Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:382

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-01-2015
Datum publicatie
03-03-2015
Zaaknummer
BK-13_01761 en BK-13_01762
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:14230, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de beschikkingen terecht heeft genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/495
V-N 2015/24.4 met annotatie van Redactie
FutD 2015-0579
NTFR 2015/1012
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-13/01761 en BK-13/01762

Uitspraak d.d. 28 januari 2015

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst, kantoor Hoofddorp, de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 22 oktober 2013, nummers AWB 13/1574 en AWB 13/1575, betreffende na te melden beschikkingen.

Beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft op 28 november 2012 over de jaren 2009 en 2010 aan belanghebbende informatiebeschikkingen gegeven als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de beschikkingen bezwaar gemaakt. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 12 februari 2013 heeft de Inspecteur de beschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en belanghebbende in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag waarop de uitspraak is verzonden, alsnog aan de Inspecteur de in de informatiebeschikkingen gevraagde informatie te verstrekken.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Van belanghebbende is in hoger beroep een griffierecht geheven van in totaal € 118 voor de behandeling van de zaken BK-13/01761 en BK-13/01762. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 17 december 2014, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. De griffier heeft een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Op grond van de stukken van het geding gaat het Hof in hoger beroep uit van de volgende door de rechtbank in haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als “eiser” en de Inspecteur als “verweerder” heeft aangeduid.

“1. Op 18 februari 2005 hebben de Belgische autoriteiten in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen fotokopieën verstrekt aan de FIOD-ECD Team Internationaal, welke bij een huiszoeking in België in beslag waren genomen. De belastingdienst heeft naar aanleiding van deze gegevens vervolgens onderzoek gedaan, later bekend geworden als het project Bank Zonder Naam. Het onderzoek richtte zich op het vaststellen van de identiteit van Nederlandse rekeninghouders bij Van Lanschot Bankiers (Luxemburg) SA te Luxemburg (VLB), waarvan de gegevens waren vermeld op vorengenoemde fotokopieën (de renseignementen).

2. De renseignementen vermelden onder meer een rekening met nummer [A] ten name van [B] met een saldo op 5 september 1996 van ƒ 308.393,48

(ƒ 1.063,44 lopende rekening, ƒ 290.650 obligaties en ƒ 16.680,04 beleggingsfondsen), alsmede een rekening met nummer [C] ten name van [D], met een saldo op 28 november 1996 van ƒ 362.072,66 (ƒ 1.232,36 lopende rekening, ƒ 354.385,00 obligaties en

ƒ 6.459,30 beleggingsfondsen). Verweerder heeft eiser als houder van die rekeningen geïdentificeerd en hem hierover voor het eerst op 18 november 2008 aangeschreven.

3. Eiser, geboren [in] 1946, was tot [E]1996 gehuwd met [F]

, geboren [in] 1948. Eiser heeft in zijn aangiften inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 2009 en 2010 geen vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een buitenlandse bankrekening bij VLB.

4. Bij brief van 16 oktober 2012 heeft verweerder eiser als rekeninghouder van een buitenlandse bankrekening om nadere informatie verzocht, waaronder de bankafschriften over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010. Als bijlage bij die brief zijn een tweetal formulieren gevoegd, te weten een formulier “Verklaring In het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en een formulier “Opgaaf In het buitenland aangehouden bankrekening(en)”. In die formulieren wordt van eiser gevraagd om – onder vermelding van onder andere rekeningnummers, namen van buitenlandse banken en jaren van opening van de rekeningen – aan te geven van welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen hij rekeninghouder is geweest. Bij brief van 13 november 2012 heeft verweerder, onder verwijzing naar de vragenbrief van 16 oktober 2012, een herinneringsbrief aan eiser gestuurd. Eiser heeft op beide brieven van verweerder niet gereageerd. Vervolgens heeft verweerder de onderhavige informatiebeschikkingen gegeven.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de beschikkingen terecht heeft genomen, welke vraag belanghebbende ontkennend beantwoordt en de Inspecteur bevestigend.

4.2.

Belanghebbende heeft ter ondersteuning van zijn standpunt zakelijk weergegeven – het navolgende aangevoerd.

