Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:369

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-02-2015
Datum publicatie
26-02-2015
Zaaknummer
BK-14-00019 en BK-14-00020
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is tussen partijen in geschil het antwoord op de vraag of de aanslagen terecht zijn opgelegd en zo ja, of de aanslagen tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2015/164
FutD 2015-0540
NTFR 2015/954
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-14/00019 en BK-14/00020

Uitspraak d.d. 25 februari 2015

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de Heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 november 2013, nummers ROT 13/437 en 13/438, betreffende de hierna vermelde aanslagen.

Aanslagen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende zijn aanslagen in het bedrijfsreinigingsrecht van de gemeente Rotterdam voor de jaren 2010 en 2011 opgelegd ten bedrage van € 296,38 (2010) en € 301,55 (2011). De aanslagen zijn opgelegd voor het inzamelen en verwerken van bedrijfsafvalstoffen afkomstig uit het object [Y]te [Z].

1.2.

Belanghebbende heeft tegen beide aanslagen bezwaar gemaakt. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar de aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft hiertegen beroepen bij de rechtbank ingesteld.

1.4.

De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Ter zake daarvan is € 118 griffierecht geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 14 januari 2015, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is, op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1.

Belanghebbende dreef in 2010 en 2011 een onderneming. Op het adres [Y]te [Z] (hierna: de bedrijfsruimte) exploiteerde zij een beautysalon/massagepraktijk. Belanghebbende was in 2010 en 2011 als enige werkzaam binnen de onderneming.

3.2.

De bedrijfsruimte heeft een oppervlakte van 15 m2 en is uitsluitend in gebruik ten behoeve van de onderneming van belanghebbende.

3.3.

Tijdens het gebruik van het pand door belanghebbende ontstaat afval. Het afval bestaat uit theezakjes en ander klein afval.

3.4.

Door of vanwege de gemeente werd in 2010 en 2011 in de [Y] in [Z] periodiek afval ingezameld.

Gemeentelijke verordening

4.1.

De raad van de gemeente Rotterdam heeft in zijn openbare vergadering van 12 november 2009 de Verordening bedrijfsreinigingsrecht 2010 (hierna: Verordening 2010) en de bijbehorende tarieventabel (hierna: de Tarieventabel 2010) vastgesteld.

4.2.

De raad van de gemeente Rotterdam heeft in zijn openbare vergadering van 11 november 2010 de Verordening bedrijfsreinigingsrecht 2011 (hierna: Verordening 2011) en de bijbehorende tarieventabel (hierna: de Tarieventabel 2011) vastgesteld.

4.3.

De onder 4.1 en 4.2 vermelde verordeningen zijn op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt. In zowel de Verordening 2010 als in de Verordening 2011 is – voor zover hier van belang – het volgende bepaald:

"Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam 'bedrijfsreinigingsrechten' worden rechten geheven met betrekking tot het inzamelen en verwerken van bedrijfsafvalstoffen en voor het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten en het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of onderhoud zijn.

Artikel 3 Belastingplicht

De bedrijfsreinigingsrechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die gebruik maakt van de voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn.

Artikel 4 Vrijstelling

Geen bedrijfsreinigingsrecht wordt geheven voor zover ter zake van een in artikel 2 bedoeld belastbaar feit:

a. de gemeente langs andere weg een vergoeding ontvangt; of

b. van degene die in het bezit is van een geldig contract voor al het aan te bieden bedrijfsafval met een wettelijk erkende inzamelaar en die geen gebruik maakt van de gemeentelijke

inzamelvoorzieningen.

Artikel 5 Maatstaf van heffing en tarief

1. De bedrijfsreinigingsrechten worden geheven overeenkomstig de bij de verordening behorende tarieventabel.

2. Voor de verordening worden binnen de tabel de volgende categorieën gehanteerd:

1. Horeca;

2. Industrie;

3. Kantoren;

4. Winkels;

5. Overig;

(…)

3. De categorie waarin een bedrijf wordt ingedeeld wordt bepaald aan de hand van de branche waarin het bedrijf werkzaam is.

4. (…).

5. Het tarief voor de categorieën 2, 3 en 4 wordt bepaald aan de hand van de oppervlakte in m2; hierbij wordt aangesloten bij de gegevens uit de WOZ-administratie (WOZ: Wet waardering onroerende zaken).

6. (…)."

4.4.

In de Tarieventabel 2010 is – voor zover hier van belang – het volgende bepaald:

"Alle onderstaande tarieven zijn exclusief 19% omzetbelasting.

