Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3991

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
26-09-2016
Zaaknummer
200.175.833/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Beëindiging ouderlijk gezag na periode ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing in pleeggezin. Aanvaardbare termijn voor terugplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 25 november 2015

Zaaknummer : 200.175.833/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 15-1777

Zaaknummer rechtbank : C/10/479035

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. L.H.E.M. Berendse-de Gruijl te Rotterdam,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te [vestigingsplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. de Stichting Jeugdbescherming [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling;

2. de pleegouders van de hierna te noemen minderjarigen,

wonende op een bij de gecertificeerde instelling bekend adres,

hierna te noemen: de pleegouders.

Als degene wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, is aangemerkt:

[naam] ,

wonende te Rotterdam,

hierna te noemen: de vader.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 28 augustus 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 31 juli 2015 van de rechtbank Rotterdam.

De gecertificeerde instelling heeft op 25 september 2015 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 9 september 2015 een brief van 8 september 2015 met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlage.

De zaak is op 9 oktober 2015 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

 de moeder, bijgestaan door mr. R.W. de Gruijl;

 [naam] namens de raad;

 [naam] namens de gecertificeerde instelling;

 de vader;

 de pleegouders.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarigen beëindigd. Tot voogdes is benoemd de gecertificeerde instelling. De (ouders; het hof begrijpt:) moeder is veroordeeld aan de voogdes rekening en verantwoording te doen van het gevoerde bewind over het vermogen van de minderjarigen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

Uit de moeder zijn geboren:

  • -

    [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , en

  • -

    [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

(hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen).

De vader is de biologische vader van de minderjarigen.

Sinds 12 november 2012 verblijft [minderjarige] onafgebroken bij de pleegouders. [minderjarige] verblijft sinds 22 augustus 2013 bij hen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarigen.

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de raad strekkende tot beëindiging van moeder uit het ouderlijk gezag over de minderjarigen alsnog af te wijzen, dan wel – indien het hof zich op basis van het huidige verzoek van de raad onvoldoende voorgelicht acht – een nadere raadsrapportage te gelasten.

3. De moeder voert het volgende aan. Ten onrechte is overwogen dat ten aanzien van de minderjarigen de aanvaardbare termijn voor terugplaatsing is verstreken. Het uitwijktraject is grotendeels wel goed verlopen. Gedurende dit traject verbleven de minderjarigen twee a drie dagen per week thuis bij de grootmoeder moederszijde, de moeder en de vader. De betreffende gezinsbegeleider was maar één uur per dag aanwezig en had daardoor onvoldoende zicht op het verloop van de verzorging van de minderjarigen. De moeder heeft zich nooit kunnen vinden in de voortijdige beëindiging van het uitwijktraject. Nadat dit traject in februari 2014 is geëindigd, is er geen enkele andere vorm van hulpverlening ingezet om anderszins te werken aan terugkeer van de minderjarigen naar de moeder. Dit wijt de moeder mede aan de slechte verstandhouding met de jeugdbeschermer. Er is volgens de moeder nooit nader onderzoek verricht naar haar pedagogische vaardigheden. Er is niet gepoogd om de bezoekregeling zonder aanwezigheid van de vader te laten plaatsvinden om te bezien of de moeder in dat geval wel alle zorg en aandacht voor de minderjarigen zou hebben. De jeugdbeschermer heeft de moeder nooit bezocht op het nieuwe adres waar zij woont. De mogelijkheden van een gezinsopname of netwerkplaatsing bij de grootmoeder moederszijde zijn nooit onderzocht. Ook een overdracht van de gecertificeerde instelling naar de William Schrikker Jeugdbescherming is nooit overwogen, terwijl dit meer op de weg zou hebben gelegen gezien de intellectuele capaciteiten van de moeder en de vader. Er zijn nog diverse mogelijkheden om binnen een voor de minderjarigen aanvaardbare termijn te werken naar een thuisplaatsing van de minderjarigen. Het verzoek van de raad is prematuur. De moeder benadrukt dat zij voor alle soorten hulpverlening open staat. Dat het perspectief van de minderjarigen bij de pleegouders ligt, lijkt voor de moeder een vaststaand feit te zijn.