De Inspecteur had de informatiebeschikkingen niet mogen nemen. De rechtbank heeft geen rekening gehouden met het tijdsverloop dat is verstreken vanaf de datum van het renseignement en de jaren waarover thans informatie wordt opgevraagd. Elk belastingjaar staat op zich en de rechtbank had dus voor elk jaar feiten moeten vaststellen op grond waarvan kan worden aangenomen dat belanghebbende rekeninghouder is in dat jaar. De kracht van het bewijs van het renseignement neemt af voor de latere belastingjaren. Het is algemeen bekend dat het niet vanzelfsprekend is dat rekeninghouders voor een langere periode een rekening aanhouden. De rechtbank had moeten meewegen dat bewijs leveren van iets wat niet bestaat voor belanghebbende heel lastig is en dat belanghebbende daardoor in bewijsnood verkeert.

Het is algemeen bekend dat VLB geen informatie verstrekt. Belanghebbende heeft de VLB aangeschreven maar VLB heeft geweigerd een verklaring af te geven, waarmee wordt bevestigd dat belanghebbende geen rekening heeft bij VLB. De bank verricht geen onderzoek wanneer belanghebbenden langer dan 10 jaar geleden cliënt waren en wanneer zij cliënten zijn geweest en de rekening is opgeheven geeft de bank in het geheel geen verklaring in verband met het in Luxemburg geldende bankgeheim.

4.3.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de door hem genomen beschikkingen rechtens juist zijn.

4.4.

Voor een verdere uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vernietiging van de beschikkingen.

5.2.

De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als “eiser” en de Inspecteur als “verweerder” heeft aangeduid:

”8. Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Awr is een ieder verplicht desgevraagd aan verweerder de gegevens en inlichtingen te verschaffen en bescheiden over te leggen die voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen. Indien met betrekking tot een – voor zover hier van belang – op te leggen aanslag niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 47 van de Awr, kan verweerder dit op grond van artikel 52a, eerste lid, van de Awr vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (de informatiebeschikking).

9. De rechtbank stelt voorop dat in het onderhavige geval voor de beoordeling of de gegeven informatiebeschikkingen rechtmatig zijn, van belang is of eiser heeft voldaan aan de op hem rustende informatieverplichting van artikel 47 van de Awr. Verweerder neemt het standpunt in dat dit niet het geval is. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat op verweerder de last rust om dit aannemelijk te maken.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit aannemelijk gemaakt. Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verweerder heeft de gegevens van de rekeninghouders zoals vermeld op de renseignementen vergeleken met de gegevens in het geautomatiseerde systeem Beheer van Relaties van de belastingdienst (hierna: het BVR-systeem). Het BVR-systeem wordt voor wat betreft natuurlijke personen gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de combinatie van de achternamen van eiser en zijn ex-echtgenote alsmede de combinatie van de achternaam en de voorletters van eiser en de omstandigheid dat, zoals blijkt uit de door verweerder ingebrachte schermprints uit het BVR-systeem, maar één persoon in het BVR-systeem voorkomt met voormelde naamcombinaties, aannemelijk gemaakt dat eiser rekeninghouder is (geweest) van de in de renseignementen opgenomen rekeningen bij VLB, zoals hiervoor onder 2. is vermeld.

11. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem gevraagde informatie voor de belastingheffing van eiser voor de jaren 2009 en 2010 van belang kon zijn. Voor de aanwezigheid van een belang als bedoeld in artikel 47 van de Awr is namelijk slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige (vgl. Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23 034, LJN: AW8125). Gelet op de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens en de door verweerder uitgevoerde identificatie die erin resulteerde dat eiser als rekeninghouder van voormelde rekeningen kon worden aangewezen, bestond er voor verweerder voldoende aanleiding om eiser, nu dit ook voor zijn belastingheffing voor de jaren 2009 en 2010 van belang kon zijn, nadere inlichtingen te vragen omtrent de hiervoor genoemde rekeningen bij VLB. De enkele omstandigheid dat de renseignementen saldigegevens bevatten uit het jaar 1996 kan, anders dan eiser van mening is, aan voormeld oordeel niet afdoen, nu hieruit niet kan worden afgeleid dat er voor de jaren 2009 en 2010 geen belang (meer) zou zijn voor de belastingheffing van eiser. Het kan immers niet worden uitgesloten dat eiser, die in ieder geval in 1996 rekeninghouder was van voormelde VLB-rekeningen, ook in latere jaren nog steeds rekeninghouder was van die VLB-rekeningen, zo ook in 2009 en 2010. De hoogte van de saldi van die rekening op 5 september 1996 en 28 november 1996 alsmede de wijze waarop die saldi zijn belegd, te weten nagenoeg geheel in obligaties en beleggingsfondsen, wijst op een belegging voor de lange termijn. Nu het voorts een algemene ervaringsregel is dat buitenlandse banktegoeden in een land met een bankgeheim voor een langere periode worden aangehouden, vraagt dit om een nadere toelichting van de zijde van eiser.

