juli 2013, nr. C-147/12, ECLI:EU:C:2013:490 (ÖFAB/Koot). Na afloop van de pleidooizitting hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

2. Het gaat in deze zaak, voor zover thans van belang, om het volgende.

2.1.

Thuiskopie heeft in eerste aanleg gevorderd, kort gezegd, [appellant] (i) te veroordelen tot betaling aan haar van € 16.000.000,- met rente, en (ii) te verbieden blanco informatiedragers in Nederland te importeren zonder opgave te doen aan Thuiskopie en/of zonder thuiskopievergoeding aan haar te betalen, op straffe van een dwangsom. Daartoe heeft zij gesteld dat [appellant] als enig bestuurder van de ondertussen ontbonden Duitse vennootschap Q-supply GmbH (hierna: Q-supply) persoonlijk aansprakelijk is voor de schade die Thuiskopie heeft geleden doordat deze vennootschap via de geheel op Nederland gerichte website www.bigdennis.com vanuit Duitsland jarenlang en op grote schaal blanco informatiedragers aan afnemers in Nederland verkocht zonder dat daarvan opgave is gedaan en thuiskopievergoeding is afgedragen.

2.2.

[appellant] heeft voor alle weren de internationale en de relatieve bevoegdheid van de rechtbank betwist.

2.3.

De rechtbank heeft zich in het bestreden vonnis bevoegd verklaard en om redenen van proceseconomie bepaald dat tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld van dit tussenvonnis.

3. In hoger beroep vordert [appellant] dat het hof het bestreden vonnis in het bevoegdheidsincident vernietigt en opnieuw rechtdoende de incidentele vorderingen van [appellant] tot onbevoegdverklaring toewijst, met veroordeling van Thuiskopie in de kosten van beide instanties.

4. Grieven A en B keren zich tegen het oordeel van de rechtbank dat zij internationaal bevoegd is op grond van art. 5 sub 3 EEX-Verordening (rechtsoverweging 4.2 van het bestreden vonnis); deze grieven lenen zich voor gezamenlijk behandeling. Grief C betreft de proceskostenveroordeling, grief D is een veeggrief.

Toepasselijkheid EEX-Verordening

5. In de eerste plaats rijst de vraag of de bevoegdheidsregels van Verordening (EG) nr. 44/2001 (hierna: de EEX-Verordening) in deze zaak van toepassing zijn. In materieel en temporeel opzicht is dat het geval.

5.1.

Ten aanzien van het formele toepassingsgebied rijst de vraag of [appellant] ten tijde van de inleidende dagvaarding op 28 juni 2012 woonplaats had in een EEX-staat (art. 2-4 EEX-Verordening).

5.2.

Volgens Thuiskopie was ten tijde van de inleidende dagvaarding onduidelijk waar [appellant] woonplaats had, en woonde hij in ieder geval niet (meer) in Duitsland. Het gerucht ging, aldus Thuiskopie, dat [appellant] een belangrijk deel van het jaar in Azië (Thailand) zou verblijven; vermoedelijk verbleef en woonde [appellant] voorts nog deels in Nederland. [appellant] heeft dit een en ander betwist; hij stelt dat hij ten tijde van inleidende dagvaarding in Duitsland woonde op het adres in [woonplaats 2] waar deze dagvaarding is betekend.

5.3.

Tussen partijen is in confesso dat [appellant] enige jaren vóór de inleidende dagvaarding is verhuisd vanuit Nederland naar [woonplaats 2] in Duitsland, dat de inleidende dagvaarding met succes is betekend aan het adres van [appellant] in [woonplaats 2], en dat [appellant] ten tijde van de inleidende dagvaarding aldaar ook stond ingeschreven. Dat lijkt er op te wijzen dat [appellant] ten tijde van de inleidende dagvaarding in Duitsland woonde. In dat geval zijn de bevoegdheidsregels van de EEX-Verordening ook in formeel opzicht van toepassing.

5.4.

Voor zover niet kan worden aangenomen dat [appellant] ten tijde van de inleidende dagvaarding in Duitsland woonde, overweegt het hof (i) dat Thuiskopie niet, althans (zeker in het licht van [appellant]’s betwisting) niet voldoende onderbouwd heeft gesteld dat [appellant] op dat moment in Nederland woonplaats had, (ii) dat zijn laatst bekende woonplaats zich in Duitsland bevond, en (iii) dat zijn woonplaats ten tijde van de inleidende dagvaarding als onbekend moet worden aangemerkt. Alsdan geldt dat toepassing van de nationale bevoegdheidsregels in plaats van de bevoegdheidsregels van de EEX-Verordening slechts mogelijk is indien de aangezochte rechter over afdoende aanwijzingen beschikt die de conclusie wettigen dat de verweerder, burger van de Europese Unie, daadwerkelijk buiten het grondgebied van de Europese Unie woont. Bij gebreke van dergelijke afdoende aanwijzingen dient de aangezochte rechter de bevoegdheidsregels van de EEX-Verordening toe te passen, HvJ EU 15 maart 2012, nr. C-292/10, ECLI:EU:C:2012:142 (G/Cornelius de Visser).