4. De raad heeft ter zitting verweer gevoerd. Er is volgens de raad voldoende hulpverlening ingezet om de uithuisplaatsing te voorkomen of terugplaatsing mogelijk te maken, maar de moeder heeft onvoldoende laten zien dat zij in staat is de verzorging en opvoeding van de minderjarigen ter hand te nemen. Zij was niet in staat om de minderjarigen de basale opvoeding te geven en sloot niet aan bij de minderjarigen. Omdat de minderjarigen al geruime tijd bij de pleegouders wonen, acht de raad het van belang dat zij en de ouders weten waar hun toekomstperspectief ligt. Gezien de hulpverleningsgeschiedenis in het gezin en de duur van de uithuisplaatsing van de minderjarigen, meent de raad dat de aanvaardbare termijn voor terugplaatsing is verstreken. De gecertificeerde instelling heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Naar de mening van de gecertificeerde instelling heeft de rechtbank terecht overwogen dat de aanvaardbare termijn voor terugplaatsing is verstreken op grond waarvan het gezag van de moeder over de minderjarigen is beëindigd. Het Uitwijktraject is een eenmalig traject. Gedurende het gehele traject is sprake geweest van een slecht verzorgde en zelfs vervuilde leefomgeving. De minderjarigen vertoonden allebei negatief gedrag na de bezoeken bij de ouders thuis. Naast het ontbreken van de basisvoorwaarden, is er geen verbetering merkbaar geweest in het contact tussen de moeder en de minderjarigen. De ouders hebben zich niet kunnen houden aan de voorwaarden en het Uitwijktraject is beëindigd. Een gezinsopname is door de gecertificeerde instelling nooit overwogen omdat gedurende het Uitwijktraject is gebleken dat zelfs niet kan worden voldaan aan basisvoorwaarden. Er is nooit een verzoek gedaan door de moeder om de minderjarigen in haar netwerk te plaatsen. De grootmoeder moederszijde toonde zich in het verleden onvoldoende betrouwbaar en nam de moeder in bescherming ten koste van het belang van de minderjarigen. De vader en de moeder kunnen de minderjarigen onvoldoende de veiligheid en stabiliteit bieden die zij nodig hebben. De moeder is onvoldoende affectief en responsief in haar handelen naar de minderjarigen. Daarnaast doet de moeder weinig tot niets met adviezen die zij krijgt. Na het Uitwijktraject hebben de minderjarigen zich goed hersteld.

5. Het hof stelt voorop dat de rechter ingevolge artikel 1:266 lid 1 BW het gezag van een ouder kan beëindigen, indien:

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

6. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden het gezag van de moeder over de minderjarigen heeft beëindigd. Het hof neemt de gronden over waarop de rechtbank heeft geoordeeld en beslist en maakt deze tot de zijne. Anders dan de moeder stelt, is in de onderhavige situatie wel degelijk de aanvaardbare termijn verstreken. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de beantwoording van de vraag wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, afhankelijk is van zijn leeftijd en ontwikkeling en dat voor jonge kinderen de aanvaardbare termijn over het algemeen korter zal zijn dan voor oudere. Naar het oordeel van het hof ziet de aanvaardbare termijn niet enkel op de periode na de uithuisplaatsing, maar kan dit eveneens zien op de periode daaraan voorafgaand. De minderjarigen zijn drie respectievelijk twee jaar oud. In de thuissituatie bij de moeder zijn diverse hulpverleningstrajecten vergeefs ingezet. Zo zijn het Uitwijktraject van oktober 2012 tot begin november 2012, en vervolgens Families First, ingezet. Medio april/mei 2013 is Beter Beschermd Plus, een intensieve vorm van ambulante begeleiding, ingezet. Op 3 oktober 2013 is het Uitwijktraject gestart. Gedurende dit traject is gebleken dat de moeder niet in staat is de randvoorwaarden te scheppen die noodzakelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen, die nog erg jong en kwetsbaar zijn. Zo was er sprake van onder meer een vervuilde woonsituatie en persoonlijke problematiek van de ouders. De moeder is onder meer chaotisch en impulsief. Daarnaast is zij onvoldoende in staat om aan te sluiten bij de minderjarigen en toont zij weinig affectie. De begeleide contacten bevestigen het beeld dat de moeder pedagogisch onmachtig is. Het is van belang voor de minderjarigen en de moeder dat duidelijkheid bestaat over hun opvoedingsperspectief. Dat ligt niet langer bij de moeder, maar bij de pleegouders. De minderjarigen ontwikkelen zich daar goed en zijn gehecht aan de pleegouders. Het is op dit moment niet meer verantwoord om te werken aan een terugplaatsing. De gezagsbeëindiging is dan ook terecht uitgesproken.

7. Gelet op het vorenstaande bekrachtigt het hof de bestreden beschikking.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

draagt de griffier van het hof op onverwijld van deze beslissing mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank Rotterdam;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E. Sutorius-van Hees, C.M. Warnaar en R.G. Kok, bijgestaan door mr. M.J. de Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2015.