Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3934

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
13-06-2016
Zaaknummer
200.155.444/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1139, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijksvermogensregime Marokkaans recht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 3 juni 2015

Zaaknummer : 200.155.444/01

Rekestnummers rechtbank : F1 RK 12-3919 en FA RK 13-3785

Zaaknummers rechtbank : C/10/412221 en C/10/424240

[De vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.C. Heijmann te Rotterdam,

tegen

[De man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. N. Stolk te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 5 september 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 12 juni 2014 van de rechtbank Rotterdam.

De man heeft op 16 oktober 2014 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vrouw heeft op 17 december 2014 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 10 november 2014 een V-formulier van 7 november 2014 met bijlage;

- op 20 januari 2015 een V-formulier van 19 januari 2015 met bijlage;

- op 6 februari 2015 een V-formulier van 5 februari 2015 met bijlagen;

- op 19 februari 2015 een V-formulier van 18 februari 2014 met bijlage;

van de zijde van de man:

- op 11 november 2014 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlage.

De zaak is op 20 februari 2015 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door advocaat mr. M.E.P. Somers, kantoorgenoot van haar advocaat, en door de heer M. el Amiri, tolk in de Marokkaanse taal;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat en door de heer Z. Hamidi, tolk in de Marokkaanse taal.

Mr. Somers heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de daaraan voorafgaande tussenbeschikking van 31 juli 2013.

Bij de tussenbeschikking is – voor zover in hoger beroep van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en zijn partijen niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van de verdeling naar Nederlands recht. De behandeling van de zaak is ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogen pro forma aangehouden.

Bij de bestreden beschikking is in het kader van de afwikkeling van het huwelijksvermogen het volgende bepaald:

  • -

    de vrouw dient een bedrag van 300.000 Dirham te vergoeden aan de man in verband met de verkoop van de woning te [plaatsnaam 1] , Marokko;

  • -

    partijen zijn – in hun onderlinge verhouding – ieder voor de helft draagplichtig voor de schuld aan de SVB ter hoogte van € 22.999,05 per 16 februari 2009;

  • -

    de vrouw is geheel draagplichtig voor de schuld bij de SVB;

  • -

    partijen zijn – in hun onderlinge verhouding – ieder voor de helft draagplichtig voor de schulden bij de belastingdienst over 2011 en 2013. Indien de schulden daadwerkelijk reeds geheel zijn afbetaald door de man, zal de vrouw de helft van deze schulden aan de man dienen te vergoeden.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, het meer of anders verzochte is afgewezen en de proceskosten zijn gecompenseerd.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat vast dat de echtscheidingsbeschikking op 6 januari 2014 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van partijen.

2. Ter zitting van het hof hebben de vrouw en de man ieder voor zich hun petitum aangepast. De advocaten hebben deze aangepaste petita met de hand geschreven op papier gezet en aan het hof en elkaar overgelegd. Het hof gaat bij de beoordeling van de zaak van deze gewijzigde petita uit en zal de grieven ook in het licht van deze gewijzigde petita bezien.

3. De vrouw verzoekt het hof, zoals blijkt uit het ter zitting met de hand geschreven petitum, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1) te bepalen dat het eigendom van de woning te [plaatsnaam 1] , vóór de verkoop in 2009, bij de vrouw rustte en de man naar Marokkaans recht geen recht heeft op enig aandeel van de verkoopopbrengst;

2) te bepalen dat de schuld van de Sociale Verzekeringsbank wordt toegescheiden aan de man, nu de vrouw die gelden niet heeft ontvangen en de man derhalve de door de vrouw afgeloste schuld aan haar te vergoeden;

3) te bepalen dat de man de lijfgoederen/sieraden van de vrouw aan haar teruggeeft althans bij gebleken onmogelijkheid de waarde daarvan ad € 10.077,09 aan de vrouw te vergoeden;

4) te bepalen dat de man de door de vrouw betaalde huurachterstand aan de vrouw dient te vergoeden, nu de vrouw na haar kortdurende vakantie geen enkel woongenot meer heeft gehad;

5) te bepalen dat de schulden Belastingdienst 2011 en 2013 aan de man worden toegescheiden, nu de vrouw de gelden niet heeft voldaan, en te bepalen dat de man gehouden is de schulden die de vrouw heeft afgelost aan haar te vergoeden.

4. De man verzoekt het hof, zoals blijkt uit het ter zitting met de hand geschreven petitum, en naar het hof aanneemt opnieuw beschikkende met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

1) te bepalen dat de man de woning in [plaatsnaam 1] in eigendom heeft en dat de vrouw de verkoopopbrengst dient te voldoen aan de man;

2) te bepalen dat de vrouw de woning in [plaatsnaam 2] in eigendom heeft en aan de man voldoet een bedrag van € 10.000,- op grond van 49 Mudawanna, subsidiair te bepalen dat de vrouw aan de man voldoet een bedrag van € 9.270,- ter zake van vergoeding van de investering van de man;

3) te bepalen dat de schuld aan de Sociale Verzekeringsbank voor rekening komt van de vrouw, dan wel subsidiair te bepalen dat de schuld bij helfte tussen partijen wordt verdeeld;

4) te bepalen dat de man de Marokkaanse zithoek in eigendom heeft.

