Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3725

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
19-05-2016
Zaaknummer
200.177.405/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging uithuisplaatsing; ontvankelijkheid hoger beroep ouder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 23 december 2015

Zaaknummer : 200.177.405/01

Rekestnummer rechtbank : C/10/479010

Zaaknummer rechtbank : JE RK 15-1770

[De moeder] ,

volgens eigen opgave ter zitting wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. P.L. van 't Veer te Honselersdijk, gemeente Westland,

tegen

de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[De vader] ,

wonende op een bij de gecertificeerde instelling bekend adres,

hierna te noemen: de vader.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 25 september 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 9 juli 2015 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

Op 23 oktober 2015 heeft de moeder een aanvullend beroepschrift ingediend.

De gecertificeerde instelling heeft op 23 oktober 2015 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof is voorts van de zijde van de moeder op 28 oktober 2015 een brief van diezelfde datum ingekomen met bijlage.

De zaak is op 11 november 2015 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

 de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

 [medewerker gecertificeerde instelling] en [medewerker gecertificeerde instelling] namens de gecertificeerde instelling.

De vader en de raad zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , geboren [in]

2015 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige) verlengd tot 23 juli 2016 en is de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige in een accommodatie zorgaanbieder, met aansluitend een machtiging voor een voorziening van pleegzorg, verlengd tot uiterlijk

23 juli 2016. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

  • -

    de moeder heeft het gezag over de minderjarige;

  • -

    de minderjarige verblijft sinds augustus 2015 in een perspectief biedend pleeggezin.

Op 5 juni 2015 heeft de raad een rapport uitgebracht over de gezagssituatie betreffende de minderjarige.

In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat op 3 augustus 2015 een aanwijzing vaststelling bezoekregeling is afgegeven.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot uiterlijk 23 juli 2016 in een accommodatie zorgaanbieder, met aansluitend een machtiging voor een voorziening van pleegzorg.

2. De moeder heeft in haar beroepschrift gesteld dat zij zich niet verzet tegen de ondertoezichtstelling. Zij verzet zich evenmin tegen de uithuisplaatsing onder de voorwaarde dat de minderjarige bij haar moeder (grootmoeder moederszijde) wordt geplaatst en dus in een netwerkgezin en niet in een voorziening van pleegzorg.

In haar aanvullend beroepschrift heeft de moeder het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de machtiging voor de uithuisplaatsing wordt gegeven voor de duur van de ondertoezichtstelling door plaatsing van de minderjarige samen met de moeder bij de overbruggingsopvang van de JP van den Bent Stichting en subsidiair dat de minderjarige in een netwerkgezin, te weten bij [naam grootmoeder] (grootmoeder moederszijde) wordt geplaatst en meer subsidiair een onderzoek te gelasten om te onderzoeken op welke plek de belangen van de minderjarige en de moeder het beste worden gewaarborgd.

3. De gecertificeerde instelling verweert zich daartegen en verzoekt het hof het door de moeder

ingestelde beroep niet ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de beschikking

waarvan beroep te bekrachtigen.