(…)

Winkels

Oppervlakte in m2

Tarief per jaar (2010)

0 – 99

€ 249,06

100 – 299

€ 385,11

300 – 499

€ 577,66

500 – 1.499

€ 962,77

>1.500

€ 1.155,33 + € 192,56 voor iedere eenheid van 200 m2 boven 1.500 m2

Overig

Aantal fte's

Tarief per jaar (2010)

0 – 4 fte

€ 249,06

5 – 8 fte

€ 577,66

9 – 10 fte

€ 962,77

>10 fte

€ 1.059,06 + € 96,28 voor iedere fte boven 10 fte

(…)"

4.5.

In de Tarieventabel 2011 is – voor zover hier van belang – het volgende bepaald:

"Alle onderstaande tarieven zijn exclusief 19% omzetbelasting.

(…)

Winkels

Oppervlakte in m2

Tarief per jaar (2011)

0 – 99

€ 253,40

100 – 299

€ 391,90

300 – 499

€ 587,80

500 – 1.499

€ 979,60

>1.500

€ 1.175,60 + € 195,90 voor iedere eenheid van 200 m2 boven 1.500 m2

Overig

Aantal fte's

Tarief per jaar (2011)

0 – 4 fte

€ 253,40

5 – 8 fte

€ 587,80

9 – 10 fte

€ 676,60

>10 fte

€ 1.077,60 + 98,00 voor iedere fte boven 10 fte

(…)"

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1.

In hoger beroep is tussen partijen in geschil het antwoord op de vraag of de aanslagen terecht zijn opgelegd en zo ja, of de aanslagen tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

5.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de Heffingsambtenaar bevestigend.

5.3.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraken op bezwaar en van de aanslagen.

6.2.

De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

7. De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, omtrent het geschil overwogen:

"De rechtsgrond

4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (o.a. HR 2 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009"BI1892) is heffing van een belasting niet toegestaan in het geval dat de regeling die in heffing van deze belasting voorziet – in dit geval de Verordening bedrijfsreinigingsrecht 2010 en de Verordening bedrijfsreinigingsrecht 2011 (Verordeningen) – nog niet in werking is getreden op het tijdstip waarop die heffing plaatsvindt, waardoor voor heffing van deze belasting op dat moment nog geen juridische grondslag bestaat. Dat geldt ook indien de desbetreffende regeling nadien met terugwerkende kracht wordt ingevoerd, tenzij uit een wet in formele zin volgt dat ook met terugwerkende kracht een juridische basis wordt verleend aan voorheen tot stand gekomen aanslagen en andere heffingshandelingen.

4.2.

Verordening 2010 is vastgesteld bij besluit van de raad van de gemeente van 12 november 2009, gepubliceerd in Gemeenteblad 2009, nummer 153, en is met ingang van 2010 in werking getreden.

Verordening 2011 is vastgesteld bij besluit van de raad van de gemeente van 11 november 2010, gepubliceerd in Gemeenteblad 2010, nummer 172,en is met ingang van 1 januari 2011 in werking getreden.

4.3.

Op het moment waarop de belastbare feiten voor de in geding zijnde jaren plaatsgevonden, waren de Verordeningen in werking getreden, zodat voor de heffing van reinigingsrechten een juridische grondslag bestond. Daaraan doet niet af dat [de Heffingsambtenaar] met toepassing van artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de heffing eerst op 11 februari 2012 heeft doen plaatsvinden. De materiële belastingschuld is immers op grond van artikel 2 van de genoemde Verordeningen in 2010 en 2011 ontstaan en voornoemd artikel 11, derde lid, bepaalt slechts dat de bevoegdheid tot het formaliseren van die belastingschuld door het vaststellen van een aanslag vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de (materiele) belastingschuld is ontstaan. Op het moment van oplegging van de aanslagen was de termijn van drie jaren nog niet verstreken.

4.4.

Anders dan [belanghebbende] kennelijk meent, zijn de Verordeningen dus niet met terugwerkende kracht ingevoerd. Evenmin valt in te zien dat, zoals [belanghebbende] stelt, [de Heffingsambtenaar] aan een wijziging van deze Verordeningen terugwerkende kracht zou hebben toegekend.

4.5.

De stelling van [belanghebbende], dat de Verordening bedrijfsreinigingsrecht 2012 de juridische grondslag voor de bestreden aanslagen vormt, berust op een misvatting. Daarop stuit tevens af de stelling van [belanghebbende] dat invoering van een nieuwe tarievenstructuur met betrekking tot het belastingjaar 2012 voor haar niet voorzienbaar was.

4.6.

Het beroep van [belanghebbende] op artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden slaagt niet, reeds gelet op het feit dat deze bepaling niet van toepassing is op de in geding zijnde heffing van bedrijfsreinigingsrechten.

Het belastbare feit

5.1.

De rechtbank stelt voorop dat de herkomst en niet de samenstelling van het afval beslissend is voor de vraag of sprake is van huishoudelijk dan wel bedrijfsafval (o.a. Gerechtshof Amsterdam 21 juli 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AY6425).

5.2.

