Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3875

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
09-02-2016
Zaaknummer
200.164.925.01 en 200.164.926.01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:14331, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Afstorting pensioenrechten voor de vrouw niet gehonoreerd door het hof. Afstorting is in strijd met het vennootschappelijk belang van de vennootschap. Voorts brengt de postsolidariteit tussen ex-echtgenoten met zich mee dat het effectief aanwezige pensioen gelijkelijk tussen partijen wordt verevend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0045
PJ 2016/52
EB 2016/48
RFR 2016/73

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 25 november 2015

Zaaknummers : 200.164.925/01 en 200.164.926/01

Rekestnummers rechtbank : FA RK 11-10151 en FA RK 12-4298

Zaaknummers rechtbank : C/09/410275 en C/09/420937

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. W.P.G.M. Schellens-Stoks te Nijmegen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J. Dongelmans te Nieuwerkerk ad IJssel, gemeente Zuidplas.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 16 februari 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 18 november 2014 van de rechtbank Den Haag.

De vrouw heeft op 14 april 2015 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 28 mei 2015 een verweerschrift op het incidenteel appel tevens aanvullend verzoek ingediend.

De vrouw heeft op 7 augustus 2015 een aanvullend verweerschrift en aanvullend incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 26 februari 2015 een brief van 25 februari 2015 met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

- op 2 maart 2015 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

- op 20 augustus 2015 een V-formulier van 19 augustus 2015 met bijlagen;

van de zijde van de vrouw:

- op 24 augustus 2015 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 4 september 2015 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang:

  • -

    uitvoerbaar bij voorraad bepaald dat de man met ingang van 18 november 2014 tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 2.070,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

  • -

    de (wijze van) verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap vastgesteld en vastgesteld dat de vrouw als voorschot op de verdeling reeds € 50.000,- heeft ontvangen. Deze vaststelling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

  • -

    bepaald dat de man € 211.743,- zal storten bij een in Nederland erkende levensverzekeringsmaatschappij ter verzekering van de ten behoeve van de vrouw in eigen beheer bij [X] B.V. opgebouwde pensioenaanspraken met inbegrip van het nabestaandenpensioen;

  • -

    de einddeclaratie van de deskundige vastgesteld en partijen in de kosten van het deskundigenonderzoek veroordeeld, de man voor driekwart de vrouw voor een kwart.

Het verzoek van de man een door de vrouw te betalen gebruiksvergoeding te bepalen, is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover betrekking hebbend op de kwesties die de man in deze memorie van grieven (het hof begrijpt: dit beroepschrift) heeft besproken en opnieuw rechtdoende:

  • -

    de door de man verschuldigde partneralimentatie met ingang van 18 november 2014 te bepalen op nihil althans op een zodanig bedrag lager dan € 2.070,- bruto per maand als het hof redelijk oordeelt;

  • -

    de vrouw te veroordelen om aan de man terug te betalen de door haar vanaf 18 november 2014 te veel ontvangen partneralimentatie met bepaling dat de man gerechtigd is om zijn vordering op de vrouw te verrekenen met eventuele toekomstige alimentatietermijnen;

  • -

    primair: de inboedel in de echtelijke woning te verdelen aldus dat aan de man worden toegedeeld de roerende zaken zoals vermeld op zijn productie 17 onder M zonder nadere verrekening van de waarde en met veroordeling van de vrouw om deze roerende zaken aan de man af te geven binnen twee weken na de in dezen af te geven beschikking en op straffe van een door de vrouw te verbeuren dwangsom van € 100,- voor elke dag dat zij na betekening van deze beschikking in gebreke blijft de roerende zaken aan de man af te geven;

subsidiair: de inboedel in de echtelijke woning aan de vrouw toe te delen met bepaling dat zij wegens overbedeling aan de man dient te voldoen een bedrag van € 20.000,-, althans een zodanig bedrag als het hof redelijk oordeelt;

  • -

    te verklaren voor recht dat de eventuele schuld van de vrouw aan haar vader op de peildatum, door de vrouw voor 100% moet worden gedragen en niet als gemeenschapsschuld wordt aangemerkt;

  • -

    de vrouw te veroordelen om aan de man te voldoen een gebruiksvergoeding van € 258,- per maand vanaf [de datum ontbinding huwelijksgemeenschap] tot aan de dag dat de echtelijke woning wordt geleverd aan derden althans een zodanig bedrag als het hof redelijk oordeelt;

  • -

    te verklaren voor recht dat de rekening-courantvordering van de man niet behoort tot de te verdelen gemeenschap van goederen;

  • -

    te bepalen dat de auto, [merk Z] , aan de vrouw wordt toegedeeld onder de verplichting om de helft van de waarde aan de man te vergoeden, te weten € 5.000,-;

  • -

    te bepalen dat de financiële afrekening die volgt uit de verdeling van de gemeenschap van goederen, pas plaatsvindt binnen één maand nadat partijen de beschikking hebben gekregen over het saldo dat van de verkoopopbrengst van de echtelijke woning en de polis bij [verzekeringsmaatschappij] resteert;

  • -

    te bepalen dat, wanneer de man een overbedelingsschuld heeft aan de vrouw hij deze in termijnen mag voldoen, op een nog nader door de man voor te stellen wijze;

  • -

    primair te verklaren voor recht dat geen afstorting behoeft plaats te vinden van de aanspraken van de vrouw op ouderdomspensioen en partnerpensioen in [X] B.V.;

subsidiair te bepalen dat [X] B.V. maximaal € 211.743,- dient af te storten bij een verzekeringsmaatschappij, ter keuze van de man en met bepaling dat [X] B.V. de verzekeringnemer is, de man verzekerd lijf en de vrouw begunstigde en dat het vereveningsdeel van de vrouw aanwast bij het pensioen van de man indien de vrouw voortijdig overlijdt;

  • -

    te bepalen dat de kosten van de deskundige door beide partijen voor de helft moeten worden gedragen en met veroordeling van de vrouw om het bedrag dat de man meer heeft bijgedragen dan 50% aan hem te vergoeden;

  • -

    met inachtneming van bovenstaande de door de rechtbank vastgestelde wijze van verdeling te wijzigen en bekrachtigen voor zover daartegen geen grieven zijn gericht.

