Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3831

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-12-2015
Datum publicatie
02-02-2016
Zaaknummer
22-002910-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:3120, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich na het uitgaan schuldig gemaakt aan mishandeling van iemand met wie hij eerder op de avond een woordenwisseling had gehad, door het slachtoffer zo hard op zijn kaak te stompen dat deze op meerdere plaatsen is gebroken.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002910-15

Parketnummers: 10-039046-15 en 10-740034-12 (TUL)

Datum uitspraak: 29 december 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 juni 2015 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortejaar] 1978,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 15 december 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en is de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf opgelegd bij vonnis van de rechtbank Rotterdam met parketnummer 10-740034-12 afgewezen.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 januari 2015 te Rotterdam aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (op 3 plaatsen) gebroken kaak, heeft toegebracht door die [benadeelde partij] in/op/tegen het gezicht te slaan/stompen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 10 januari 2015 te Rotterdam [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] in/op/tegen het gezicht te slaan/stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een (op 3 plaatsen) gebroken kaak ten gevolge heeft gehad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 10 januari 2015 te Rotterdam [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] in/op/tegen het gezicht te slaan/stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een (op 2 plaatsen) gebroken kaak ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bespreking van de gevoerde verweren

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep als primair standpunt bepleit dat de verdachte uit noodweer heeft gehandeld en als subsidiair standpunt aangevoerd dat aan de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep komt het hof - evenals de rechtbank - tot het oordeel dat aannemelijk is geworden dat de verdachte zich in een noodweersituatie bevond. De aangever is de confrontatie met de verdachte aangegaan door de verdachte bij zijn kraag te grijpen. De verdachte werd aldus blootgesteld aan een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen hij zich mocht verdedigen. Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte zich op dat moment daaraan kon onttrekken door bijvoorbeeld weg te lopen.

Met de rechtbank is het hof echter tevens van oordeel dat het handelen van de verdachte in deze noodweersituatie niet proportioneel is geweest. De verdachte heeft de aangever met de rechtervuist op de kaak gestompt. Gelet op het letsel dat hij de aangever met deze stomp heeft toegebracht, te weten een dubbele kaakbreuk, moet het een zeer harde stomp zijn geweest. Dergelijk geweld stond niet in redelijke verhouding tot het door de verdachte te duchten gevaar, nu de aangever de verdachte slechts bij zijn kraag had beetgepakt en ongewapend was. Daarnaast was de aangever alleen, terwijl de verdachte in gezelschap van een aantal vrienden was. Met het oog daarop stonden er voor de verdachte andere, minder ingrijpende verdedigingsmiddelen open, bijvoorbeeld de aangever wegduwen.

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat ook het beroep op noodweerexces niet slaagt, nu niet aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Bij de politie heeft de verdachte in eerste instantie enkel verklaard dat hij de aangever ‘uit een reflex’ sloeg en later in dat verhoor gezegd dat hij ‘ook een beetje bang en gespannen’ was. Pas ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij een week eerder had gezien dat de aangever iemand met een mes achterna had gezeten en dat de aangever erom bekend staat dat hij erg sterk is. Ook indien het hof uitgaat van die ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring, kan daaruit niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte in dusdanige angst, vrees of radeloosheid verkeerde dat hij niet in staat was de gevolgen van zijn handelen te overzien of dat anderszins sprake was van een hevige gemoedsbeweging.

De verweren worden verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich na het uitgaan schuldig gemaakt aan mishandeling van iemand met wie hij eerder op de avond een woordenwisseling had gehad, door het slachtoffer zo hard op zijn kaak te stompen dat deze op meerdere plaatsen is gebroken. Aldus handelende heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van een dergelijk feit nog een lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden. Bovendien worden daardoor in de maatschappij levende gevoelens van angst en onveiligheid aangewakkerd.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 november 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof neemt in het voordeel van de verdachte in aanmerking dat hij, blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, thans een vaste baan heeft en als kostwinner zijn partner en dochter onderhoudt.

Met het oog op de strafmaat is namens de verdachte het verweer gevoerd dat sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim, waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken en dat op de voet van artikel 359a, eerste lid, aanhef en sub a van het Wetboek van Strafvordering tot strafvermindering dient te leiden.

