Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3818

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2015
Datum publicatie
19-01-2016
Zaaknummer
200.148.645/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1042, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vordering ex art. 47 AWR tot verstrekking gegevens aan belastingdienst; onmogelijkheid aan veroordeling te voldoen; wilsafhankelijk materiaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-0213
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.148.645/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/435063/KG ZA 13-1069

arrest van 23 juni 2015

inzake

1. [appellant],

2. [appellante],

wonende te [woonplaats] ),

appellanten,

hierna te noemen: [appellant] (enkelvoud),

advocaat: mr. A.J.F. Gonesh,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: ‘de Staat’ dan wel ‘de Belastingdienst’,

advocaat: mr. W.I. Wisman.

Het geding

Bij exploot van 10 december 2013 heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 19 november 2013, gewezen tussen partijen. De Staat heeft door middel van een anticipatie-exploot de aangezegde rechtsdag vervroegd. Bij memorie van grieven heeft [appellant] tegen het bestreden vonnis vijf grieven aangevoerd, die de Staat bij memorie van antwoord (met producties) heeft bestreden. De Staat heeft incidenteel geappelleerd en daarbij drie grieven aangevoerd, die [appellant] bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft bestreden. Op 30 maart 2015 hebben partijen de zaak voor het hof doen bepleiten, [appellant] door zijn advocaat en de Staat door mrs. J.M.L. van Duin en R.S.I. Lawant, advocaten te Den Haag, waarbij beide partijen zich hebben bediend van pleitnota’s die aan het hof zijn overgelegd. [appellant] heeft bij die gelegenheid nog een productie in het geding gebracht. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1

Aangezien geen grieven zijn aangevoerd tegen de feiten die de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.6 heeft samengevat, zal ook het hof van deze feiten uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.2

De Belastingdienst heeft van de Belgische autoriteiten de beschikking gekregen over gegevens van Nederlandse rekeninghouders bij de Krediet Bank Luxemburg te Luxemburg (hierna: KBL). Het betreft fotokopieën van microfiches die afkomstig zijn uit de interne administratie van KBL. Aan de hand van deze gegevens heeft de Belastingdienst geconcludeerd dat [appellant] een rekening (nr. 101093) aanhield bij KBL (hierna: de rekening).

1.3

Bij een op 25 maart 2002 gedateerde ‘Verklaring buitenlandse bankrekeningen’ heeft [appellant] , onder protest en voorbehoud van rechten, verklaard na 1 januari 1990 houder te zijn (geweest) van de rekening.

1.4

Bij brieven van 12 en 25 maart 2002 en 25 juni en 2013 heeft de Belastingdienst [appellant] verzocht bepaalde inlichtingen te verstrekken over de rekening. Bij brief van 16 augustus 2013 heeft de advocaat van de Staat [appellant] tot het verstrekken van deze inlichtingen een termijn gesteld tot 30 augustus 2013. [appellant] heeft de gevraagde inlichtingen niet verstrekt. Ook heeft [appellant] geen mondelinge toelichting aan de Belastingdienst verstrekt.

1.5

[appellant] heeft KBL verzocht bankafschriften en andere gegevens tot 2000, waarover [appellant] zegt niet meer te beschikken, met betrekking tot de rekening te verstrekken, maar KBL heeft aan dat verzoek aanvankelijk geen gevolg gegeven. Uiteindelijk heeft KBL wel bankbescheiden vanaf 1997 verstrekt aan [appellant] .

1.6

In dit kort geding vordert de Belastingdienst dat, samengevat, [appellant] wordt bevolen om (A) te verklaren welke buitenlandse rekeningen hij na 31 januari 1994 bij KBL en bij eventuele andere buitenlandse banken heeft aangehouden dan wel nog aanhoudt, (B) over die rekeningen vragen te beantwoorden en bescheiden, waaronder bankafschriften, over te leggen, (C) op de onder (A) en (B) bedoelde gegevens een mondelinge toelichting te verstrekken, (D) een en ander op straffe van een dwangsom en (E) met veroordeling van [appellant] in de proceskosten en (F) de nakosten.