Bij aanvullend verzoek verzoekt de man bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te veroordelen om aan de man met ingang van 18 november 2014 te voldoen een bedrag ad € 522,75 per maand, althans een zodanig bedrag als het hof redelijk oordeelt, zolang de vrouw de echtelijke woning aan [adres] bewoont en met bepaling dat de man het door het hof vast te stellen bedrag mag verrekenen met de partneralimentatie, als het hof die oplegt.

2. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het principale appel af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt de vrouw de bestreden beschikking, voor zover betrekking hebbend op de hiervoor in de grieven aangevallen overwegingen en oordelen te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

  • -

    de man te veroordelen om met ingang van [datum inschrijving echtscheidingsbeschikking] aan de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud te betalen van € 2.070,- per maand, voor de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

  • -

    de echtelijke woning aan [adres] , aan de vrouw toe te delen, tegen de huidige WOZ-waarde, met ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de man ter zake van de bestaande hypothecaire lening bij de [bank] en met verdeling van de waarde van de polis bij [verzekeringsmaatschappij] per [de peildatum] ;

  • -

    de waarde van de aandelen van [X] B.V. per [de peildatum] opnieuw te laten bepalen door een deskundige, onder vermelding van de concrete bezwaren van de vrouw ter zake het voorliggende deskundigenrapport van de [deskundige] van 1 september 2014 met uitvoering van een forensisch onderzoek;

  • -

    de latente belastingclaim ter zake van de waarde van de aandelen vast te stellen op 22% van de waardevermeerdering;

  • -

    de man te veroordelen om een bedrag van € 211.743,- af te storten in een door de vrouw op te richten pensioen B.V. ter zake van de in eigen beheer bij [X B.V.] opgebouwde pensioenaanspraken, inclusief nabestaandenpensioen;

  • -

    voor recht te verklaren dat de leningen van partijen bij [X B.V.] ter zake van de echtelijke woning van in totaal € 96.000,- niet meer bestaan c.q. afgelost zijn;

  • -

    de man te veroordelen de grootboekkaarten ter zake van het verloop van de rekening-courant tussen partijen en [X B.V.] in de periode van 17 december 2011 tot en met [de peildatum] , alsmede een deugdelijke verantwoording (bankafschriften met bewijsstukken) binnen een week na de te dezen te wijzen beschikking aan de vrouw over te leggen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat hij daarmede in gebreke blijft;

  • -

    te verklaren voor recht dat het in februari 2012 door de man aan de vrouw betaalde voorschot van € 50.000,- geen invloed heeft op de doorberekening van de overbedelingsvordering ter zake van de verdeling van de huwelijksgemeenschap;

  • -

    inzage te verstrekken in het verloop van de bankrekening bij [bank] ten name van de man met nummer [123] , sedert de opening van die rekening, tijdens het huwelijk tot [de peildatum] .

In aanvullend incidenteel appel verzoekt de vrouw bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met wijziging in zoverre van het petitum zoals geformuleerd in het incidenteel appelschrift, en handhaving voor het overige, met vernietiging in zoverre van de bestreden beschikking:

  • -

    de echtelijke woning aan [adres] , aan de vrouw toe te delen, tegen getaxeerde laatwaarde van € 275.000,-, met ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de man ter zake van de bestaande hypothecaire lening bij de [bank] en met verdeling van de waarde van de polis bij [verzekeringsmaatschappij] per [de peildatum] aan de vrouw, overeenkomstig het voorstel van de man;

  • -

    de aandelen van [X] B.V. aan de man toe te delen tegen betaling door de man van de overbedelingsvordering (inclusief het gedeelte ex artikel 3:194 BW) van € 309.000,-;

  • -

    de latente belastingclaim ter zake van de waarde van de aandelen vast te stellen op 0%;

  • -

    de man te veroordelen aan de vrouw te betalen een bedrag van € 28.206,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf heden tot aan de algehele voldoening;

  • -

    voor wat de betreft de partneralimentatie de man te veroordelen om met ingang van [datum inschrijving echtscheidingsbeschikking] aan de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud te betalen van € 3.000,- per maand, voor de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

3. De man verzet zich daartegen en verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidentele grieven, althans ongegrondverklaring van deze grieven.

4. Het hof overweegt vooreerst dat het - zoals ter terechtzitting ook aan de orde is gesteld - geen acht zal slaan op het aanvullend verweerschrift en aanvullend incidenteel appelschrift van de vrouw, voor zover daarin wordt ingegaan op het verweer in incidenteel appel van de man. Het hof zal evenmin acht slaan op de brief van de man ingekomen bij het hof op 20 augustus 2015, voor zover de man daarin reageert op voormelde aanvullend stuk van de vrouw. Partijen creëren hiermee een tweede procesronde, hetgeen niet past binnen het wettelijk systeem en naar het oordeel van het hof in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

5. Het hof gaat voorts voorbij aan grief X dan wel XI, zoals geformuleerd in het aanvullende incidenteel appelschrift van de vrouw, nu de grieven niet in een later stadium dan in het incidenteel appelschrift mogen worden aangevoerd en gesteld noch gebleken is dat sprake is van een van de uitzonderingen op deze in beginsel strakke regel.

6. Het hof neemt in aanmerking voormeld aanvullend verzoek van de man in principaal appel nu ook in appel nog een nevenverzoek in de zin van artikel 827 Rv kan worden gedaan.

7. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, zijn in geschil: de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, hierna ook partneralimentatie, de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap, de gebruiksvergoeding, de afstorting van de pensioenrechten van de vrouw en de kosten van de deskundige.

Partneralimentatie

Ingangsdatum

8. Het hof ziet aanleiding eerst de ingangsdatum van de partneralimentatie te bespreken.

9. Volgens de vrouw dient uit te worden gegaan van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De door de rechtbank genoemde omstandigheden zijn volgens de vrouw onvoldoende om tot een latere ingangsdatum te komen.

10. De man is van mening dat de rechtbank de ingangsdatum van de partneralimentatie terecht op 18 november 2014 heeft bepaald.