12. Nu eiser, ondanks herhaalde verzoeken van verweerder daartoe, geen gegevens over voormelde rekeningen heeft verstrekt, heeft eiser niet aan zijn informatieverplichting voldaan. Aldus zijn ten aanzien van eiser terecht de onderhavige informatiebeschikkingen gegeven.

13. Het beroep van eiser op de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 september 2012 (nr. 12/1937, ECLI:NL:RBBRE:2012:BY2216) kan niet tot een ander oordeel leiden, nu in het daar voorliggende geval, anders dan hier het geval is, verweerder niet aannemelijk had gemaakt dat de desbetreffende belastingplichtige in een eerder oud jaar (1994) gerechtigd was tot een buitenlandse bankrekening.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard. De rechtbank zal eiser op grond van artikel 27e, tweede lid, van de Awr een nieuwe termijn stellen om de in de informatiebeschikkingen gestelde vragen te beantwoorden en de verzochte informatie te verstrekken. De rechtbank acht een termijn van zes weken passend. De rechtbank acht het verder redelijk deze termijn te doen aanvangen vanaf de dag na die van verzending van de uitspraak.

Proceskosten

15. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Het gaat erom of de in de beschikkingen gevraagde informatie over het verloop van de rekening [A] en rekening [C] bij VLB van belang kan zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Het Hof beantwoordt die vraag bevestigend. De omstandigheid dat bij rekening [A] twee achternamen zijn vermeld met een verbindingsstreepje ertussen duidt op een gehuwdenrekening. Bij de rekening [A] komt in het BVR-systeem de combinatie van achternamen slechts overeen met die van belanghebbende en zijn ex-echtgenote. Bij de rekening [C] komen de voorletters en achternaam slechts met één achternaam en voornaam die voorkomt in het BVR-systeem overeen en dat is ook die van belanghebbende.

7.2.

De hoogte van de saldi van de rekeningen per september 1996 en november 1996 alsmede de omstandigheid dat sprake is van beleggingen in obligaties en beleggingsfondsen doen aannemelijk zijn dat belanghebbende een belegging voor de lange termijn aanhoudt of heeft aangehouden. De omstandigheid dat belanghebbende is gescheiden maakt dit niet anders omdat rekening [C] slechts de naam van belanghebbende vermeldt.

7.3.

Anders dan belanghebbende stelt, is voor de beantwoording van de vraag of de Inspecteur bij belanghebbende informatie mocht opvragen niet bepalend of de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende een rekening bij VLB heeft in de jaren waarover de informatie wordt gevraagd. Ten overvloede zij nog overwogen dat belanghebbende van zijn stelling dat hij zich tevergeefs tot de VLB heeft gewend en in de onmogelijkheid verkeert om informatie te verschaffen geen bewijs heeft bijgebracht.

7.4.

De Inspecteur kon zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie voor de belastingheffing van belanghebbende voor de jaren 2009 en 2010 van belang kon zijn, omdat die informatie helderheid zou kunnen geven over de vraag of belanghebbende in die jaren over niet door hem aangegeven vermogen beschikte (vergelijk HR 18 april 2003, nr. 38 122, ECLI:NL:HR:2003:AF7498).

7.5.

Het Hof komt tot de conclusie dat de Inspecteur belanghebbende terecht om informatie over het verloop van de rekeningen [A] en [C] bij VLB heeft gevraagd onder verwijzing naar artikel 47 van de Awr.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht, nu het hoger beroep ongegrond is, geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Evenmin is er aanleiding belanghebbende het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, G.J. van Leijenhorst en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 28 januari 2015 in het openbaar uitgesproken. De uitspraak is bij afwezigheid van mr. Van Walderveen ondertekend door mr. Van Leijenhorst.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.