1.7

De voorzieningenrechter heeft [appellant] veroordeeld (i) om aan de Belastingdienst kopieën te verstrekken van alle afschriften van de rekening over de periode 1994 tot datum vonnis, daaronder begrepen voor zover van toepassing het bewijs van opheffing van de rekening, alsmede schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo na opheffing, (ii) om aan de Belastingdienst een mondelinge toelichting te geven op de “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en) d.d. 25 maart 2002”, alsmede op de onder (i) bedoelde bescheiden, (iii) een en ander op straffe van een dwangsom van € 2.500 per dag, tot een maximum van € 250.000. De voorzieningenrechter heeft tevens bepaald dat de door [appellant] aan de Belastingdienst te verstrekken informatie uitsluitend door de Belastingdienst gebruikt mag worden ten behoeve van de belastingheffing, indien en voor zover deze informatie wilsafhankelijk materiaal (bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige) betreft.

1.8

De voorzieningenrechter overwoog dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet over de door de Belastingdienst gevraagde informatie beschikt. De enkele stelling dat die informatie tijdens een verhuizing verloren is gegaan volstaat niet. [appellant] wist ook al sinds 2002 dat hij nadere informatie diende te verstrekken en hij had dan ook toen de benodigde informatie bij KBL moeten opvragen. Indien KBL de verlangde informatie niet kan of wil verstrekken komt dat voor rekening en risico van [appellant] . Voldoende aannemelijk is bovendien dat attesten van opening en afsluiting van de desbetreffende bankrekening wel door KBL kunnen worden verstrekt. Nu [appellant] het op 25 maart 2002 gedateerde formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” al heeft ingevuld en de Belastingdienst niet heeft gesteld of aannemelijk gemaakt dat dit formulier onjuist of onvolledig is ingevuld, is onduidelijk wat het belang van de Belastingdienst is bij het opnieuw laten invullen van dit formulier. Voor zover het petitum strekt tot het invullen van het formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” is de vordering niet toewijsbaar, aangezien dit formulier niet is overgelegd, aldus nog steeds de voorzieningenrechter.

ontvankelijkheid Belastingdienst

2.1

Voordat het hof overgaat tot een bespreking van de grieven in het principaal en het incidenteel appel, dient het na te gaan of de Belastingdienst in zijn vorderingen ontvankelijk is, nu uit de stukken (met name producties 5 en 6 bij inleidende dagvaarding) valt op te maken dat tussen [appellant] en de inspecteur geschillen aanhangig zijn, of zijn geweest, in verband met dezelfde materie. Het hof dient dit ambtshalve ook buiten de grieven om na te gaan, aangezien het hierbij gaat om de bevoegdheidsverdeling tussen de burgerlijke en de belastingrechter.

2.2

Uit de als productie 5 bij inleidende dagvaarding overgelegde uitspraak van de belastingkamer van dit hof van 3 februari 2012, blijkt dat het daarin gaat om navorderingsaanslagen over de jaren 1991 tot en met 2000. Dit staat er echter niet aan in de weg dat de Belastingdienst bij de burgerlijke rechter informatie vordert die de inspecteur kan gebruiken voor het opleggen van (navorderings)aanslagen over andere jaren waarover nog geen geding aanhangig is (HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130). Het hof acht het ook aannemelijk dat de door de Belastingdienst gevorderde informatie van belang kan zijn voor het opleggen van (navorderings)aanslagen over de jaren na 2000, aangezien daarvoor van belang kan zijn in hoeverre [appellant] nog beschikt over het vermogen dat afkomstig is van de rekening. Indien de inspecteur het via de onderhavige procedure verkregen materiaal in strijd met het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 1988 (ECLI:NL:HR:1988:ZC3761, BNB 1988/160) in de aanhangige procedure bij de belastingrechter wil inbrengen, zal [appellant] dat bij die rechter aan de orde kunnen stellen.