11. Het hof overweegt dat de rechter een grote vrijheid toekomt bij het bepalen van de ingangsdatum van in casu de partneralimentatie. De rechter dient bij het vaststellen van partneralimentatie met terugwerkende kracht een grote mate van terughoudendheid te betrachten aangezien dit voor één van de partijen verstrekkende financiële gevolgen kan hebben. Mede gezien dit feit, ziet het hof reden aan te sluiten bij de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum.

Behoefte

12. De man stelt zich primair op het standpunt dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Subsidiair bedraagt de behoefte van de vrouw volgens de man € 2.000,- netto, meer subsidiair € 2.450,- netto. De man maakt bezwaar tegen de door de rechtbank in acht genomen woonlasten van de vrouw. Deze moeten op € 700,- per maand worden gesteld in plaats van op € 1.222,- per maand. De man voert ten slotte aan dat de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man is verbleekt aangezien partijen al sinds januari 2012 feitelijk gescheiden wonen.

13. De vrouw weerspreekt de stellingen van de man. Zij is van mening dat zij haar behoefte voldoende heeft aangetoond en dat van verbleking van de behoefte geen sprake is. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de vrouw verklaard zich te conformeren aan de door de rechtbank vastgestelde behoefte.

14. Het hof stelt het volgende voorop. Bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde.

15. Het hof volgt de rechtbank in de door haar bepaalde behoefte van de vrouw van € 3.214,- netto per maand, door het hof in redelijkheid begroot op € 5.766,- bruto per maand. Gelet op de welstand die partijen gedurende hun huwelijk hebben genoten, hun bestedingspatroon destijds en wat de vrouw concreet nodig heeft, komt deze behoefte het hof alleszins redelijk voor, ook voor wat de woonlasten betreft. Ten aanzien van de door de man gestelde verbleking van de behoefte overweegt het hof dat de grondslag van de partneralimentatie wordt gevormd door de lotsverbondenheid van partijen tijdens het huwelijk. Naarmate de echtscheiding langer is geleden, wordt de lotsverbondenheid minder en verbleekt de huwelijksgerelateerde behoefte. Het huwelijk van partijen is ontbonden op [datum inschrijving echtscheidingsbeschikking] , derhalve ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep ongeveer twee jaar geleden. Het hof acht deze periode te kort om te spreken van een verbleking van de behoefte, ook al zijn partijen feitelijk reeds geruime tijd uit elkaar.

16. Hetgeen partijen verder omtrent de behoefte naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

Behoeftigheid

17. De man is van mening dat, gelet op de opleiding en werkervaring van de vrouw, haar verdiencapaciteit op € 2.200,- netto per maand moet worden gesteld. Het jongste kind van partijen is al twaalf jaar oud, zodat dat geen belemmering meer vormt voor de vrouw om een parttime baan te zoeken. De vrouw moet solliciteren en daarvan bewijzen overleggen.

18. De vrouw betwist dat zij ruime werkervaring heeft op ICT-gebied, zoals de man stelt. Haar werk was overwegend administratief en daarnaast parttime. Zij is in 1999 met instemming van de man helemaal gestopt met werken om voor het gezin te zorgen. De vrouw stelt dat zij geen structurele inkomsten heeft. Haar diploma en kennis op het gebied van ICT zijn verouderd. De door haar gestarte opleiding op [ander gebied] stagneert in verband met de energie en tijd die de echtscheidingsprocedure kost. De inkomsten die de vrouw uit haar [studio] aan huis verkrijgt zijn incidenteel en bescheiden.

19. Het hof stelt vast dat de huwelijksproblemen van partijen al dateren vanaf 2009. De vrouw heeft eind 2011 om voorlopige voorzieningen verzocht. Zij weet al zes jaar lang dat het huwelijk van partijen ten einde is. Het hof stelt vast dat de vrouw in die tijd niets heeft ondernomen om betaalde arbeid te vinden, hetgeen naar het oordeel van het hof voor haar rekening en risico dient te komen. Dat de vrouw veel tijd besteedt aan procederen en naast de beperkte zorgtaken die zij nog heeft, geen energie heeft voor activiteiten gericht op het verkrijgen van inkomen, acht het hof geen valide argument. Gelet op de door de vrouw gevolgde HBO-opleiding, gaat het hof ervan uit dat de vrouw een jaar na de datum van deze beschikking, derhalve met ingang van 25 november 2016 in staat zal zijn € 2.500,- bruto per maand te verdienen en voor dat gedeelte in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Ten aanzien van de daarvoor gelegen periode is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht heeft beslist dat de vrouw voor een bedrag van € 1.000,- bruto per maand in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden.

20. Gelet op het vorenstaande bedraagt de aanvullende behoefte van de vrouw in de periode van 18 november 2014 tot 25 november 2016 € 5.766,- minus € 1.000,- = € 4.766,- bruto per maand en met ingang van 25 november 2016 € 5.766,- minus € 2.500,- = € 3.266,- bruto per maand.

Draagkracht

21. De man is van mening dat ter bepaling van zijn draagkracht moet worden uitgegaan van het salaris van € 127.740,- bruto per jaar dat hij zichzelf als DGA van [X] B.V. toekent. De vrouw stelt dat het inkomen van de man € 180.000,- per jaar bedraagt.

22. Het hof acht een bruto jaarinkomen van € 127.740,- gelet op de aard en de omvang van de vennootschap van de man een passende beloning. Rekening houdend met het vennootschappelijk belang ziet het hof rechtens geen grond voor verhoging van dit salaris. Voorts is het hof op grond van de verstrekt financiële gegevens en mede gezien het feit dat de vennootschap over onvoldoende liquiditeiten beschikt, onder meer vanwege het pensioen in eigen beheer dat commercieel moet worden gewaardeerd, van oordeel dat de vennootschap niet over reserves beschikt op grond waarvan dividend kan worden uitgekeerd. Uit de als productie 12 overgelegde conceptjaarrekening 2014 blijkt dat de vennootschap een negatief resultaat heeft behaald. Het hof acht deze jaarrekening voldoende betrouwbaar en overweegt dat de vrouw herziening van de partneralimentatie kan verzoeken, indien achteraf anders mocht blijken. Het hof merkt op dat het door de deskundige berekende managementfee hier niet ter zake doet, aangezien de uitkeringstest - op grond waarvan besloten wordt of uitkering van dividend mogelijk is met het oog op de beschikbare vrije reserves - per heden dient te worden uitgevoerd. De post voorzieningen dient nog te worden verhoogd in verband met het pensioen in eigen beheer. Binnen de vennootschap moet enig weerstandsvermogen aanwezig zijn, kijkend naar de activa, passiva en reserves.