5. De vrouw verzet zich daartegen en verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, het incidenteel appel ongegrond te verklaren althans af te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van het incidenteel appel.

Marokkaans recht

6. Het hof stelt voorop dat tussen partijen als niet bestreden vast staat dat Marokkaans recht hun huwelijksvermogensregime beheerst.

Woning te [plaatsnaam 1]

7. De vrouw stelt dat zij de woning te [plaatsnaam 1] in 2004 van de man heeft gekocht voor een bedrag van 300.000,- Dirham. Ter onderbouwing van haar stelling legt zij de koopakte over. Zij was dan ook enig eigenaar van de woning toen zij deze in 2009 voor 600.000 Dirham heeft verkocht. De vrouw heeft de woning destijds van de man overgenomen om de crediteuren van de man die beslag dreigden te leggen op de woning af te kunnen lossen.

8. De man betwist dat de vrouw in 2009 enig eigenaar van de woning was. Volgens hem heeft hij nimmer de woning aan de vrouw willen verkopen en is de koopakte die door de vrouw is overgelegd valselijk opgemaakt.

9. Het hof oordeelt als volgt. Op basis van de door partijen verstrekte gegevens kan het hof niet vaststellen wie van partijen in 2009 de eigenaar van deze woning was. Ter onderbouwing van haar stelling dat zij de woning in 2004 van de man heeft gekocht en in eigendom heeft verkregen, heeft de vrouw een Franse akte alsmede de Nederlandse vertaling daarvan in het geding gebracht. De akte heeft als titel: bekrachtiging van een verkoop door de heer [naam van de man] . In de akte wordt vermeld dat ene mevrouw [naam van een vrouw] optredend in de kwaliteit van gevolmachtigde van de man de woning aan de vrouw heeft verkocht. De machtiging waarbij door de man aan deze mevrouw [naam van een vrouw] volmacht is verleend en waarnaar de notaris in de akte verwijst is echter niet bij de stukken gevoegd en wordt door de man betwist.

10. Nu het hof niet kan vaststellen wie eigenaar is van de woning te [plaatsnaam 1] dient de bestreden beschikking in zoverre te worden vernietigd en worden de vorderingen van partijen over en weer afgewezen. Ten overvloede wijst het hof erop dat partijen er verstandig aan doen deze rechtsvraag voor te leggen aan de Marokkaanse rechter, nu het een onroerend goed betreft dat gelegen is in Marokko en waarop Marokkaans recht van toepassing is.

De schuld aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB)

11. De vrouw stelt dat de man de kinderbijslag op zijn naam heeft ontvangen en dat zij de kinderbijslag niet heeft kunnen aanwenden voor de kinderen. De redelijkheid en billijkheid verzetten zich dan ook tegen toescheiding van de helft van de schuld aan de vrouw.

12. De man stelt dat de schuld aan de SVB voor rekening van de vrouw dient te komen nu de kinderbijslag volledig ten goede van de vrouw is gekomen. De man heeft de ontvangen kinderbijslag aan de vrouw betaald. De vrouw verbleef veel in Marokko, waar de kinderen van partijen ook woonden.

13. Naar Marokkaans recht dient degene op wie de schuld betrekking heeft deze schuld te betalen. Het hof kan uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting niet vaststellen aan wie de door de SVB uitgekeerde gelden zijn toegekomen. In het dossier bevindt zich zowel een brief van de SVB betreffende de schuld die alleen is gericht aan de vrouw als een brief van de SVB betreffende de schuld die is gericht aan partijen gezamenlijk. Wie de gelden daadwerkelijk heeft ontvangen en benut kan het hof uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting niet afleiden. De grief van de vrouw faalt derhalve.

14. Het hof merkt op dat het dictum van de rechtbank ten aanzien van de schuld aan de SVB niet overeenstemt met hetgeen in het lichaam van de beschikking is overwogen. De rechtbank heeft in de rechtsoverwegingen bepaald dat de schuld aan de SVB een gezamenlijke schuld van partijen betreft. In het dictum bepaalt de rechtbank dan ook:

“3.1.2 partijen zijn – in hun onderlinge verhouding – ieder voor de helft draagplichtig voor de schuld aan SVB ter hoogte van € 22.999,05 per 16 februari 2009”.

In onderdeel 3.1.3. bepaalt de rechtbank:

3.1.3 de vrouw is geheel draagplichtig is voor de schuld bij de SVB”.