2.3

De Belastingdienst is dus ontvankelijk in zijn vordering.

het principaal appel

3.1

In grief 1 voert [appellant] aan dat de voorzieningenrechter de Staat niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn vorderingen, omdat op grond van art. 52a lid 4 AWR uitsluitend de Inspecteur bevoegd was de onderhavige vorderingen in te stellen. Deze grief faalt op grond van hetgeen de Hoge Raad omtrent dit geschilpunt heeft overwogen in zijn arresten van 24 april 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1130, ECLI:NL:HR:2015:1135 en ECLI:NL:HR:2015:1141, telkens rov. 5.1).

3.2

In grief 2 komt [appellant] op tegen het vonnis van de voorzieningenrechter met een betoog, dat er op neerkomt dat de Belastingdienst er kennelijk van uitgaat dat [appellant] gehouden is om gegevens minimaal 19 jaar te bewaren maar dat die opvatting in strijd is met de wettelijke bewaartermijnen. Voor [appellant] , op wie geen enkele bewaarplicht rust, geldt dat de Belastingdienst na het verstrijken van zeven jaar geen gegevens en bescheiden kan opvragen. De voorzieningenrechter heeft dit miskend, aldus [appellant] .

3.3

Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog. Anders dan [appellant] aanvoert, valt in het standpunt van de Belastingdienst niet te lezen dat [appellant] gehouden zou zijn bankgegevens gedurende minimaal 19 jaar te bewaren. Ook het vonnis van de voorzieningenrechter berust niet op een dergelijke opvatting. De voorzieningenrechter is er onmiskenbaar van uitgegaan dat [appellant] de gegevens waarover hij (nog) beschikt of redelijkerwijs kan beschikken aan de Belastingdienst dient te verstrekken. De kennelijk aan de stelling van [appellant] ten grondslag liggende opvatting, dat hij op grond van art. 47 AWR niet gehouden zou zijn gegevens te verstrekken waarover hij nog wel beschikt of kan beschikken maar waarvan de bewaartermijn is verstreken, vindt geen steun in het recht. Zoals [appellant] zelf constateert is de verplichting van art. 47 AWR niet aan enige termijn gebonden. Ook overigens kan het betoog van [appellant] niet gevolgd worden, nu hij erkent dat voor hem in het geheel geen bewaarplicht geldt. Niet valt in te zien waarom een voor anderen maar niet voor hem geldende bewaarplicht van invloed zou kunnen zijn op de verplichtingen die voor [appellant] voortvloeien uit art. 47 AWR.

3.4

Grief 2 faalt.

3.5

Met grief 3 komt [appellant] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellant] gehouden is een mondelinge toelichting te geven op hetgeen hij heeft ingevuld op het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” d.d. 25 maart 2002. Dit deel van de vordering had volgens [appellant] bij gebrek aan belang moeten worden afgewezen, omdat niet blijkt dat [appellant] ooit is uitgenodigd tot het geven van een dergelijke toelichting dan wel heeft geweigerd die toelichting te verstrekken.

3.6

Het hof stelt voorop dat de voorzieningenrechter met het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” d.d. 25 maart 2002 kennelijk het oog heeft op de op 25 maart 2002 gedateerde “Verklaring buitenlandse bankrekeningen” (productie 3 bij inleidende dagvaarding).

3.7

De grief faalt. Kennelijk is de voorzieningenrechter er van uitgegaan dat [appellant] niet bereid zou zijn geweest de verlangde mondelinge toelichting te verstrekken, indien hij daartoe zou zijn uitgenodigd. Dat is geenszins onbegrijpelijk, nu [appellant] immers reeds sinds 2002 niet heeft voldaan aan de hiervoor onder 1.4 bedoelde sommaties tot het verstrekken van schriftelijke gegevens, hoewel hij in ieder geval beschikt over gegevens vanaf december 2000 (vonnis voorzieningenrechter onder 4.2). In zijn toelichting op deze grief stelt [appellant] ook niet dat hij, indien hij wel uitgenodigd zou zijn tot het verstrekken van een mondelinge toelichting, hij daaraan gevolg zou hebben gegeven.