23. Het hof houdt bij het berekenen van de draagkracht van de man rekening met de lasten die de rechtbank in aanmerking heeft genomen, met dien verstande dat het hof het - gelet op het inkomen van de man - redelijk acht rekening te houden met een huur van € 1.750,- per maand. Voorts houdt het hof, evenals de rechtbank, rekening met het door de rechtbank bepaalde aandeel van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen, inclusief de zorgkosten, nu partijen in hoger beroep daartegen geen bezwaar hebben gemaakt.

24. Het hof gaat evenals de rechtbank uit van de bijstandsnorm voor een alleenstaande met het daarbij behorende percentage. Partijen hebben hiertegen evenmin gegriefd.

25. Gelet op het vorenstaande en in acht genomen het fiscale voordeel is de man in staat een partneralimentatie te voldoen van € 1.747,- per maand, welke alimentatie in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.

26. Gelet op het consumptief karakter van de partneralimentatie zal het hof bepalen dat hetgeen de vrouw te veel heeft ontvangen, niet door haar hoeft te worden terugbetaald. Het verzoek van de man de vrouw te veroordelen het te veel ontvangene terug te betalen met bepaling dat de man gerechtigd is tot verrekening met eventuele toekomstige alimentatietermijnen, zal worden afgewezen.

Verdeling

Inboedel

27. Partijen zijn het niet eens over de verdeling van de inboedel en de waarde daarvan. In hoger beroep heeft de man een uit zijn hoofd opgestelde inboedellijst overgelegd, waarin hij uitkomt op een geschatte waarde van € 52.906,-. Volgens de man mag de inboedel die hij heeft aangeschaft met het door hem ontvangen voorschot op de verdeling niet bij de verdeling van de inboedel worden betrokken. De man is van mening dat de rechtbank de door hem gewenste roerende zaken aan hem had moeten toedelen. Alsdan is de inboedel gelijk verdeeld. Anders dient de vrouw € 20.000,- aan de man te vergoeden.

28. De vrouw stelt dat de man bij zijn vertrek uit de echtelijke woning zijn persoonlijke spullen en de inboedelzaken die hij wilde hebben, reeds heeft meegenomen. Volgens de vrouw is de huidige woning van de man ingericht met gemeenschapsgeld, zodat tot [de peildatum] beide inboedels van partijen gemeenschappelijk eigendom waren. De vrouw is van mening dat de inboedellijst van de man niet reëel is en dat de rechtbank ter zake de inboedel juist heeft beslist.

29. Het hof overweegt als volgt. Anders dan de man meent, behoren zowel de inboedel van de voormalige echtelijke woning als de inboedel van de huidige woning van de man tot de huwelijksgemeenschap van partijen. Het hof is voorts van oordeel dat de rechtbank ter zake de inboedel terecht heeft geoordeeld zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. Partijen hebben in hoger beroep wederom geen taxatierapporten dan wel complete lijsten van de inboedelgoederen met vermelding van de waarde daarvan overgelegd ter onderbouwing van hun standpunten. De bestreden beschikking zal ter zake de inboedel dan ook worden bekrachtigd.

Schuld aan de vader van de vrouw

30. Ter terechtzitting heeft het hof de vrouw nader bevraagd over de door haar gestelde en door de man in hoger beroep betwiste schuld aan haar vader. De vrouw heeft verklaard dat zij een bedrag in contanten van haar vader heeft ontvangen dat zij aan haar levensonderhoud heeft besteed. Haar advocaat heeft verklaard dat het ging om een bedrag van € 15.000,- dat in november 2012 door haar vader aan de vrouw is geschonken. Daarna heeft de advocaat van de vrouw verklaard dat het geld wel aan de vader moet worden terugbetaald. Desgevraagd kon de vrouw niet aangeven waarom zij de gestelde lening voor de inkomstenbelasting niet heeft opgegeven als schuld in box III. Evenmin kon de vrouw meedelen of haar vader het aan haar overhandigde bedrag bij de fiscus heeft opgegeven als lening. Het hof is derhalve van oordeel dat de vrouw niet dan wel onvoldoende heeft aangetoond dat het bedrag van € 15.000,- een lening betrof die op de peildatum aanwezig was en die derhalve als gemeenschapsschuld door beide partijen moet worden gedragen. De in eerste aanleg overgelegde overeenkomst (productie 7) doet daaraan niet af nu het bestaan van deze overeenkomst uitdrukkelijk door de man is betwist. Het bedrag van € 15.000,- dient dan ook niet in de verdeling te worden betrokken. De bestreden beschikking dient in zoverre te worden vernietigd.

Rekening-courant vordering van € 21.959,07

31. De man heeft ter terechtzitting zijn grief 9 ter zake de rekening-courantvordering ingetrokken, zodat deze geen nadere bespreking behoeft.

Auto van het merk [Z]

32. De man heeft ter terechtzitting zijn grief 10 ter zake de auto van het merk [Z] ingetrokken, zodat deze geen nadere bespreking behoeft.

Betaling overbedelingsvordering en de financiële afwikkeling van de verkoop en levering van de voormalige echtelijke woning

33. In grief 11 klaagt de man dat de rechtbank naar aanleiding van de door haar vastgestelde (wijze van) verdeling had moeten bepalen dat een overbedelingsschuld, pas voldaan hoeft te worden na verkoop en levering van de echtelijke woning aan derden. Dit omdat de vrouw nu reeds aanspraak maakt op deze overbedelingsuitkering. In grief 12 stelt de man aan de orde dat de rechtbank de overbedelingsvordering concreet had moeten vaststellen. De man wenst een eventuele overbedelingsschuld aan zijn zijde in termijnen te voldoen.