Het hof zal, al het vorenstaande in aanmerking nemend, de bestreden beschikking vernietigen voor wat betreft de onderdelen 3.1.2 en 3.1.3.

Lijfgoederen/sieraden

15. De vrouw stelt dat de man al haar lijfgoederen en sieraden heeft verduisterd. Zij is voor een korte vakantie naar Marokko geweest en werd bij terugkomst geconfronteerd met veranderde sloten op de deuren van de echtelijke woning. De vrouw had haar garderobe en het meeste van haar sieraden niet meegenomen op vakantie. Na terugkomst van vakantie heeft zij geen toegang meer tot de woning gehad. Uit de verklaring van een wijkagent blijkt dat enige tijd later de woning door de man was ontdaan van alle persoonlijke goederen van de vrouw, waaronder haar garderobe en sieraden. Gezien de omstandigheden en de verklaring van de agent, zou dit voldoende moeten zijn om er vanuit te gaan dat de sieraden en lijfgoederen van de vrouw in de woning zijn achtergebleven en daardoor niet anders dan in het bezit van de man kunnen zijn.

16. De man ontkent de lijfgoederen en sieraden van de vrouw te hebben verduisterd. De vrouw verbleef de meeste tijd in Marokko en had de lijfgoederen en sieraden daar bij zich. De verklaring van de wijkagent, die op het relaas van de vrouw is afgegaan en om die reden naar de woning is gekomen, betreft een algemene mutatie.

17. Het hof oordeelt als volgt. De vrouw stelt dat de man haar lijfgoederen en sieraden heeft verduisterd. Gelet op de gemotiveerde betwisting hiervan door de man rust op de vrouw de bewijslast om aan te tonen dat de man deze lijfgoederen en sieraden onder zich heeft. De vrouw is in dit bewijs niet geslaagd. De door de vrouw geschetste situatie rond haar vakantie en de enkele verklaring van de wijkagent zijn hiertoe onvoldoende. Voor omkering van de bewijslast, zoals door de vrouw bepleit, ziet het hof geen aanleiding. De grief van de vrouw treft derhalve geen doel.

Bedrag aan huurachterstand

18. De vrouw stelt dat de man aan haar een bedrag van € 240,- dient te vergoeden, welk bedrag zij voor de man heeft voldaan. Het betrof een huurachterstand die tijdens het verblijf van de man in de echtelijke woning was ontstaan. De vrouw stond nog wel als medehuurder vermeld en kon niet eerder een eigen woning huren dan nadat de huurachterstand was voldaan.

19. De man heeft ter zitting de betaling door de vrouw van de huurachterstand erkend. Het hof zal derhalve de bestreden beschikking vernietigen en bepalen dat de man een bedrag van € 240,- aan door de vrouw betaalde huurachterstand aan de vrouw dient te voldoen.

De schulden bij de Belastingdienst

20. De vrouw stelt in haar grief dat zij niet appelleert tegen de beslissing van de rechtbank dat de schulden bij de Belastingdienst bij helfte door partijen worden gedragen. Zij appelleert wel tegen de stelling van de man dat hij de schulden volledig heeft voldaan nu deze schulden geheel dan wel in ieder geval voor een groot deel door de vrouw zijn voldaan. De vrouw heeft immers ook bedragen afgelost door middel van door de Belastingdienst gelegd loonbeslag en zij is een betalingsregeling met de Belastingdienst aangegaan.

21. Het hof acht deze grief van de vrouw in samenhang bezien met haar gewijzigde petitum onbegrijpelijk. De vrouw stelt in haar toelichting op de grief dat zij niet appelleert met betrekking tot de draagplicht bij helfte. Echter, in haar petitum verzoekt zij te bepalen dat de schulden aan de man worden toegescheiden, waaruit het hof begrijpt dat de schulden door de man moeten worden gedragen. Een goede procesorde brengt met zich mede dat de grieven de toelichting en het petitum voor de rechter begrijpelijk dienen te zijn. Nu dat niet het geval is, komt dit voor rekening en risico van de vrouw. De grief van de vrouw faalt derhalve.

De zithoek

22. De man wenst een verklaring voor recht dat hij de eigenaar is van de Marokkaanse zithoek. Hij voert daartoe aan dat hij de zithoek heeft betaald dan wel aangeschaft. Hij heeft de vrouw in Nederland geld gegeven om de zithoek te kopen.

23. De vrouw stelt dat zij de zithoek in eigendom heeft en verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar de aankoopnota, waaruit volgens haar blijkt dat zij de zithoek heeft betaald.

24. Het hof kan aan de hand van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting niet vaststellen wie eigenaar van de zithoek is. Voor het hof is niet vast te stellen wie de eigendom van de zithoek heeft verkregen noch wie de betaling heeft gedaan.

