Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3905

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-12-2015
Datum publicatie
08-03-2016
Zaaknummer
22-000039-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich, samen met zijn mededaders, op straat schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en bedreiging met geweld.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 65 (vijfenzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 32 (tweeëndertig) dagen jeugddetentie.

Tevens veroordeelt het hof de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een leerstraf, te weten TACT-individueel, voor de duur van 35 (vijfendertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 17 (zeventien) dagen jeugddetentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000039-15

Parketnummer: 09-817180-14

Datum uitspraak: 17 december 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Den Haag van

19 december 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1996,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 24 maart 2015 en 3 december 2015. Het onderzoek heeft plaatsgevonden met gesloten deuren.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest. Voorts is aan de verdachte twee maanden jeugddetentie voorwaardelijk opgelegde met een proeftijd van twee jaren en met bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 20 december 2013 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Samsung Galaxy S3, kleur wit) en/of een portemonnee met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- tegen die [benadeelde partij] zeggen/roepen: 'kom nu naar beneden, anders maak ik je dood' en/of

- fouilleren van die [benadeelde partij] en/of

- ( met kracht) slaan tegen de rug en/of

- ( met kracht) stompen tegen de rug en/of

- ( meermalen) trappen tegen het/de be(e)n(en) van die [benadeelde partij];

subsidiair:
hij op of omstreeks 20 december 2013, althans in of omstreeks de periode van 20 december 2013 tot en met 23 december 2013 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, een mobiele telefoon (te weten een Samsung Galaxy S3, kleur wit) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde mobiele telefoon wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 20 december 2013 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Samsung Galaxy S3, kleur wit) en/of een portemonnee met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- tegen die [benadeelde partij] zeggen/roepen: 'kom nu naar beneden, anders maak ik je dood' en/of

- fouilleren van die [benadeelde partij] en/of

- ( met kracht) slaan tegen de rug en/of

- ( met kracht) stompen tegen de rug en/of

- ( meermalen) trappen tegen het/de be(e)n(en) van die [benadeelde partij].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Het hof is, anders dan de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig de aan het hof overgelegde en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen, heeft betoogd, van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, mede gelet op de verklaringen van aangever [benadeelde partij], en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Op 20 december 2013 heeft [benadeelde partij] aangifte gedaan van diefstal van, onder meer, zijn telefoon; een Samsung Galaxy S3. De telefoon zou bij een straatroof op de Apeldoornselaan in Den Haag van hem zijn gestolen.

[getuige 1] heeft bij de politie een gedetailleerde verklaring afgelegd. Zij heeft, onder meer, verklaard dat zij op 21 december 2013 van ‘[verdachte]’ (het hof begrijpt: verdachte) een WhatsApp bericht heeft gekregen met daarin de vraag of zij haar BlackBerry telefoon nog gebruikt, en dat ‘[verdachte]’ haar via WhatsApp verschillende foto’s van telefoons heeft doorgestuurd.

Die avond hoorde [getuige 1] dat haar neef [benadeelde partij], aangever, op de Apeldoornselaan in Den Haag zou zijn beroofd van zijn Samsung Galaxy S3. Daarop is [getuige 1] gaan kijken in de foto’s die [verdachte] haar had gestuurd. Zij zag daartussen ook een foto van een Samsung Galaxy S3 staan. [getuige 1] heeft de foto aan [benadeelde partij] laten zien en [benadeelde partij] heeft gezegd zeker te weten dat dit zijn gestolen Samsung Galaxy S3 betrof. [benadeelde partij] heeft verklaard dat hij op een foto die [getuige 1] hem vanaf haar telefoon aan hem heeft laten zien, zijn telefoon zag en dat hij de telefoon herkende aan de schade aan de rechter bovenzijde van de telefoon.

De verdachte heeft op 24 maart 2015 in hoger beroep verklaard dat zijn roepnaam ‘[verdachte]’ is.

De verdachte heeft aanvankelijk verklaard dat het niet klopt dat hij [getuige 1] een WhatsApp-bericht heeft gestuurd, omdat hij toen geen smartphone had. Ter terechtzitting in hoger beroep op 3 december 2015 heeft de verdachte echter verklaard dat het kan dat hij [getuige 1] een WhatsApp bericht heeft gestuurd; hij heeft eveneens verklaard dat hij vaker heeft gehandeld in telefoons.