34. De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de stellingen van de man. In aanvullend incidenteel appel heeft zij voorts verzocht de voormalige echtelijke woning aan haar toe te delen tegen de door de makelaar op 9 juni 2015 bepaalde laatprijs van € 275.000,-. De man heeft tegen deze wijziging van haar verzoek geen bezwaar gemaakt.

35. Het hof overweegt als volgt. Ter terechtzitting heeft de man zich akkoord verklaard met toedeling van de woning aan de vrouw voor een bedrag van € 275.000,- mits zij in staat is de financiering daarvoor op korte termijn rond te krijgen. Het hof zal bepalen dat de woning tegen voormelde waarde aan de vrouw wordt toegedeeld, mits zij binnen twee maanden na de datum van deze beschikking de nodige financiering heeft geregeld. Mocht deze voorwaarde niet worden vervuld, dan dient de voormalige echtelijke woning alsnog te worden verkocht en geleverd aan derden.

36. Gelet op de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen ex-echtgenoten beheersen, zal het hof conform het verzoek van de man bepalen dat hij een eventuele overbedelingsschuld aan zijn zijde pas hoeft te voldoen na verkoop en levering van de woning aan derden.

37. Nu onzeker is of de vrouw de enige rechthebbende van de woning zal worden of dat de voormalige echtelijke woning moet worden verkocht en geleverd aan derden waarbij de toekomstige verkoopopbrengst onbekend is, is het hof, evenals de rechtbank, alleen al daarom niet in staat een eventuele overbedelingsvordering vast te stellen. Grief 12 van de man faalt derhalve. Aan het verzoek om te bepalen dat de man een eventuele overbedelingsschuld in termijnen mag voldoen, komt het hof niet toe.

Waarde van de aandelen van [X] B.V.

38. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de door de deskundige vastgestelde waarde van de aandelen onjuist is. Zij voert daartoe onder meer het volgende aan:

- de deskundige heeft te weinig rekening gehouden met de gebeurtenissen van december 2011 en wat daarna nog is gebeurd (achteraf betaalde hoge managementfees en dergelijke)

- de bezwaren van de vrouw tegen het rapport zijn onvoldoende weersproken (onder meer haar stelling dat [Y] niet failliet was, zoals de man de deskundige had meegedeeld)

- de autokosten zijn ten onrechte zonder hoor en wederhoor door de deskundige geaccepteerd.

39. De man verweert zich daartegen en stelt dat de vrouw haar standpunten niet onderbouwt doordat zij enkel verwijst naar haar verweer in eerste aanleg.

40. Het hof begrijpt dat de vrouw bezwaar maakt tegen het deskundigenrapport van 1 september 2014 waarin de deskundige onder meer heeft geconcludeerd dat de waarde van de aandelen van [X] B.V. in het economisch verkeer € 390.000,- bedraagt. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de vrouw desgevraagd verklaard dat geen andere deskundige hoeft te worden benoemd. Zij heeft voorts verklaard dat de door de deskundige bepaalde waarde van de aandelen van € 390.000,- moet worden gecorrigeerd met een bedrag van € 50.000,- vanwege een lening van de B.V. aan de vrouw, met een bedrag van € 15.000,- vanwege de deelneming [Y] en met een bedrag van € 93.000,- vanwege de onterecht toegepaste minderheidskorting. De man heeft tegen deze wijziging van haar verzoek geen bezwaar gemaakt. De man stelt zich op het standpunt dat de waarde van de aandelen juist is vastgesteld.

41. Het hof overweegt als volgt Het hof acht de minderheidskorting die de deskundige heeft toegepast op de waarde van het 5% aandelenpakket dat de man door middel van [X] B.V. houdt in [C] B.V. redelijk, mede gezien dit zeer geringe belang van de man in [C] B.V. De man is hierdoor niet in staat het beleid te bepalen, hetgeen een waardedrukkend effect heeft op zijn aandelenpakket.

42. Ter terechtzitting is aan de orde gesteld een bedrag van € 50.000,- dat in februari/maart 2013, derhalve vóór de peildatum [de peildatum] , vanuit de B.V. van de man naar de vrouw is overgeboekt. Volgens de advocaat van de vrouw betreft dit een lening van de B.V. aan de vrouw. De advocaat van de man heeft verklaard dat het bedrag van € 50.000,- in de jaarstukken 2013 is geboekt als dividenduitkering, maar dat dat slechts een etiket was aangezien het de halfjaarcijfers betrof. Naar aanleiding hiervan is zijdens de man voorts verklaard dat geen bezwaar bestaat tegen waardering van de aandelen op € 440.000,-. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de waarde van de aandelen moet worden gecorrigeerd met € 50.000,- nu dit bedrag in de voorlopige jaarstukken is geboekt als dividend en in de definitieve jaarstukken als rekening-courantvordering is opgenomen, hetgeen een actiefpost vormt voor de B.V. Het hof stelt de waarde van de aandelen van de man derhalve op € 440.000,-. Het hof merkt nog op dat voor zover per peildatum [de peildatum] sprake is van een schuld van de directie aan de B.V., dit een gemeenschapsschuld betreft die door beide partijen, ieder voor de helft, moet worden gedragen.

43. Ten aanzien van de deelneming [Y] overweegt het hof als volgt. De man heeft ter terechtzitting verklaard dat de aandelen [Y] op 7 december 2014 door [X] B.V. zijn overgenomen en heeft daarbij een beroep gedaan op een notariële akte, die hij ter terechtzitting zowel aan het hof als aan de advocaat van de vrouw heeft getoond. Het hof gaat er derhalve vanuit dat voormelde aandelen na de peildatum zijn verkregen, zodat de waarde van deze aandelen - wat daar verder ook van zij - voor wat betreft de waardering van de aandelen van [X] B.V. buiten beschouwing blijven.

