Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3833

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-12-2015
Datum publicatie
02-02-2016
Zaaknummer
22-002830-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft, rijdend onder invloed van alcohol, op de bewezen verklaarde wijze een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij een van de inzittenden zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Het hof ontzegt tevens de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002830-14

Parketnummer: 10-820019-13

Datum uitspraak: 29 december 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 juni 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1968,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 15 december 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is de verdachte ter zake van het onder 2 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 21 augustus 2012 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Brandingdijk, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl

- hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig is gaan rijden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn adem 600 microgram, in elk geval meer dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bedroeg en/of hij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, en/of

- hij, verdachte, (mede) door het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij als bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist, ondanks genoemde toestand (als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994) een voertuig is gaan besturen en blijven besturen en/of

met een gelet op de situatie (flauwe bocht) te hoge snelheid heeft gereden en/of (aldus rijdende) niet het verloop van de rijbaan van die Brandingdijk heeft gevolgd of heeft kunnen volgen en/of over een verhoogd middengedeelte van die rijbaan is gereden en/of (vervolgens) de controle over het voertuig is verloren,

waarna het voertuig in de berm is gereden en aldaar tegen twee bomen is gebotst,

waardoor een inzittende in het voertuig van verdachte, genaamd [benadeelde partij], zwaar lichamelijk letsel (te weten een halswervelbreuk) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 augustus 2012 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Brandingdijk, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte toen daar, terwijl

- hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig is gaan rijden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn adem 600 microgram, in elk geval meer dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bedroeg en/of hij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, en/of

- hij, verdachte, (mede) door het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij als bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist,

ondanks genoemde toestand (als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994) een voertuig is gaan besturen en blijven besturen en/of

met een gelet op de situatie (flauwe bocht) te hoge snelheid heeft gereden en/of (aldus rijdende) niet het verloop van de rijbaan van die Brandingdijk heeft gevolgd of heeft kunnen volgen en/of over een verhoogd middengedeelte van die rijbaan is gereden en/of (vervolgens) de controle over het voertuig is verloren,

waarna het voertuig in de berm is gereden en aldaar tegen twee bomen is gebotst;

2:
hij op of omstreeks 21 augustus 2012 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 600 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 21 augustus 2012 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte in verband met het gebeurde op 21 augustus 2012 heeft deelgenomen aan het alcoholslotprogramma. Uit de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde brief van het CBR van 22 juni 2015 blijkt voorts dat hij dat programma inmiddels ook met succes heeft afgerond. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 3 maart 2015 (ECLI:NL:HR2015:434) heeft dit de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging ter zake van het onder 2 (primair en subsidiair) ten laste gelegde feit tot gevolg.

Het hof zal de advocaat-generaal dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van de verdachte voor het onder 2 ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op of omstreeks 21 augustus 2012 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Brandingdijk, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl

- hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig is gaan rijden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn adem 600 microgram, in elk geval meer dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bedroeg en/of hij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, en/of

- hij, verdachte, (mede) door het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij als bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist, ondanks genoemde toestand (als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994) een voertuig is gaan besturen en blijven besturen en/of

met een gelet op de situatie (flauwe bocht) te hoge snelheid heeft gereden en/of (aldus rijdende) niet het verloop van de rijbaan van die Brandingdijk heeft gevolgd of heeft kunnen volgen en/of over een verhoogd middengedeelte van die rijbaan is gereden en/of (vervolgens) de controle over het voertuig is verloren,

waarna het voertuig in de berm is gereden en aldaar tegen twee bomen is gebotst,

waardoor een inzittende in het voertuig van verdachte, genaamd [benadeelde partij], zwaar lichamelijk letsel (te weten een halswervelbreuk) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van deze wet.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft, rijdend onder invloed van alcohol, op de bewezen verklaarde wijze een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij een van de inzittenden zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De verdachte heeft door zijn verkeersgedrag blijk gegeven van een gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van de veiligheid van andere verkeersdeelnemers en is zich te laat bewust geworden van de grote gevaren die het op de bewezen verklaarde wijze besturen van een auto teweegbrengt voor het menselijk leven, de lichamelijke integriteit van anderen en de verkeersveiligheid.

Het voorgaande betekent dat de door de advocaat-generaal gevorderde straf voor zover betrekking hebbend op het onder 1 primair ten laste gelegde in beginsel passend kan worden genoemd.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 november 2015, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder - zij het al langere tijd geleden - onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de ouderdom van het feit, de omstandigheid dat de verdachte in vrijwillig kader in behandeling is gegaan bij Bouman GGZ, zich heeft aangemeld voor een behandeling bij PsyQ en zich na het ongeval niet meer aan soortgelijke of andersoortige feiten schuldig heeft gemaakt.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur in combinatie met een deels voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman, mr. A.E.A.M. van Waesberghe en mr. M.C.R. Derkx, in bijzijn van de griffier mr. F.P. van Straelen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 december 2015.