[getuige 1] heeft op 15 juli 2015 bij de raadsheer-commissaris van dit hof verklaard dat hetgeen zij bij de politie heeft verteld de waarheid is en dat tussen de foto’s die de verdachte haar had gestuurd, zich een foto van een Samsung Galaxy S3 bevond. Zij heeft verklaard dat het klopt dat zij de telefoon van [benadeelde partij] tussen de foto’s zag staan en dat de telefoon toen al van [benadeelde partij] was gestolen.

Uit onderzoek van de politie, via het Imei-nummer van de gestolen telefoon, is gebleken dat de telefoon van aangever twee dagen na de diefstal is gebruikt door een persoon met het telefoonnummer [nr]. Via twee telefoonnummers die met dit toestel zijn gebeld is de politie bij de ouders van [getuige 2] uitgekomen. Laatstgenoemde heeft op 15 januari 2014 verklaard dat hij de telefoon twee a drie weken terug van de verdachte heeft gekocht, nog voor Oud en Nieuw, en dat hij er een simkaart in heeft gedaan met het voornoemde telefoonnummer. Hij heeft bevestigd dat het een witte Samsung S3 betrof en dat aan de hoekjes van de zijkant van de telefoon krasjes zaten.

Het hof is van oordeel dat de verklaring van [getuige 2] betrouwbaar en geloofwaardig is. Zijn verklaring wordt op hoofdlijnen ondersteund door de overige bewijsmiddelen. Dit geldt ook voor de verklaring van [getuige 1], welke verklaring in belangrijke mate wordt ondersteund door de aangifte. Het hof ziet daarom geen aanleiding om die verklaringen van het bewijs uit te sluiten. Weliswaar heeft getuige [getuige 2] zich bij de raadsheer-commissaris op zijn verschoningsrecht beroepen, maar hij is niet teruggekomen op zijn eerder afgelegde verklaring bij de politie.

Het feit is mede gezien het bovenstaande in onderling verband en samenhang bezien derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en/of om het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 70 uren, subsidiair 35 dagen jeugddetentie, en een leerstraf, te weten TACT individueel, voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat aan de verdachte jeugddetentie zal worden opgelegd voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich, samen met zijn mededaders, op straat schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en bedreiging met geweld. Aldus heeft de verdachte er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de persoonlijke eigendommen van anderen en heeft hij voor het slachtoffer overlast en financiële schade veroorzaakt. Dat hij ten tijde van de beroving het heeft laten lijken dat ook hijzelf slachtoffer werd maakt dat nog erger. Feiten als het onderhavige brengen in de regel niet alleen bij het slachtoffer, maar ook bij anderen, gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 november 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een omtrent de verdachte opgemaakt rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 27 februari 2015 waarin, onder meer, is geadviseerd om aan de verdachte een taakstraf in de vorm van een leerstraf op te leggen, te weten de gedragsinterventie TACT individueel (Training Agressie Controle) en aan de verdachte bijzondere voorwaarden op te leggen. Het hof kan zich vinden in de conclusies van dit rapport en sluit zich daarbij aan.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf en een leerstraf van na te melden duur alsmede een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 65 (vijfenzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door

32 (tweeëndertig) dagen jeugddetentie.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een leerstraf, te weten TACT-individueel, voor de duur van 35 (vijfendertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 17 (zeventien) dagen jeugddetentie.

Veroordeelt de verdachte voorts tot jeugddetentie voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd stelt onder toezicht van Jeugdbescherming West, afdeling Jeugdreclassering, en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, door of namens deze instelling te geven, zolang die instelling zulks nodig acht, ook indien dit inhoudt het zich beschikbaar houden voor het ondergaan van een persoonlijkheidsonderzoek en het meewerken aan behandeling;

geeft deze instelling opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Dit arrest is gewezen door mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen, mr. M.P.J.G. Göbbels en mr. J.A.C. Bartels, in bijzijn van de griffier mr. S. Imami.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 december 2015.