3.8

Met grief 4 komt [appellant] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter, dat voor zover [appellant] niet in staat zal zijn bepaalde informatie te produceren, dit zich in een eventueel executiegeschil zal moeten oplossen. [appellant] voert aan dat het voor hem onmogelijk is aan de veroordeling te voldoen voor zover het gaat om het verstrekken van de kopieën van alle afschriften vanaf 1994. De voorzieningenrechter had om die reden geen dwangsom mogen opleggen, aldus [appellant] .

3.9

Het hof is van oordeel dat voorshands voldoende aannemelijk is dat [appellant] beschikt over gegevens die hij op grond van art. 47 AWR verplicht is aan de Belastingdienst te verstrekken maar die hij tot nu toe niet heeft verstrekt. Zoals uit het in zoverre onbestreden vonnis van de voorzieningenrechter (onder 4.2) blijkt, beschikt [appellant] in ieder geval over gegevens vanaf december 2000. Dat hij deze heeft verstrekt blijkt niet. Evenmin blijkt dat [appellant] de gegevens vanaf 1997, die KBL volgens [appellant] (pleitnota in hoger beroep onder 94) alsnog heeft weten te produceren, aan de Belastingdienst heeft verstrekt. Tegen deze achtergrond is in dit kort geding niet aannemelijk geworden dat het voor [appellant] onmogelijk is om aan de veroordeling te voldoen, in ieder geval voor zover het gaat om de gegevens vanaf 1997.

3.10

Evenmin is aannemelijk geworden dat [appellant] niet zal kunnen voldoen aan de veroordeling voor zover deze betrekking heeft op het tijdvak 1994-1997. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat KBL uiteindelijk toch in staat is gebleken ook de bankgegevens vanaf 1997 te verstrekken, zodat geenszins valt uit te sluiten dat KBL ook in staat zal blijken informatie van voor 1997 aan [appellant] te verschaffen. De bij pleidooi in het geding gebrachte e-mail correspondentie van 12 juni en 7 juli 2014 tussen [appellant] en KBL brengt in het oordeel van het hof geen verandering, nu eerdere mededelingen van KBL over de beschikbaarheid van gegevens, zoals de e-mail van de heer Cloostermans van 3 april 2012 (productie 5 bij pleidooi in eerste aanleg) waarin hij verklaart dat bij KBL archieven ouder dan 10 jaar stelselmatig worden vernietigd, ook niet volledig betrouwbaar zijn gebleken. Nadien zijn door KBL immers alsnog gegevens vanaf 1997 aan [appellant] verstrekt.

3.11

De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht een dwangsom aan de jegens [appellant] uitgesproken veroordeling verbonden. Grief 4 faalt.

3.12

In grief 5 betoogt [appellant] dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft nagelaten de onder druk van een dwangsom van appellanten verkregen informatie en bescheiden als wilsafhankelijk materiaal te bestempelen en om in het dictum van het vonnis te bepalen dat deze informatie en bescheiden slechts voor de belastingheffing als zodanig en niet voor de boeteheffing mogen worden gebruikt.

3.13

Aan deze grief ligt de opvatting ten grondslag dat de onder dreiging van een dwangsom verkregen gegevens steeds als wilsafhankelijk materiaal moeten worden bestempeld, ook indien deze informatie bestaat uit gegevens die in fysieke zin onafhankelijk van de wil van de betrokkene bestaan. Deze opvatting is onjuist (vgl. onder meer HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130, rov. 4.4.2).

3.14

Grief 5 faalt.