4. De moeder wijst er op dat haar situatie in de afgelopen periode is gewijzigd. Zij was enige tijd opgenomen maar zij is inmiddels ontslagen onder voorwaarden in het kader van een voorlopige machtiging. De moeder verblijft in de woning van haar moeder (grootmoeder moederszijde) in [woonplaats] . Er lijkt voor de moeder nu een mogelijkheid te zijn om zich aan te melden bij de JP van den Bent Stichting voor plaatsing in een moeder/kind opvanghuis. De moeder kan bovendien in aanmerking komen voor een ‘overbruggingsplek’ indien de aanvraag daartoe wordt ondersteund door een behandelaar van de Stichting MEE (een plaatsende instantie). De begeleider van de moeder van Stichting MEE, [naam medewerker] , heeft echter aangegeven dat hij niets wil ondernemen tot de rechter uitspraak heeft gedaan. De gezinsvoogd heeft toegezegd dat zij het verzoek van de moeder om een aanmelding bij de JP van den Bent Stichting te ondersteunen, zal bespreken binnen de gecertificeerde instelling. De moeder acht het in het belang van de minderjarige dat serieus wordt onderzocht of het mogelijk is om de minderjarige bij haar op te laten groeien. De moeder wijst er op dat bij de JP van den Bent Stichting 24-uurs zorg beschikbaar is. Er is een overbruggingsopvang voor de duur van één jaar waarna de moeder geplaatst kan worden op een vaste woonlocatie van de JP van den Bent Stichting, in één van de moeder/kind-huizen. De moeder wijst er op dat bij de JP van den Bent Stichting ook dagbesteding voor haar (de moeder) zelf aanwezig is. De moeder stelt ten slotte in het beroepschrift: ‘Het lijkt wel of niemand van de hulpverlening meer zin heeft om zich hard te maken voor het samenzijn van moeder en dochter. Alle deuren worden voor de moeder dicht gedaan als het aankomt op de zorg van haar dochter.’ Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de moeder, in aanvulling op het beroepschrift, aangegeven dat – anders dan de hulpverleningsinstanties stellen – haar familie wel degelijk bereid is mee te helpen met de opvang van de minderjarige. De moeder wil graag een kans krijgen om te laten zien dat zij met de nodige begeleiding wel de zorg voor de minderjarige op zich kan nemen. Ten slotte heeft de moeder aangegeven dat zij de indruk heeft dat de verschillende hulpverleningsinstanties een onjuist beeld hebben van haar persoonlijke situatie. Dit beeld lijkt uitsluitend te zijn gebaseerd op de situatie van enige tijd geleden toen de moeder een zeer turbulente periode doormaakte omdat zij als getuige in een strafzaak moest optreden. In de visie van de moeder zijn de betrokken hulpverleningsinstanties ten onrechte niet bereid nog eens goed naar haar gewijzigde, verbeterde persoonlijke situatie te kijken.

5. De gecertificeerde instelling stelt in het verweerschrift, in reactie op het beroepschrift van de moeder, primair dat de moeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat zij zich neerlegt bij de uithuisplaatsing van de minderjarige. Op basis daarvan meent de gecertificeerde instelling dat de moeder geen belang heeft bij het ingediende beroepschrift. De gecertificeerde instelling stelt voorts dat de moeder vraagt om plaatsing van de minderjarige in het gezin van grootmoeder maar dat het hof daarover geen beslissing kan nemen omdat de feitelijke ten uitvoerlegging van een door de kinderrechter gegeven machtiging voor verblijf in een “voorziening van pleegzorg” (zoals in de bestreden beschikking) volgens de gecertificeerde instelling niet ter beoordeling is van de rechter. De gecertificeerde instelling stelt dat zij zelf bevoegd is om te bepalen in welk gezin een machtiging van de kinderrechter ten uitvoer wordt gelegd. Subsidiair, in het geval het hof van oordeel is dat de moeder wel ontvankelijk is, voert de gecertificeerde instelling aan dat gebleken is dat de familieleden niet bereid en in staat zijn om de minderjarige op te vangen. De minderjarige hoort volgens de gecertificeerde instelling op te kunnen groeien in een stabiele omgeving, waarin het niet steeds opnieuw te maken krijgt met onderlinge conflicten, spanningen en ruzies binnen de familie. Daarbij neemt de gecertificeerde instelling ook in aanmerking dat de moeder zelf wisselende signalen afgeeft over haar relatie met haar moeder en dat er sprake is van een moeizame verhouding tussen de familie (moederszijde) en de vader van de minderjarige.

