Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3729

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-09-2015
Datum publicatie
29-01-2016
Zaaknummer
200.165.571/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie; vaststelling behoefte kan achterwege blijven nu draagkracht van de onderhoudsplichtige vader de beperkende factor is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 30 september 2015

Zaaknummer : 200.165.571/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 14-6084

Zaaknummer rechtbank : C/10/456136

[De man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. S. Kranendonk te Rotterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.F. van Duin te Ridderkerk.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Rotterdam-Dordrecht,

locatie Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 27 februari 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 24 november 2014 van de rechtbank Rotterdam, waarin onder meer de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken. De man heeft onbetwist gesteld dat deze beschikking op 2 december 2014 aan hem is betekend, zodat het beroep tijdig is ingesteld.

De vrouw heeft op 10 april 2015 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 15 juli 2015 een brief van 14 juli 2015 met bijlagen;

van de zijde van de vrouw:

- op 5 augustus 2015 een brief van 4 augustus 2015 met bijlagen.

De raad heeft bij brief van 7 mei 2015, ingekomen bij het hof op 11 mei 2015, aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

De zaak is op 12 augustus 2015 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

Op 19 augustus 2015 is van de zijde van de vrouw een brief van 17 augustus 2015 met als bijlage het bewijs van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking ingekomen. Volgens de advocaat van de vrouw heeft de wederpartij geen bezwaar tegen de indiening van deze brief.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is tussen partijen, met elkaar gehuwd [in ] 2009, de echtscheiding uitgesproken. Voorts is, voor zover in hoger beroep van belang, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de hierna te noemen minderjarigen, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, bepaald op € 250,- per maand per kind. De bestreden beschikking is in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

Uit genoemde brief van de zijde van de vrouw is gebleken dat de echtscheidingsbeschikking [in ] 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, hierna: kinderalimentatie, ten behoeve van de minderjarigen:

- [de minderjarige sub 1] , geboren [in ] 2009 te [geboorteplaats] ,

- [de minderjarige sub 2] , geboren [in ] 2011 te [geboorteplaats] , en [de minderjarige sub 3] , geboren [in ] 2013 te [geboorteplaats] .

Voorts is in geschil de door de man voor het eerst in hoger beroep verzochte regeling inzake de toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: de zorgregeling).

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de kinderalimentatie betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende, voor zover de wet het toelaat uitvoerbaar bij voorraad, de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie op nihil te bepalen, dan wel op een bedrag als het hof vermeent te behoren.

Voorts verzoekt de man een zorgregeling te bepalen, in die zin dat de minderjarigen een weekend per veertien dagen en de helft van de vakanties en feestdagen bij hem verblijven, kosten rechtens.

3. De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, althans hem zijn verzoeken te ontzeggen, kosten rechtens.

Kinderalimentatie

4. Ter terechtzitting van het hof is vast komen te staan dat de echtscheidingsbeschikking op dat moment nog niet was ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zodat het hof in beginsel de aanbevelingen van de Expertgroep volgt zoals die gelden per 1 januari 2015.

De vraag of het kindgebonden budget, hierna: KGB of de alleenstaande ouderkop als inkomen dan wel als invulling van de individuele behoefte van het kind moet worden gezien, is thans door dit hof in een andere zaak door middel van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voorgelegd. Beide partijen hebben, daarnaar gevraagd ter terechtzitting van het hof, medegedeeld het antwoord van de Hoge Raad op de prejudiciële vraag in de onderhavige procedure niet af te willen wachten. Beide partijen hebben verzocht uit te gaan van de huidige aanbeveling, zoals neergelegd in het rapport van de expertgroep alimentatienormen.

Draagkracht

5. Het hof zal, temeer nu ter terechtzitting met beide partijen is besproken dat er van de zijde van beide partijen onvoldoende gegevens in het geding zijn gebracht teneinde de behoefte van de minderjarigen vast te kunnen stellen, eerst de draagkracht van de man bespreken.

