Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:388

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-02-2015
Datum publicatie
03-03-2015
Zaaknummer
BK-14_00840
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:4742, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/484
Belastingblad 2015/184 met annotatie van L.J. Boone
V-N 2015/27.27 met annotatie van Redactie
FutD 2015-0598
NTFR 2015/1127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-14/00840

uitspraak d.d. 25 februari 2015

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Dordrecht, de heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 juni 2014, nummer ROT 13/8088, betreffende de onder 1.1 vermelde naheffingsaanslag.

Naheffingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De heffingsambtenaar heeft belanghebbende op 27 mei 2013 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Dordrecht ten bedrage van € 57 (nageheven parkeerbelasting: € 1 en kosten ter zake van het opleggen van de naheffingsaanslag: € 56) opgelegd.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. Daarvoor is een griffierecht van € 44 geheven. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Daarvoor is een griffierecht van € 122,00 geheven. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 14 januari 2015. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

De Verordening

3.1.

De Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen van de gemeente Dordrecht en de bijbehorende tarieventabel luiden, na aanpassing bij besluit van de raad van de gemeente Dordrecht van 18 december 2012, in werking getreden op 1 januari 2013, voor zover hier van belang:

“Artikel 2

Belastbaar feit

Onder de naam “parkeerbelastingen” worden de volgende belastingen geheven:

1. Een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij (…) deze verordening (…) te bepalen plaats, tijdstip en wijze; (…)

(…)

Artikel 4

Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak

De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening en daarvan deel uitmakende tarieventabel en gebiedsaanduiding.

(…)

Artikel 6

Wijze van heffing (…)

1. De belasting bedoeld in artikel 2, eerste lid (…), wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden voldaan bij de aanvang van het parkeren.

(…)”

TARIEVENTABEL

(…)

A. Tarief van de belasting als bedoeld in artikel 2. eerste lid

(…)

A4. Het tarief voor parkeren op parkeerapparatuurplaatsen bedraagt:

In tariefzone 5, tot en met het 24o uur: € 0,00

In tariefzone 5, vanaf het 24o uur, per 4 uur: € 1,00

(…)

De gebiedsaanduiding voor tariefzone (…) 5 (…) is opgenomen in de bijlage “Gebiedsaanduiding Tariefzones”.

(…)

D. Kosten van de naheffingsaanslag (…)

D1. De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting als bedoeld

in artikel 2, eerste lid, bedragen: € 56,00

(…)

3.2.

In bijlage II bij de Verordening is een kaartje van een gedeelte van de gemeente Dordrecht opgenomen. Op dit kaartje is de in onderdeel A van de Tarieventabel genoemde tariefzone 5 omlijnd.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep komen vast te staan:

4.1.

De auto van belanghebbende met kenteken [A] stond op 27 mei 2013 om 9:50 uur geparkeerd op het parkeerterrein aan de [W.dijk] in Dordrecht (hierna: het parkeerterrein). Het parkeerterrein is gelegen in de in onderdeel A van de Tarieventabel genoemde en in bijlage II bij de Verordening aangewezen tariefzone 5.

4.2

Aan de rechterzijde van de weg die toegang geeft tot het parkeerterrein staat een blauw verkeersbord met onder andere het betaald parkeren beeldmerk en het opschrift:

“Parkeerterrein [W.dijk]

Betaald parkeren

eerste 24 uur gratis, daarna € 1,00 per 4 uur

haal altijd een kaartje bij de parkeerautomaat”.

Aan de linkerzijde van de weg die toegang geeft tot het parkeerterrein staat een geel bord met het opschrift:

“Let op!

Vanaf 1 oktober 2012

betaald parkeren

eerste 24 uur gratis

daarna € 1,00 per 4 uur

haal altijd een kaartje bij

de parkeerautomaat”.

Oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder.