Omdat [belanghebbende] op het adres waarvoor de aanslagen zijn opgelegd een beautysalon exploiteert, mag worden aangenomen dat aan de gemeentelijke ophaaldienst bedrijfsafval wordt aangeboden. De exploitatie van een beautysalon brengt immers in het algemeen met zich dat er (enig) bedrijfsafval ontstaat. Dit volgt overigens ook uit de ter zitting volmondig door [belanghebbende] afgelegde verklaring dat zij thee- en andere zakjes weggooit.

5.3.

De stelling van [belanghebbende], dat zij voor haar bedrijfsafval geen gebruik maakt van diensten van de gemeentelijke vuilophaaldienst acht de rechtbank niet aannemelijk. Het is aan [belanghebbende] om haar stelling in deze te bewijzen (HR 10 december 1980, ECLI:NL:HR:1980:AW9844). [Belanghebbende] is niet geslaagd in het door haar te leveren bewijs.

5.4.

De voor 2010 en 2011 belastbare feiten hebben derhalve plaatsgevonden.

Het tarief

6. [Belanghebbende] betoogt dat de hoogte van de opgelegde aanslagen in strijd met het evenredigheidsbeginsel is. Ter ondersteuning voert zij aan dat de tarievenstructuur moet dienen ter kostendekkend maken van de kosten van afval, dat het tarief dat voor de concrete prestatie wordt geheven zoveel mogelijk in overeenstemming moet zijn met de kosten die daarmee zijn gemoeid, dat het individueel te betalen tarief evenredig dient te zijn aan de individueel te maken kosten en dat ook reinigingsrecht is verschuldigd indien [belanghebbende] het bedrijfsafval mee naar huis neemt en daar weggooit.

6.1.

Dit betoog faalt. Gemeenten kunnen op grond van artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en de in de wet nadere regelen, zelf invulling geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat hen in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijk beleid en de praktijk van de belastingheffing (Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 65-67 en blz. 77-78). Voor onverbindendverklaring van de Verordeningen is slechts plaats indien een regeling is getroffen die in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel (HR 14 augustus 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1943). Gegeven de vrijheid die de wetgever aan de gemeentebesturen heeft willen toekennen bij het kiezen van heffingsmaatstaven en het bepalen van de aan die maatstaven gekoppelde tarieven, acht de rechtbank tarieven van € 296,38 voor het jaar 2010 en € 301,55 voor het jaar 2011 geoorloofd. Tussen de omvang van de geheven rechten enerzijds en de omvang van de ter zake van gemeentewege verstrekte diensten dan wel de door de gemeente gemaakte kosten anderzijds is geen rechtstreeks verband vereist (HR 24 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3345). De hoogte van de geheven reinigingsrechten is niet in strijd met enig algemeen rechtsbeginsel.

6.2.

Aan het voorgaande kan niet afdoen dat [belanghebbende] voor de tarieftoepassing in de hoofdcategorie 'winkel' is ingedeeld. Hetzelfde geldt, gezien hetgeen in 5.1 is overwogen, voor de stelling van [belanghebbende] dat zij ook bedrijfsreinigingsrecht is verschuldigd als ze het afval van de beautysalon thuis weggooit.

6.3.

De stelling van [belanghebbende], dat dubbele heffing optreedt doordat voor de beautysalon ook al onroerende-zaakbelastingen worden geheven, kan niet worden gevolgd. Die belastingen worden op grond van artikel 220 van de Gemeentewet geheven ter zake van – kort gezegd – het gebruik of genot krachtens zakelijk recht van een onroerende zaak. Het belastbare feit is een ander dan dat voor het bedrijfsreinigingsrecht.

7. [Belanghebbende] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat [de Heffingsambtenaar] het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. De enkele omstandigheid dat [belanghebbende] in voorgaande jaren niet in de heffing van bedrijfsreinigingsrecht werd betrokken, wat daarvan zij, is daartoe onvoldoende.

8. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de beroepen ongegrond zijn."

Beoordeling van het hoger beroep

8.1.

Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof maakt deze dan ook tot de zijne. Ter aanvulling overweegt het Hof nog het volgende.

8.2.

Het bedrijfsreinigingsrecht van de gemeente Rotterdam is een retributie voor het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten en het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of onderhoud zijn (artikel 229, leden 1 en 2, van de Gemeentewet, gelezen in samenhang met artikel 2 van de Verordeningen 2010 en 2011). Het Hof legt artikel 2 van de Verordeningen aldus uit dat daarin als dienst in de zo-even genoemde zin wordt aangemerkt het inzamelen en verwerken van bedrijfsafvalstoffen. Voor deze dienst zijn in artikel 5 van de Verordeningen en de Tarieventabellen 2010 en 2011 tarieven opgenomen. Het in artikel 2 van de Verordeningen genoemde gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen is in de Verordeningen niet nader ingevuld; voor dit gebruik zijn in artikel 5 van de Verordening en de Tarieventabellen evenmin tarieven opgenomen.

