Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3751

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-12-2015
Datum publicatie
02-02-2016
Zaaknummer
22-002965-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling van een personenauto. Voorts heeft de verdachte een hoeveelheid cocaïne aanwezig gehad in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002965-15

Parketnummer: 10-088897-14

Datum uitspraak: 18 december 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 25 augustus 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortejaar] 1980,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in Detentiecentrum Rotterdam en blijkens opgave van de verdachte ter terechtzitting is hij woonachtig op het [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 18 december 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder

1. opzetheling) en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 3 januari 2014 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, een personenauto (Volkswagen Golf) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemd goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.
hij op of omstreeks 3 januari 2014 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 19,5 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1
hij op of omstreeks3 januari 2014 te Rotterdam, in elk geval in Nederland,een personenauto (Volkswagen Golf) heeft verworven,voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of hetvoorhanden krijgen van voornoemd goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een)door misdrijf verkregen goed(eren)betrof;

2
hij op of omstreeks3 januari 2014 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 19,5 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde, nu de verdachte de auto voor korte duur van iemand, die hij kent van de straat, had geleend, waarbij hij niet kon weten dan wel redelijkerwijs kon vermoeden dat de auto van diefstal afkomstig was.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij op straat aan ene “Farid” - die hij kent uit de buurt, maar waarvan hij niet weet wat zijn achternaam is en hij ook niet weet waar hij woont – heeft gevraagd of hij in zijn auto mocht rijden omdat hij dit zo’n mooie auto vond. Daarbij heeft de verdachte hem niet gevraagd naar de herkomst van de auto, alsmede heeft hij ook niet gevraagd naar de benodigde papieren van de auto. Daarbij merkt het hof op dat het om een redelijk dure auto ging die nog geen vier jaar oud was.

Het hof is van oordeel dat de verdachte onder deze gegeven omstandigheden had moeten vermoeden dat de auto van diefstal afkomstig was en dit vermoeden wordt naar het oordeel van het hof mede versterkt door het gegeven dat de verdachte na te zijn aangesproken door de politie, voor de politie op de vlucht is geslagen.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Schuldheling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 (schuldheling) en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling van een personenauto, welk misdrijf het plegen van diefstallen en inbraken lucratief maakt en een afzetmarkt voor gestolen voorwerpen in stand houdt.

Voorts heeft de verdachte een hoeveelheid cocaïne aanwezig gehad, waarvan aangenomen kan worden dat hij deze hoeveelheid voor handelsdoeleinden onder zich hadden.

Zoals algemeen bekend is vormt cocaïne een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en leidt het in veel gevallen tot verslaving aan het gebruik daarvan.

Bovendien vindt een groot deel van de criminaliteit direct of indirect zijn oorsprong in het gebruik van cocaïne. Het bezit van cocaïne dient derhalve tegengegaan te worden.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 november 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich tijdig als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 189,00.

Hoewel de politierechter bij vonnis geen beslissing heeft genomen op deze vordering, is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 189,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan, dat de gestelde schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde.

De benadeelde partij dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 57, 63 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mr. A.A. Schuering,

mr. P. van Essen en mr. J.J.H.M. van Gennip, in bijzijn van de griffier R. Luijken.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 december 2015.

Mr. J.J.H.M. van Gennip is buiten staat dit arrest te ondertekenen.