“ 3. Eiser voert aan dat op het parkeerterrein [W.dijk] te Dordrecht gedurende de eerste 24 uur geen belasting is verschuldigd en dat, nu zijn voertuig korter dan 24 uur op het terrein heeft gestaan, een naheffingsaanslag in strijd is met artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 8 januari 1997 (ECLI:NL:HR:1997:AA3200), is voor de naheffing op grond van artikel 20 van de AWR vereist dat de verschuldigde belasting niet is voldaan. Daarvan is volgens eiser geen sprake omdat er geen belasting was verschuldigd.

Deze beroepsgrond faalt.

4. Vast staat dat eiser geen geldig betaalbewijs zichtbaar in het voertuig had. De rechtbank stelt voorts, aan de hand van de door verweerder overgelegde foto’s vast dat de betreffende locatie slechts via één toegang is te bereiken en dat op beide borden bij de toegang tot het parkeerterrein de aanwijzingen “eerste 24 uur gratis” en “haal altijd een kaartje bij de parkeerautomaat” staan vermeld. Uit deze borden blijkt duidelijk dat het halen van een kaartje verplicht was. Verweerder heeft terecht gesteld dat de omstandigheid dat op de betreffende locatie bij een parkeerduur korter dan 24 uur het tarief € 0, - bedraagt, niet af doet aan het feit dat altijd aangifte dient te worden gedaan door de parkeerapparatuur in werking te stellen.

Uit het, door eiser geciteerde arrest van de Hoge Raad van 8 januari 1997, volgt dat op grond van artikel 20 van de AWR de te weinig geheven belasting kan worden nageheven indien de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet betaald is. Van belang is dus of de verschuldigde belasting is betaald, en niet of op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan. Verweerder heeft blijkens de naheffing een bedrag van € 1, - aan parkeerbelasting geheven, zijnde het tarief per vier uur vanaf het 25 ͤ uur, dat volgens onderdeel A4 van de tarieventabel behorende bij de Verordening parkeerbelastingen geldt voor het parkeren in zone 5 ([W.dijk], verhoogd met de kosten van naheffing die overeenkomstig onderdeel D van de tarieventabel € 56,00 bedragen. Het moest eiser duidelijk zijn dat het parkeren zonder het voldoen van parkeerbelasting slechts voor de eerste 24 uur was toegelaten, waartoe het inwerking stellen van de parkeerapparatuur, waaruit zou moeten blijken hoe lang eiser ter plaatste stond geparkeerd, noodzakelijk was. Omdat eiser bij het parkeren geen kaart heeft aangeschaft, is de naheffingsaanslag naar het oordeel van de rechtbank geheel conform de Verordening Parkeerbelastingen opgelegd.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.”

Geschil, standpunten en conclusies

6.1.

In geschil is of de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd.

6.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

6.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag.

6.4.

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het geschil

7.1

Het Hof stelt het volgende voorop. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van gemeenten kunnen worden geheven (artikel 132, lid 6, Grondwet). In Hoofdstuk XV van de Gemeentewet alsmede in enkele andere wetten is aan deze grondwettelijke opdracht uitvoering gegeven. In dat Hoofdstuk en die wetten zijn de belastingen genoemd die gemeenten kunnen heffen. De gemeenteraad heeft de exclusieve bevoegdheid tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van gemeentelijke belastingen door het vaststellen van belastingverordeningen (artikel 216 van de Gemeentewet). De gemeenteraad van Dordrecht heeft van deze bevoegdheid onder meer gebruik gemaakt door het vaststellen van de onder 3.1. genoemde Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen en de bijbehorende tarieventabel (hierna tezamen aangeduid als: de Verordening). Uit het vorenoverwogene volgt naar het oordeel van het Hof dat de parkeerbelastingschuld voortvloeit uit de Verordening.

7.2

Voor het antwoord op de vraag of de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag in de parkeerbelasting ter zake van het parkeren van een voertuig als bedoeld in artikel 2, lid 1, van de Verordening (hierna: de betaaldparkerenbelasting) terecht heeft opgelegd, is, gelet op hetgeen onder 7.1 is overwogen, bepalend of de nageheven betaaldparkerenbelasting uit de Verordening is voortgevloeid. Is dat het geval, dan dient te worden onderzocht of is voldaan aan de overige wettelijke voorwaarden voor de (na)heffing van betaaldparkerenbelasting. Is dat niet het geval, dan is de naheffingsaanslag ten onrechte opgelegd en dient hij te worden vernietigd.