Uit het dossier blijkt dat op 17 februari 2015, na daarvoor verkregen toestemming van de persofficier van justitie, via de afdeling communicatie van politie eenheid Rotterdam, een fotoprint van de verdachte is gepubliceerd in de publiekskrant Metro ter herkenning en vaststelling van de identiteit van de verdachte. Volgens de verdediging volgt uit het bepaalde onder paragraaf 4.1 van de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving echter dat niet de persofficier, maar de hoofdofficier van justitie de voor de inzet van opsporingsberichtgeving verantwoordelijke en daartoe bevoegde instantie is. Namens de verdachte wordt betwist dat deze bevoegdheid is gemandateerd aan de persofficier van justitie, zoals het openbaar ministerie heeft betoogd. Daarnaast is door de publicatie van de foto van de verdachte in een landelijk dagblad volgens de verdediging bij de opsporing gehandeld in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Door de publicatie van de foto in de Metro heeft de verdachte zijn baan verloren, althans heeft de beoogde werkgever zijn aanbod om de verdachte in dienst te nemen ingetrokken, terwijl volgens de verdediging volstaan had kunnen worden met minder ver gaande opsporingsmethoden, zoals het verrichten van een buurtonderzoek en het plaatsen van een algemene oproep aan getuigen om zich te melden.

Het hof stelt allereerst vast dat de publicatie van de foto van de verdachte in de Metro pas heeft plaatsgevonden toen het onderzoek naar de opgenomen camerabeelden en vervolgens de plaatsing van drie fotoprints op het intranet van de politie eenheid Rotterdam, gedurende een periode van enkele weken, niet bleek te leiden tot een herkenning of mogelijkheid tot vaststelling van de identiteit van de verdachte. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de inzet van een verdergaande opsporingsmethode als publicatie in de publieke media, zoals de Metro, op dat moment was gerechtvaardigd, nu het ging om een ernstig geweldsfeit, dat in de nachtelijke uren had plaatsgevonden en tot ernstige gevolgen had geleid.

Het hof stelt echter tevens vast dat de genoemde Aanwijzing Opsporingsberichtgeving uitdrukkelijk en dwingend voorschrijft dat voor de inzet van opsporingsberichtgeving toestemming van de hoofdofficier van justitie moet zijn verkregen. Met dit voorschrift wordt mede beoogd te waarborgen dat niet lichtvaardig inbreuk wordt gemaakt op de privacy van de verdachte. Aangezien het hof niet is gebleken van een door de hoofdofficier van justitie aan de persofficier gegeven mandaat of toestemming voor publicatie van de foto van de verdachte in de Metro is naar het oordeel van het hof sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Sv. Gelet op het belang dat met het geschonden voorschrift wordt gediend en de door de verdachte door de schending daarvan ondervonden nadelige gevolgen ziet het hof aanleiding om de hoogte van de op te leggen straf te verlagen als hierna vermeld.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden een in beginsel passende en geboden reactie vormt. Gelet op het geconstateerde vormverzuim zal hierop een korting worden toegepast van een maand, aldus dat een voorwaardelijke gevangenisstraf resteert van een maand.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 2.104,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, te weten tot een bedrag van € 1.604,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij evenwel aangetoond dat tot een bedrag van € 104,- aan materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal voor wat betreft het materiële gedeelte derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 1.500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.604,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen om dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [benadeelde partij].

Dit brengt met zich dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 mei 2014 onder parketnummer 10-740034-12 is de verdachte onder meer – voor zover hier van belang - veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de bovengenoemde voorwaardelijk opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd, met dien verstande dat een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, in plaats van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf wordt opgelegd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan, terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf is derhalve gegrond.

In plaats van tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf zal het hof evenwel - gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, en conform de vordering van de advocaat-generaal - een taakstraf voor de duur van 60 uren gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.604,- (duizend zeshonderdvier euro) bestaande uit € 104,- (honderdvier euro) materiële schade en € 1.500,- (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.604,- (duizend zeshonderdvier euro) bestaande uit € 104,- (honderdvier euro) materiële schade en € 1.500,- (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 (zesentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van 27 mei 2014 met parketnummer 10‑740034‑12, aldus dat in plaats van de opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, een taakstraf wordt verricht voor de duur van 60 (zestig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman, mr. A.E.A.M. van Waesberghe en mr. M.C.R. Derkx, in bijzijn van de griffier mr. F.P. van Straelen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 december 2015.