6. De man is in eerste aanleg niet verschenen. De vrouw heeft ter terechtzitting van het hof erkend dat de man onvoldoende draagkracht heeft om de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie van € 250,- per maand per kind te voldoen, gelet op de door de man in hoger beroep in het geding gebrachte financiële gegevens. Partijen hebben vervolgens ter zitting in die zin overeenstemming over de kinderalimentatie bereikt, dat de door de man te betalen kinderalimentatie ten hoogste op € 50,- per maand per kind kan worden bepaald dan wel op het minimale bedrag van € 25,- per maand per kind. Beide partijen vragen het hof binnen die marges de door de man te betalen bijdrage te bepalen. Het hof zal dat doen.

7. Bij brief van 14 juli 2015 heeft de man een aantal salarisspecificaties in het geding gebracht. Het hof heeft op basis van die specificaties het gemiddelde netto inkomen van de man berekend op circa € 1.440,- netto per maand, inclusief vakantietoeslag. Aangezien de man een beroep heeft gedaan op de aanvaardbaarheidstoets vanwege een aanzienlijke schuldenlast en de man die schulden voldoende aannemelijk heeft gemaakt houdt het hof daarmee rekening. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat de schuldenlast van de man ten minste € 6.800,- bedraagt, welke deels via loonbeslag wordt voldaan. Het hof passeert de stellingen van de vrouw dat het in casu om niet huwelijkse schulden gaat en dat de man feitelijk niet aflost op die schulden. De man heeft aannemelijk gemaakt dat het bestaande schulden zijn en volgens vaststaande jurisprudentie moet ook met schulden rekening worden gehouden waarop niet wordt afgelost, omdat er wel een aflossingsverplichting is. Of het al dan niet huwelijkse schulden betreft doet aan het vorenstaande niet af. Voorts acht het hof door de man voldoende aannemelijk gemaakt dat hij naast de minderjarige kinderen van partijen nog twee kinderen uit een eerdere relatie heeft en dat hij uit de relatie met zijn huidige partner ook een kind heeft, zodat zijn eventuele draagkracht ook nog eens over zes kinderen moet worden verdeeld.

8. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de man slechts een bijdrage van € 25,- per maand per kind ten behoeve van de minderjarigen kan voldoen, zodat het hof die bijdrage zal vaststellen. Aangezien deze bijdrage naar het oordeel van het hof niet boven de behoefte van de minderjarigen uit stijgt behoeft de behoefte van de minderjarigen geen bespreking meer.

Zorgregeling

9. Partijen zijn ter terechtzitting een zorgregeling overeengekomen, inhoudende dat gedurende de eerste drie maanden de zorgregeling zal gelden zoals partijen die bij ouderschapsplan (in augustus 2012) zijn overeengekomen, te weten dat de minderjarigen één dag in de week, afwisselend op een zaterdag en zondag, bij de man zijn. Nadien zal een zorgregeling gelden, inhoudende dat de minderjarigen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 15.00 uur bij de man zullen zijn, met als voorwaarde van de zijde van de vrouw dat de man de minderjarigen niet (alleen) bij zijn moeder laat overnachten, behoudens in het geval de man samen met de minderjarigen bij zijn moeder blijft slapen. Met betrekking tot de feestdagen zijn partijen overeengekomen dat zij die in onderling overleg bij helfte zullen verdelen.

10. Nu partijen overeenstemming hebben bereikt over de zorgregeling zal het hof dienovereenkomstig beslissen. Het hof gaat er daarbij van uit dat partijen ook de vakanties in onderling overleg zullen regelen.

Proceskosten

11. Het hof zal de kosten van het geding in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarigen betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarigen met ingang van [een datum in] 2015 op € 25,- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt, in aanvulling op de bestreden beschikking, een zorgregeling zoals vermeld in rechtsoverweging 9.;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Kempen, Kamminga en Van Wijk, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2015.