7.3

Naar het oordeel van het Hof is de naheffingsaanslag ten onrechte opgelegd. Bij dit oordeel neemt het Hof het volgende in aanmerking.

7.4

De ambtelijke werkzaamheid welke betrekking heeft op de regeling van de naheffingsaanslag beperkt zich tot de berekening en de teboekstelling van de parkeerbelasting welke krachtens de Verordening verschuldigd is geworden maar niet op aangifte is voldaan (vergelijk Hoge Raad 24 april 1957, nr. 572, BNB 1957/183, ECLI:NL:HR:1957:AY1622, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 1, van de Verordening, artikel 236 van de Gemeentewet en artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). Het is de heffingsambtenaar dus niet toegestaan een naheffingsaanslag op te leggen ter zake van betaaldparkerenbelasting die niet krachtens de Verordening verschuldigd is. Een door de heffingsambtenaar gevoerd beleid of gevolgde gedragslijn is geen rechtsgrond voor het heffen van betaaldparkerenbelasting.

7.5

De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat, nu aan weerszijden van de weg die toegang tot het parkeerterrein verleent borden zijn geplaatst waarop duidelijk is aangegeven dat steeds, dus ook voor het parkeren in de eerste 24 uur na de aanvang van het parkeren, een kaartje uit de parkeerautomaat dient te worden gehaald, de parkeerder die parkeert zonder een parkeerkaartje uit de parkeerautomaat te halen, het op grond van onderdeel 4A van de bij de Verordening behorende tarieventabel voor het parkeren vanaf het 24e uur na aanvang van het parkeren geldende tarief van € 1,00 per vier uur van toepassing is. Het Hof verwerpt dit standpunt omdat daarvoor in de Verordening, noch in enige andere wettelijke bepaling steun te vinden is. De verplichting om bij de aanvang van het parkeren, ook al is volgens de Verordening ter zake daarvan op dat moment noch in de daarop volgende 24 uur betaaldparkerenbelasting verschuldigd, een kaartje bij de parkeerautomaat te halen, is niet in de Verordening geregeld. Evenmin is in de Verordening de toepassing van het in onderdeel 4A van de bij de Verordening behorende tarieventabel voor het parkeren op het parkeerterrein gedurende de eerste 24 uur na de aanvang van het parkeren geldende tarief van € 0,00 per uur afhankelijk gesteld van het halen van een parkeerkaartje uit de parkeerautomaat.

7.6.1

De heffingsambtenaar stelt zich voorts op het standpunt dat belanghebbende ter zake van het parkeren op het parkeerterrein € 1,00 per 4 uur verschuldigd is omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het parkeren ten hoogste 24 uur heeft geduurd. Naar het oordeel van het Hof miskent de heffingsambtenaar dat op hem de last rust te bewijzen dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Voor een omkering van de bewijslast als door de heffingsambtenaar bepleit, is geen steun te vinden in het recht.

7.6.2.

Aan de afwezigheid van een parkeerkaartje heeft de heffingsambtenaar slechts het vermoeden ontleend dat belanghebbende langer dan 24 uur na de aanvang van het parkeren heeft geparkeerd. Belanghebbende heeft dit vermoeden gemotiveerd weersproken. Alsdan ligt het op de weg van de heffingsambtenaar het door hem gestelde aannemelijk te maken. Met hetgeen hij heeft aangevoerd is de heffingsambtenaar hierin naar het oordeel van het Hof niet geslaagd.

7.7

Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep gegrond en dient te worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

8.1

Het Hof acht geen termen aanwezig de heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten, nu gesteld noch gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt.

8.2

Wel dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de rechtbank gestorte griffierecht van € 44 en het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 122 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende de door hem betaalde griffierechten van € 166 te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. G.J. van Leijenhorst, A.N. Labohm en J.J.J. Engel in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 25 februari 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

  2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.