3.15

In zijn pleidooi bij het hof heeft de advocaat van [appellant] stellingen naar voren gebracht die moeten worden opgevat als nieuwe grieven. Op grond van de ‘twee conclusie-regel’ is daarvoor in dat stadium van het geding in beginsel geen plaats meer. Nu de Staat bezwaar heeft gemaakt tegen het aanvoeren van nieuwe grieven en zich ook overigens geen omstandigheden voordoen die een uitzondering op bedoelde regel rechtvaardigen, gaat het hof aan deze stellingen voorbij.

in het incidenteel appel

4.1

In grief 1 voert de Staat aan dat de voorzieningenrechter een dwangsom van € 5.000 per (gedeelte van een) dag aan zijn veroordeling had moeten verbinden en dat daarbij geen maximering, althans een maximering tot een hoger bedrag dan € 250.000, zou moeten gelden. De Staat is van mening dat de dwangsommen zoals die door de voorzieningenrechter zijn opgelegd een onvoldoende prikkel vormen. De Staat voert in dit verband aan dat zwartspaarders calculerend gedrag vertonen en dat matiging of maximering van de dwangsom calculerend gedrag in de hand werkt, in die zin dat een te lage dwangsom tot gevolg kan hebben dat de belastingplichtige ervoor kiest om niet aan de hoofdveroordeling te voldoen. Ook voert de Staat aan dat de Belastingdienst in veel gevallen, zoals ook in het geval van [appellant] , het vermogen van de belastingplichtige heeft moeten schatten en dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat die schattingen te laag zijn geweest. Bovendien leidt de Staat uit het feit dat [appellant] hoger beroep heeft ingesteld af dat hij niet voornemens is aan zijn informatieplicht ex art. 47 AWR te voldoen. Kennelijk vormt de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsom onvoldoende prikkel om aan de jegens hem uitgesproken hoofdveroordeling te voldoen.

4.2

De grief slaagt. Vast staat dat [appellant] , hoewel hij beschikt over informatie vanaf 2000 en sinds enige tijd ook vanaf 1997, deze niet aan de Belastingdienst heeft verstrekt. In zoverre staat derhalve voorshands vast dat [appellant] niet aan de hoofdveroordeling heeft voldaan. Het hof leidt hieruit af dat de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsom inderdaad onvoldoende prikkel oplevert. Het hof zal de dwangsom dan ook verhogen tot een te verbeuren bedrag van € 5.000 per dag en het maximum met € 250.000 verhogen tot (in totaal) € 500.000.

4.3

De grieven 2 en 3, die het hof gezamenlijk zal behandelen, strekken er toe dat [appellant] alsnog wordt bevolen door middel van, kort gezegd, invulling van het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” (productie 14 van de Staat in hoger beroep) te verklaren welke buitenlandse rekeningen [appellant] na 31 januari 1994 bij KBL en eventuele andere banken heeft aangehouden dan wel nog aanhoudt. De Staat trekt in twijfel of [appellant] het op 25 maart 2002 gedateerde formulier “Verklaring buitenlandse bankrekeningen” (productie 3 bij inleidende dagvaarding) volledig naar waarheid heeft ingevuld en voert verder aan dat niet vast staat dat de destijds gedane opgave nog steeds correct is. De Staat meent dat de terughoudendheid die [appellant] heeft betracht bij het verschaffen van informatie doet vermoeden dat hij over méér vermogen of rekeningen in het buitenland beschikt.

4.4

De grieven slagen. Op grond van art. 47 AWR rust op [appellant] de verplichting aan de Belastingdienst informatie te verstrekken over de door hem in het buitenland – thans of in de periode vanaf 1994 – aangehouden rekeningen. Het feit dat [appellant] hierover in reeds 2002 heeft verklaard kan geen reden zijn om thans, dertien jaar later, niet opnieuw op vragen van de Belastingdienst te hoeven antwoorden. Het is immers heel goed denkbaar dat de situatie sinds 2002 is veranderd. Ook moet worden geconstateerd dat [appellant] tot nu toe niet in alle opzichten aan zijn verplichtingen ex art. 47 AWR en aan het vonnis van de voorzieningenrechter heeft voldaan, ook niet voor zover vast staat dat hij daartoe wel in staat is. Tegen deze achtergrond valt geenszins uit te sluiten dat de beantwoording in 2002 niet juist en/of volledig was. Zolang [appellant] ook geen antwoord heeft gegeven op de vraag wat er met het saldo op de rekening, die naar hij stelt inmiddels is opgeheven, is gebeurd, heeft de Belastingdienst een gerechtvaardigd belang dat [appellant] opgave doet van eventuele andere buitenlandse rekeningen. In dit licht kan dan ook niet gesproken worden van een ‘fishing expedition’. [appellant] zal dan ook alsnog gelast worden het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” (productie 14 van de Staat in hoger beroep) in te vullen.