44. Het hof acht de overige bezwaren van de vrouw tegen de waardering van de aandelen niet relevant omdat in het deskundigenrapport van 1 september 2014 is gewaardeerd op basis van de intrinsieke waarde en niet op basis van kasstromen. Bovendien grijpt de door de vrouw ingeschakelde deskundige [deskundige] in zijn brief van 21 augustus 2015 (productie 31) steeds terug op gegevens van ruim vóór de peildatum.

Latente belastingclaim Aanmerkelijk Belang (AB)

45. De vrouw is van mening dat indien rekening wordt gehouden met een latente belastingclaim die op de aandelen rust in 2014, het tarief van 22% moet worden gehanteerd. Indien rekening wordt gehouden met een toekomstig tarief, dan moet de claim contant worden gemaakt. Volgens de vrouw moet de heffing voorts niet berekend worden over het bedrag van € 18.000,- dat gemoeid was met de aanschaf van de aandelen. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de vrouw nog aangevoerd dat het aan de man te wijten is dat belastingheffing zal plaatsvinden, nu hij niet heeft zorggedragen voor tijdige overdracht van de aandelen. Zij is van mening dat de man 75% en de vrouw 25% van de belasting moet dragen. De man heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze wijziging van haar verzoek.

46. De man stelt zich op het standpunt dat rekening moet worden gehouden met een AB-claim van 25% nu 2013 het peiljaar is voor de heffing, en de vrouw zich in eerste aanleg met dit percentage heeft verenigd. De man erkent dat de AB-heffing niet berekend moet worden over het aanvangskapitaal van € 18.000,-. Ter terechtzitting is zijdens de man betoogd dat de belastingclaim nominaal moet worden meegenomen.

47. Het hof overweegt als volgt. Ter terechtzitting is gebleken dat de aandelen [X] B.V. nog niet aan de man zijn geleverd. Nu de tweejaarstermijn die is ingegaan na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap op [datum] en waarbinnen verdeling van de aandelen nog niet als een vervreemding wordt aangemerkt inmiddels is verstreken, zal bij de vrouw heffing plaatsvinden ter zake van inkomen uit aanmerkelijk belang. Voorts rust op de helft van de aandelen van de man een latente AB-claim.

48. Het hof acht het redelijk en billijk dat partijen ieder de eigen AB-heffing dragen en dat deze heffing niet in aanmerking wordt genomen bij de bepaling van de waarde van de aandelen. Het hof zal overeenkomstig bepalen.

Schuld van partijen bij [X] B.V. ter zake de echtelijke woning

49. Tussen partijen is in geschil een uit twee delen bestaande schuld van partijen aan [X] B.V. van in totaal € 96.511,-. Het ene leningdeel is destijds kennelijk aangegaan ter aflossing van de bij de [bank] -bank gesloten geldlening ter financiering van de echtelijke woning. Het tweede leningdeel heeft betrekking op een verbouwing van die woning. De vrouw stelt dat de gehele schuld inmiddels is afgelost. Waarschijnlijk een deel in 2011 en een deel in 2012. Bij verkoop van de woning moet met deze schuld dan ook geen rekening worden gehouden, aldus de vrouw.

50. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist en verwijst naar de balans van 2013 alsmede de definitieve jaarstukken 2013, waarin deze lening is opgenomen. Hij wenst voorts dat de vrouw met ingang van 18 november 2014 de over deze lening verschuldigde rente betaalt zolang zij de voormalige echtelijke woning bewoont, alsmede dat deze rentebetalingen mogen worden verrekend met de partneralimentatie.

51. Het hof overweegt dat voormelde schuld steeds in de jaarstukken en de jaarrekening van de man opgenomen is geweest en dat de deskundige deze schuld in zijn rapportage heeft meegenomen in de waardering van de aandelen. Hiermee staat naar het oordeel van het hof vast dat partijen per de peildatum een schuld van € 96.511,- hadden aan de B.V. waarvoor zij, ieder voor de helft, draagplichtig zijn. Ook voor de daarover verschuldigde rente geldt dat beide partijen, ieder voor de helft, draagplichtig zijn. De man heeft slechts een regresvordering op de vrouw indien hij meer dan de helft van de rente heeft betaald. Gebleken is dat de man de rente feitelijk niet betaalt. Deze wordt bijgeschreven in rekening courant. Alleen al daarom kan van verrekening van de rente met de partneralimentatie geen sprake zijn. Het hof merkt op dat beide partijen er belang bij hebben dat voormelde schuld zo spoedig mogelijk wordt afgelost, aangezien de rentetermijnen anders blijven doorlopen.

Gelet op het vorenstaande stelt het hof vast dat partijen per peildatum een schuld van € 96.511,- hadden aan [X] B.V. en dat partijen beiden, ieder voor de helft, draagplichtig zijn met betrekking tot deze schuld en de na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap verschuldigde rente daarover. De andersluidende verzoeken van partijen zullen worden afgewezen.

Rekening en verantwoording ter zake rekening-courantverhouding tussen partijen en [X] B.V.

52. De vrouw wenst inzage in het verloop en de bestedingen van de rekening-courant verhouding van partijen jegens de B.V. over de periode van 17 december 2011 tot en met [de peildatum] onder verbeurte van een dwangsom.

53. De man heeft hiertegen verweer gevoerd.

54. Het hof overweegt als volgt. In het kader van de verdeling is het verloop van de rekening-courantverhouding tussen partijen en de B.V. niet relevant. Bepalend is de schuld van partijen aan de B.V. per de peildatum. Daarnaast geldt dat op grond van artikel 1:83 BW echtgenoten elkaar desgevraagd inlichtingen verschaffen over het door hen gevoerde bestuur, alsmede over de stand van hun goederen. Naar het oordeel van het hof zijn echtgenoten op basis van deze wettelijke verplichting niet gehouden tot het afleggen van rekening en verantwoording. Het afleggen van rekening en verantwoording past niet binnen het instituut van het huwelijk, aangezien het huwelijk de bezegeling is van de lotsverbondenheid. De incidentele grief van de vrouw treft derhalve geen doel. Haar verzoek aangaande rekening en verantwoording zal worden afgewezen.