25. De rechtbank heeft verzuimd om in het dictum van de bestreden beschikking op te nemen dat, zoals door de rechtbank is overwogen, de man de zithoek aan de vrouw dient terug te geven. Het hof kan derhalve slechts het verzoek van de man in hoger beroep - om te verklaren voor recht dat hij de zithoek in eigendom heeft - afwijzen.

De woning te [plaatsnaam 2]

26. De man stelt dat de vrouw eigenaar is van de woning in [plaatsnaam 2] . Ter onderbouwing van zijn stelling legt hij een bewijs van gemeenschappelijke eigendom uit het Nationaal Agentschap voor Kadaster en Topografie over. Met een beroep op artikel 49 Mudawwana verzoekt hij een vergoeding van zijn bijdrage in de vermeerdering van het vermogen van de vrouw. De man heeft gedurende het huwelijk dubbele banen gehad en daarbij zijn inkomsten aan de vrouw afgedragen. Een vergoeding van 10.000 Dirham vindt de man redelijk en billijk. Zo de man geen aanspraak kan maken op een deel van de waarde van de woning, althans de waarde van het vermogen van de vrouw, verzoekt de man te bepalen dat de vrouw aan hem een bedrag van € 9.270,- dient te vergoeden dat hij heeft geïnvesteerd in de woning te [plaatsnaam 2] .

27. De vrouw stelt dat de woning niet haar eigendom is, nu zij de woning op grond van een vorm gelijk aan de Nederlandse vorm van huurkoop in gebruik heeft. Pas nadat de vrouw alle betalingstermijnen heeft voldaan zal zij de eigendom van de woning verwerven. Dit zal, zo blijkt uit de verklaring van haar werkgever, pas op 1 februari 2021 zijn. De man kan dan ook geen aanspraak maken op een deel van de waarde van de woning dan wel van een deel van haar vermogen. De door de man gestelde bijdragen aan de vermeerdering van het vermogen van de vrouw heeft de man volgens haar niet aangetoond.

28. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de vrouw op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een vorm van huurkoop en dat de woning pas haar eigendom wordt in 2021 als de vrouw heeft voldaan aan de maandelijkse betalingsverplichtingen. Een en ander blijkt onder meer uit de verklaring van de werkgever van de vrouw, overgelegd in eerste aanleg als productie 13 en in hoger beroep als productie 12, welke verklaring door de man niet wordt betwist. In het hiervoor genoemde door de man overgelegde bewijs van gemeenschappelijke eigendom wordt vermeld dat er geen belemmeringen bestaan die definitieve eigendomsrechten in de weg staan met uitzondering van: de voorwaarden van het systeem van gemeenschappelijk eigendom welke zijn opgenomen in genoemde originele akte die opgesteld is conform de wet waar het onderhavige eigendom onder valt. Deze originele akte is door de man niet overgelegd, terwijl volgens de vrouw juist in deze akte de voorwaarde zoals opgenomen in de verklaring van haar werkgever is vermeld.

29. Uit het vorenstaande volgt dat er geen sprake is van een situatie waarin de man aanspraak heeft op een vergoeding in de vermogensvermeerdering van de vrouw.

30. De man is vervolgens van mening dat de vrouw aan hem een bedrag van € 9.270,- dient te vergoeden dat hij heeft geïnvesteerd in de woning te [plaatsnaam 2] . De man heeft ter zitting zijn stelling onderbouwd door te verwijzen naar tabblad 16 bij de stukken eerste aanleg.

31. Het hof kan niet vaststellen op welke juridische grondslag - naar Marokkaans recht - de man meent van de vrouw voornoemd bedrag te vorderen te hebben. Een goede procesorde brengt met zich mede dat de man aan het hof en de wederpartij duidelijk maakt op grond waarvan hij het bedrag van € 9.270,- van de vrouw te vorderen heeft, temeer nu het hof de stelling van de vrouw aannemelijk vindt dat zij geen eigenaar is van het onroerend goed. De grief van de man slaagt derhalve niet.

Kostenveroordeling

32. De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen in de proceskosten van het incidenteel appel. Gezien het feit dat er sprake is van ex-echtgenoten zal het hof deze proceskosten compenseren en wel in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

33. Derhalve wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het betreft het onderdeel 3.1.1 betreffende de woning te [plaatsnaam 1] , onderdeel 3.1.2 en 3.1.3 betreffende de schuld aan de SVB en de afwijzing van het verzoek van de vrouw betreffende de huurschuld en, in zoverre opnieuw beschikkende:

veroordeelt de man tot betaling van een bedrag van € 240,- aan de vrouw wegens door de vrouw betaalde huurachterstand;

wijst af hetgeen meer of anders verzocht is;

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover voorts aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten van het incidenteel appel aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Stollenwerck en Visser, bijgestaan door

mr. Buiting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2015.