Ter zitting in hoger beroep is namens de gecertificeerde instelling aangevoerd dat zij van mening is dat een plaatsing in het gezin van grootmoeder (moederszijde) niet tot de mogelijkheden behoort. Het is volgens de gecertificeerde instelling duidelijk dat de moeder veel geeft om haar dochter (de minderjarige) en nu op zoek is naar een mogelijkheid om toch bij haar te kunnen zijn. De gecertificeerde instelling is ervan overtuigd dat de moeder niet in staat zal zijn om de zorg voor de minderjarige op zich te nemen. Dit standpunt wordt gedeeld door de begeleider van de Stichting MEE die heeft aangegeven de aanvraag van de moeder voor plaatsing in de JP van den Bent Stichting niet te zullen ondersteunen. Bij de hulpverleners die zicht hebben op de mogelijkheden van de moeder bestaat de indruk dat men bij de JP van den Bent Stichting onvoldoende inzicht heeft in de situatie en de (on)mogelijkheden van de moeder. De gecertificeerde instelling stelt dat zij het belang van de minderjarige voorop stelt en dat zij het noodzakelijk vindt dat de minderjarige een stabiele woonomgeving heeft. De moeder is tot op heden niet in staat geweest te zorgen voor een stabiele woonomgeving, ook niet voor zichzelf. Plaatsing in een voorziening voor moeder en kind is niet in het belang van de minderjarige. Bij de moeder is sprake van beperkingen, waarvoor zij – ook in de toekomst – behandeling nodig zal hebben. Tot voor kort verbleef de moeder in een psychiatrische instelling. Gelet op die omstandigheden is het niet mogelijk de moeder met de minderjarige samen in een stabiele en veilige omgeving onder te brengen.

6. Het hof acht de moeder ontvankelijk in haar hoger beroep. Uit het (aanvullende) beroepschrift blijkt dat de moeder zich met de verlenging van de uithuisplaatsing van de minderjarige in het huidige pleeggezin niet kan verenigen. Zij wenst immers dat de minderjarige weer bij haar komt zodat zij samen met de minderjarige geplaatst kan worden bij de JP van den Bent Stichting. Slechts indien dat verzoek wordt afgewezen kan zij akkoord gaan met een uithuisplaatsing van de minderjarige in het gezin van haar moeder. Nu niet aan laatstgenoemde voorwaarde is voldaan kan niet de conclusie worden getrokken dat moeder het eens is met de uithuisplaatsing van de minderjarige. De moeder heeft derhalve belang bij het ingestelde beroep.

7. Ter zake van de verzochte verlenging van de machtiging uithuisplaatsing overweegt het hof als volgt. Het hof stelt voorop dat de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing slechts kan worden verlengd indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, nog bestaan. Het hof zal derhalve dienen te onderzoeken of de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

8. Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat, anders dan de moeder aanvoert, de gronden voor de uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat bij de moeder sprake is van beperkingen ten gevolge waarvan zij thans en naar het zich laat aanzien ook in de toekomst niet in staat is zelfstandig de zorg voor de minderjarige op zich te nemen. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is voorts duidelijk geworden dat plaatsing in een netwerkgezin bij grootmoeder moederszijde, een optie waarover de moeder zelf ook zeer ambivalente gevoelens lijkt te hebben, evenmin een reële mogelijkheid is. Ten slotte is gebleken dat vrijwel alle hulpverleners die bij de moeder en de minderjarige betrokken zijn, zich op het standpunt stellen dat het in het belang van de minderjarige is om op te groeien in een stabiele woonomgeving. Zij achten de moeder niet in staat die omgeving te bieden, ook niet in een 24-uurs opvang waar zij samen met de minderjarige begeleid kan worden. Er is geen vertrouwen dat de moeder kan aansluiten bij de ontwikkeling van de minderjarige. De minderjarige is gebaat bij duidelijkheid, evenals de moeder. Het hof zal daarom eveneens het verzoek van de moeder om een deskundige te benoemen en deze deskundige nader onderzoek te laten verrichten naar de netwerkplaatsing bij de grootmoeder (moederszijde) afwijzen, nu dit onderzoek niet mede tot beslissing van de zaak kan leiden.

9. Uit het vorenstaande volgt dat de gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige thans nog aanwezig zijn, zodat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen en het meer of anders verzochte zal afwijzen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.A. van Kempen, I. Obbink-Reijngoud en R.G. Kok, bijgestaan door mr. Zuidweg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

23 december 2015.