Bankrekening bij de [bank]

55. De vrouw stelt dat het saldo van de [bank] -rekening met nummer [123] per [de peildatum] alsnog in de verdeling dient te worden betrokken indien deze rekening tijdens het huwelijk reeds bestond. De man dient gegevens over te leggen en inzage te geven over het verloop van deze rekening tot [de peildatum] .

56. Volgens de man dateert deze rekening van na de peildatum, zodat het saldo niet in de verdeling dient te worden betrokken en verdere informatie omtrent het saldo niet relevant is.

57. Het hof is van oordeel dat de vrouw in het geheel niet heeft onderbouwd dat voormelde bankrekening op de peildatum aanwezig was. Het saldo op deze rekening komt derhalve niet voor verdeling in aanmerking. Inzage omtrent het verloop van de rekening is evenmin aan de orde. De verzoeken van de vrouw dienaangaande zullen worden afgewezen.

Voorschot op de verdeling van € 50.000,-

58. Gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 42 is overwogen, slaagt de incidentele grief van de vrouw gericht tegen de vaststelling door de rechtbank dat de vrouw als voorschot op de verdeling reeds een bedrag € 50.000,- heeft ontvangen. De bestreden beschikking dient in zoverre te worden vernietigd.

59. Het hof merkt nog op dat van een voorschot op de verdeling geen sprake kan zijn zolang de gemeenschap niet is ontbonden, tenzij partijen zulks in obligatoire zin zijn overeengekomen, hetgeen in de onderhavige zaak is gesteld noch gebleken.

Verzoek van de man ter zake bekrachtiging van de verdeling voor zover niet in geschil

60. De man verzoekt met inachtneming van het in zijn beroepschrift verzochte de door de rechtbank vastgestelde wijze van verdeling te wijzigen en te bekrachtigen voor zover daartegen geen grieven zijn gericht. Het hof is van oordeel dat de man geen belang heeft bij de verzochte bekrachtiging nu hetgeen door de rechtbank is beschikt en niet door het hof wordt vernietigd, in stand blijft. Voormeld verzoek zal derhalve worden afgewezen.

Gebruiksvergoeding voormalige echtelijke woning

61. De man wenst dat de vrouw hem op grond van artikel 3:169 BW vanaf [de datum ontbinding huwelijksgemeenschap] een gebruiksvergoeding van € 258,- per maand betaalt aangezien zij het genot van de woning heeft en weigert mee te werken aan de verkoop van de woning.

62. De vrouw verweert zich daartegen en voert aan dat zij met de twee jongste kinderen van partijen, thans kennelijk alleen met de dochter van partijen, in de woning woont en de hypotheeklasten van de [bank] en de eigenaarslasten betaald. Indien de man een gebruiksvergoeding wil, dient hij ook mee te betalen aan deze eigenaarslasten, aldus de vrouw.

63. Het hof overweegt als volgt. Ondanks de omstandigheid dat de vrouw alle eigenaarslasten betaalt, acht het hof het redelijk en billijk dat de vrouw met ingang van [de datum ontbinding huwelijksgemeenschap] een gebruiksvergoeding op jaarbasis betaalt van 2,5 % over de helft van de overwaarde van de woning, nu zij naast haar eigen deel het gebruik heeft van de onverdeelde helft van de woning die aan de man in eigendom toebehoort. De grief van de man slaagt. Het hof berekent deze vergoeding op [275.000 - (104.504 + 96.511)] x ½ x 2,5% = € 925,- op jaarbasis, ofwel € 77,- per maand. Het hof merkt nog op dat voor zover de vrouw met ingang van [de datum ontbinding huwelijksgemeenschap] meer dan de helft heeft betaald van de eigenaarslasten (waaronder de hypothecaire lasten), zij voor het meerdere regres heeft op de man.

Pensioenafstorting

64. Beide partijen grieven tegen het oordeel van de rechtbank dat de man € 211.743,- dient af te storten bij een in Nederland erkende levensverzekeringsmaatschappij ter verzekering van de ten behoeve van de vrouw in eigen beheer bij de vennootschap van de man ( [X] B.V.) opgebouwde pensioenaanspraken met inbegrip van het nabestaandenpensioen. De man wenst dat het pensioen in eigen beheer in zijn vennootschap blijft staan omdat de B.V. over onvoldoende middelen beschikt om tot afstorting over te gaan. De vrouw wenst afstorting van het bedrag van € 211.743,- in een door haar op te richten pensioen B.V. Zij is bereid tot conversie van de pensioenrechten voor een iets lager bedrag. De man heeft tegen deze wijziging van haar verzoek geen bezwaar gemaakt.

65. Het hof overweegt als volgt. Uit de conceptjaarrekening 2014 volgt dat er een pensioenvoorziening is opgenomen voor een bedrag van € 167.470,-. Uit de toelichting op de jaarrekening (bladzijde 15) volgt dat bij de berekening van de voorziening rekening is gehouden met een rekenrente van 3,034%. Naar aanleiding van dit rentepercentage heeft het hof de vraag gesteld of deze rekenrente ook wordt gehanteerd door verzekeringsmaatschappijen. Uit het betoog van de advocaat van de man naar aanleiding van die vraag heeft het hof begrepen dat dat niet het geval is. Uitgaande van de huidige zeer lage rentetarieven, waarbij gedacht moet worden aan een rentetarief tussen de 1% en 1,5%, is de in de jaarrekening getroffen pensioenvoorziening voor de man en de vrouw volstrekt onvoldoende. De voorziening dient, uitgaande van dit lage rentepercentage, ten minste het dubbele te zijn van het bedrag dat in de conceptjaarrekening 2014 is opgenomen. Het bedrag aan liquiditeiten dat per 31 december 2014 aanwezig is, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om de pensioenvoorziening voor de man en de vrouw af te storten onder een levensverzekeringsmaatschappij. De postrelationele solidariteit tussen ex-echtgenoten brengt met zich dat het effectief aanwezige pensioen tussen partijen in gelijke mate moet worden verevend. Nu een voorziening van ruim € 340.000,- op de balans nodig is om de totale pensioenrechten van partijen te dekken, kan van de man in redelijkheid niet worden verwacht dat hij daarvan ten behoeve van de vrouw € 211.743,- in liquiditeiten afstort, waarbij hij geen zekerheid meer heeft over de dekking van zijn eigen pensioen. In het kader van het vennootschappelijk belang dient de vennootschap ook over voldoende liquiditeiten te kunnen beschikken om aan haar lopende verplichtingen te kunnen blijven voldoen. Het volledig aanwenden van de liquiditeiten voor het afstorten van de pensioenrechten acht het hof in strijd met de belangen van de vennootschap. Voorts is het hof van oordeel dat de man ook overigens onvoldoende eigen vermogen heeft om zorg te dragen voor de afstorting van de pensioenrechten, waarbij het hof het redelijk en billijk acht dat een pensioenafstorting dan ook plaatsvindt voor beide partijen en niet slechts voor één partij. De desbetreffende grief van de man treft derhalve doel. De bestreden beschikking dient derhalve in zoverre te worden vernietigd.