in het principaal en het incidenteel appel

5.1

In het principaal appel zal het vonnis van de voorzieningenrechter worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

5.2

In het incidenteel appel zal het vonnis van de voorzieningenrechter worden vernietigd, doch uitsluitend voor zover het betreft de hoogte van de dwangsommen en het daaraan verbonden maximum, alsmede voor zover de voorzieningenrechter de vordering tot het invullen van het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” (productie 14 van de Staat in hoger beroep) heeft afgewezen. Het hof zal de vordering tot het invullen van dit formulier alsnog toewijzen.

5.3

Ten aanzien van de door het hof opgelegde (verhoogde) dwangsommen zal het hof bepalen dat deze verbeurd zullen worden vanaf veertien dagen na betekening van dit arrest. Deze dwangsommen zullen dus eerst verbeurd worden voor zover [appellant] na die termijn in gebreke blijft te voldoen aan de door de voorzieningenrechter uitgesproken veroordeling of de door het hof uitgesproken veroordeling. Tot de datum van betekening kunnen uitsluitend de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsommen worden verbeurd. Het door het hof aan de dwangsommen verbonden maximum van € 500.000 geldt voor alle verbeurde of te verbeuren dwangsommen tezamen, ongeacht of deze op grond van het vonnis van de voorzieningenrechter of op grond van dit arrest (zullen) zijn verbeurd.

5.4

Ook in het incidenteel appel zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

5.5

Onder de in dit arrest uitgesproken proceskostenveroordelingen zijn begrepen de (nog te maken) nakosten (waarvoor onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft). Ingevolge artikel 237, derde lid Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten.

Beslissing

Het hof:

in het principaal appel

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot heden aan de zijde van de Staat begroot op € 704,-- voor verschotten en € 2.682,-- voor salaris van de advocaat, en bepaalt dat over deze bedragen bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na deze uitspraak vanaf de vijftiende dag de wettelijke rente verschuldigd zal zijn;

- verklaart dit arrest wat betreft deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in het incidenteel appel

- vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter, doch uitsluitend voor zover het betreft de hoogte van de dwangsommen en het daaraan verbonden maximum, alsmede voor zover de voorzieningenrechter de vordering tot het invullen van het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” (productie 14 van de Staat in hoger beroep) heeft afgewezen, en opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt [appellant] om binnen veertien dagen na betekening van dit arrest aan de Belastingdienst opgave te doen van de door hem in de periode 31 januari 1994 tot heden aangehouden bankrekeningen in het buitenland, door beantwoording van de vragen van het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” (productie 14 van de Staat in hoger beroep) en het verstrekken van de op dat formulier vermelde bescheiden;

- bepaalt dat de door [appellant] aan de Belastingdienst te verstrekken informatie uitsluitend door de Belastingdienst gebruikt mag worden ten behoeve van de belastingheffing, indien en voor zover deze informatie wilsafhankelijk materiaal betreft;

- veroordeelt [appellant] om aan de Staat een dwangsom te betalen van € 5.000,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit arrest niet voldoet aan de door de voorzieningenrechter of dit hof uitgesproken veroordelingen, waarbij het maximum van alle op grond van het vonnis van de voorzieningenrechter of dit arrest verbeurde of te verbeuren dwangsommen wordt bepaald op € 500.000,--;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

- bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter voor het overige;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot heden aan de zijde van de Staat begroot op nihil voor verschotten en € 1.341,-- voor salaris van de advocaat, en bepaalt dat over deze bedragen bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na deze uitspraak vanaf de vijftiende dag de wettelijke rente verschuldigd zal zijn;

- verklaart dit arrest wat betreft deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, H.M. Wattendorff en D.J. de Brauw, en

uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2015, in aanwezigheid van de griffier.