5.5.

In de onderhavige zaak beschikt het hof niet over afdoende aanwijzingen die de conclusie wettigen dat [appellant], die – naar Thuiskopie heeft gesteld en [appellant] heeft erkend – de Nederlandse nationaliteit heeft, daadwerkelijk buiten het grondgebied van de Europese Unie woonde ten tijde van de inleidende dagvaarding. Hetgeen Thuiskopie in dat verband naar voren heeft gebracht (een gerucht over Azië en een (zeker in het licht van [appellant]’s betwisting) onvoldoende onderbouwde stelling van-horen-zeggen daarover), is daartoe onvoldoende. Ook overigens zijn er in het procesdossier geen aanwijzingen die de conclusie wettigen dat [appellant] daadwerkelijk buiten het grondgebied van de Europese Unie woonde. Dat betekent dat ook voor zover [appellant]’s woonplaats als onbekend moet worden aangemerkt, de bevoegdheidsregels van de EEX-Verordening in formeel opzicht van toepassing zijn.

6. Uit het bovenstaande volgt dat de bevoegdheidsregels van de EEX-Verordening in deze zaak van toepassing zijn. De bevoegdheidsregels in art. 9, 10 en 767 Rv, die Thuiskopie ook heeft ingeroepen, komen dus niet in beeld.

Toepassing EEX-Verordening

7. De vorderingen van Thuiskopie zijn er op gericht om [appellant] als (enig) bestuurder van Q-supply aansprakelijk te stellen op de grond dat hij, kort gezegd, bewust heeft toegelaten en bewerkstelligd dat informatiedragers aan kopers in Nederland werden verkocht zonder daarvan opgave te doen en de verschuldigde thuiskopievergoeding af te dragen, dat hij heeft geweigerd, zelfs nadat Q-supply daartoe in rechte was veroordeeld, om opgave te doen en thuiskopievergoeding af te dragen, en dat hij voor Q-supply betalingsverplichtingen is aangegaan jegens Thuiskopie wetende dat Q-supply niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden, terwijl hij ook nog feitelijk leiding heeft gegeven aan het in art. 35c Auteurswet vermelde strafbaar feit. Dergelijke vorderingen vallen onder het bereik van art. 5 sub 3 EEX-Verordening, vgl. HvJ EG 27 september 1988, nr. C-189/87, ECLI:EU:C:1988:459 (Kalfelis) en HvJ EU 18 juli 2013, nr. C-147/12, ECLI:EU:C:2013:490 (ÖFAB/Koot).

8. Vervolgens rijst in het kader van art. 5 sub 3 de vraag waar de plaats is waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. In het eerdergenoemde ÖFAB/Koot-arrest overwoog het Hof van Justitie, ten aanzien van de in die zaak aan de orde zijnde bestuurdersaansprakelijkheid, dat art. 5 sub 3 aldus moet worden uitgelegd dat voor vorderingen die ertoe strekken een bestuurslid van een vennootschap aansprakelijk te stellen voor schulden van die vennootschap, die plaats zich bevindt in de plaats waarmee de door die vennootschap verrichte werkzaamheden en de financiële situatie met betrekking tot die werkzaamheden verband houden. In de onderhavige zaak brengt dat criterium (dus: de plaats waarmee de door de vennootschap verrichte werkzaamheden verband houden en de financiële situatie met betrekking tot die werkzaamheden) naar het oordeel van dit hof mee dat de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, in Nederland is gelegen, nu het gaat om het in Nederland importeren van informatiedragers zonder in Nederland opgave te doen en thuiskopievergoeding te betalen. Overigens was (de handel via) de geheel op Nederland gerichte website www.bigdennis.com – naar Thuiskopie onbetwist heeft gesteld – ook de enige werkzaamheid die Q-supply ontplooide.
De Nederlandse rechter is dus internationaal bevoegd om van de onderhavige vorderingen kennis te nemen. Grieven A en B falen dus.

9. Opmerking verdient dat art. 5 sub 3 niet alleen de internationale bevoegdheid van de rechter bepaalt, maar ook diens relatieve bevoegdheid. De vraag welke rechter binnen Nederland relatief bevoegd is, is in hoger beroep evenwel niet aan orde. De rechtbank heeft [appellant]’s verweer dat zij niet relatief bevoegd is, verworpen en heeft zich relatief bevoegd geacht op grond van art. 16g Auteurswet. Tegen dat oordeel is geen hogere voorziening toegelaten (art. 110 lid 3 Rv) en heeft [appellant] ook geen grief gericht.

10. Uit het vorenstaande volgt dat de grieven falen, zodat het bestreden vonnis voor zover in het bevoegdheidsincident gewezen, dient te worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De proceskostenveroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zoals door Thuiskopie gevorderd.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 juni 2013, voor zover in het bevoegdheidsincident gewezen;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Thuiskopie tot op heden begroot op € 4.961,- aan griffierechten en € 2.682,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.D. Kiers-Becking, S.J. Schaafsma en J.J. van der Helm, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2015 in aanwezigheid van de griffier.