Kosten deskundige

66. De rechtbank heeft bepaald dat de man 75% van de deskundigenkosten ad € 36.546,54 dient te dragen en de vrouw 25%. De man is het niet eens met deze verdeling. Hij is van mening dat partijen ieder de helft van deze kosten moeten dragen. De man voert daartoe het volgende aan. De man heeft altijd voldoende informatie verstrekt, maar kon de door de deskundige verzochte prognoses niet leveren. Partijen hebben de deskundige beiden evenveel werk verschaft. De deskundige heeft zijn voorschot overschreden, hetgeen niet alleen is toe te schrijven aan het opstellen van de prognoses.

67. De vrouw weerspreekt de stellingen van de man. Volgens de vrouw heeft de rechtbank terecht beslist zoals zij heeft gedaan.

68. Gelet op de stukken en hetgeen partijen ter zake naar voren hebben gebracht, ziet het hof geen aanleiding een andere verdeling van de deskundigenkosten te bepalen dan de gebruikelijke verdeling bij helfte. De bestreden beschikking dient in zoverre te worden vernietigd.

69. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

ter zake de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw

vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man met ingang van 18 november 2014 op € 1.747,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat hetgeen de vrouw te veel heeft ontvangen, niet door haar hoeft te worden terugbetaald;

ter zake de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin:

  • -

    de schuld aan de vader van de vrouw in de verdeling is betrokken;

  • -

    ter zake de voormalige echtelijke woning is bepaald dat deze aan een derde te koop wordt aangeboden;

  • -

    de waarde van de aandelen van [X] B.V. op € 390.000,- is bepaald en rekening is gehouden met een latente AB-claim;

  • -

    is vastgesteld dat de vrouw als voorschot op de verdeling reeds een bedrag van € 50.000,- heeft ontvangen

en, in zoverre opnieuw beschikkende:

gelast dat de voormalige echtelijke woning aan [adres] , tegen een waarde van € 275.000,- wordt toegedeeld aan de vrouw, mits zij binnen twee maanden na de datum van deze beschikking hiertoe de nodige financiering heeft geregeld en onder de verplichting om voor haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen alle met die woning verbonden geldleningen;

indien de voormelde woning aan de vrouw wordt toegedeeld, dienen eveneens aan de vrouw te worden toegedeeld de rechten voortvloeiende uit de polis bij [verzekeringsmaatschappij] met nummer [xxx] , onder de verplichting van de vrouw om aan de man te betalen de helft van de afkoopwaarde van de polis per datum verdeling;

indien de vrouw niet binnen twee maanden na de datum van deze beschikking de financiering van voormelde woning rond krijgt, dan dient deze woning alsnog te worden verkocht en geleverd aan derden, waarbij na aflossing van de geldleningen met betrekking tot de woning alsmede voldoening van de aan de verkoop verbonden kosten, de overwaarde bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld. Voorts dient in het geval van verkoop de hiervoor vermelde polis tussen partijen te worden verdeeld en wel in die zin dat:

a. de polis gelijkelijk tussen partijen wordt gesplitst

b. in het geval dit niet mogelijk is, de polis wordt afgekocht en de opbrengst tussen partijen wordt verdeeld;

bepaalt de waarde van de aandelen van [X] B.V. op € 440.000,- en bepaalt dat partijen ter zake ieder de eigen AB-heffing dienen te dragen;

stelt vast dat partijen per peildatum een schuld van € 96.511,- hebben aan [X] B.V. en dat partijen beiden, ieder voor de helft, draagplichtig zijn met betrekking tot deze schuld en de na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap verschuldigde rente daarover;

in geval van verkoop en levering van de echtelijke woning aan derden: bepaalt dat de financiële afrekening die volgt uit de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap niet eerder plaatsvindt dan binnen één maand nadat partijen de beschikking hebben gekregen over het saldo dat van de verkoopopbrengst van de echtelijke woning en de polis bij [verzekeringsmaatschappij] resteert;

ter zake de gebruiksvergoeding

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin de door de man verzochte gebruiksvergoeding is afgewezen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de vrouw aan de man met ingang van [de datum ontbinding huwelijksgemeenschap] een gebruiksvergoeding zal voldoen van € 77,- per maand tot aan de dag dat de woning uit hoofde van verdeling aan haar is geleverd, dan wel de woning is verkocht en geleverd aan derden;

ter zake de pensioenrechten

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin is bepaald dat de man € 211.743,- zal afstorten bij een in Nederland erkende levensverzekeringsmaatschappij ter verzekering van de ten behoeve van de vrouw in eigen beheer bij [X] B.V. opgebouwde pensioenaanspraken met inbegrip van het nabestaandenpensioen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de vrouw tot afstorting van een bedrag van € 211.743,- in een door haar op te richten pensioen B.V. af;

ter zake de kosten van de deskundige

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin is bepaald dat de man 75% en de vrouw 25% van de kosten deskundige dient te dragen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de kosten van de deskundige door beide partijen, ieder voor de helft, moeten worden gedragen en veroordeelt de vrouw om ter zake tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de man te voldoen € 9.136,63;

voorts

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, A.E. Sutorius-van Hees en A.R.J. Mulder, bijgestaan door mr. T. de Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2015.