8.3.

Een retributie als de onderhavige kan uitsluitend geheven worden ter zake van werkzaamheden die rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang (vgl. onder meer HR 7 mei 1997, nr. 31 845, ECLI:NL:HR:1997:AA2090). Niet tussen partijen in geschil is dat het door of vanwege de gemeente inzamelen en verwerken van bedrijfsafvalstoffen aan deze omschrijving voldoet. Het Hof sluit zich aan bij deze, naar zijn oordeel juiste, gemeenschappelijke opvatting van partijen.

8.4.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende gesteld dat zij haar bedrijfsafval aanbiedt door dit in een grote betonnen container die in de straat staat te deponeren en dat zij ook voor het gebruik van die container geld betaalt. Voor zover deze stelling moet worden opgevat als strekkende ten betoge dat bij de bedrijfsruimte door of vanwege de gemeente geen bedrijfsafvalstoffen worden ingezameld en dat door of vanwege de gemeente evenmin uit de bedrijfsruimte afkomstige bedrijfsafvalstoffen worden verwerkt, zodat een belastbaar feit ter zake waarvan van belanghebbende het bedrijfsreinigingsrecht kan worden geheven ontbreekt, faalt zij. Het Hof vat hetgeen de Heffingsambtenaar ter zitting over deze stelling heeft opgemerkt op als een weerspreking daarvan. Belanghebbende heeft tegenover deze weerspreking niet aannemelijk gemaakt dat zij in 2010 en 2011 al haar bedrijfsafval in een

– kennelijk door of vanwege een ander dan de gemeente geplaatste en periodiek geledigde – container heeft gedeponeerd. De enkele stelling dat zulks het geval is, is daartoe zonder nader bewijs, dat ontbreekt, onvoldoende. Gelet hierop alsmede op het feit dat door of vanwege de gemeente in 2010 en 2011 in de [Y] in [Z] periodiek afval werd ingezameld (zie onder 3.4), is het Hof van oordeel dat gedurende beide jaren zich ten aanzien van belanghebbende het in artikel 2 van de Verordeningen vermelde belastbare feit heeft voorgedaan.

8.5.

Indien de onder 8.4 vermelde stelling van belanghebbende aldus moet worden opgevat dat belanghebbende aanspraak maakt op een vrijstelling op de voet van artikel 4 van de Verordeningen faalt zij eveneens omdat de Verordeningen voor de toepassing van de vrijstelling de voorwaarde stelt dat belanghebbende in het bezit is van een geldig contract voor al het aan te bieden bedrijfsafval met een wettelijk erkende inzamelaar. Dat belanghebbende in het bezit is van een dergelijk contract is gesteld noch gebleken.

8.6.

Ook de stelling van belanghebbende dat de aanslagen vernietigd moeten worden omdat de aanslag bedrijfsreinigingsrecht die voor het jaar 2006 is opgelegd onder dezelfde omstandigheden en op basis van een nagenoeg gelijkluidende verordening na daartegen gemaakt bezwaar is vernietigd, kan niet slagen. Een uitspraak op bezwaar betreffende de aanslag voor enig jaar, in dit geval 2006, kan geen rechtens te honoreren vertrouwen wekken omtrent de belastingheffing voor andere jaren, in dit geval 2010 en 2011. Dit is slechts anders indien:

i) belanghebbende in het bezwaar van 2006 een bepaalde aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld; en,

ii) de Heffingsambtenaar over die bepaalde aangelegenheid naar aanleiding van het bezwaar uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt heeft ingenomen; en,

iii) die bepaalde aangelegenheid zich in 2010 en 2011 onveranderd voordoet.

8.6.1.

Het ligt op de weg van belanghebbende om de feiten te stellen, en bij betwisting door de Heffingsambtenaar aannemelijk te maken, die de conclusie kunnen dragen dat er bij belanghebbende een rechtens te honoreren vertrouwen is gewekt. Naar het oordeel van het Hof is hetgeen belanghebbende aandraagt daartoe onvoldoende. Op grond van het voorgaande komt het Hof tot het oordeel dat de aanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd.

8.7.

Ter zitting heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat voor de heffing is uitgegaan van een verkeerde heffingsmaatstaf en dat daardoor bij het opleggen van de aanslagen is uitgegaan van een onjuist tarief. Belanghebbende stelt dat zij geen winkel exploiteert terwijl zij op grond van de Verordeningen wel is ingedeeld in de categorie ‘Winkels’.

8.7.1.

Zo de indeling in de categorie ‘Winkels’ onjuist is, heeft dat niet tot gevolg gehad dat de aanslag op een te hoog bedrag is vastgesteld. De bedrijfsruimte van belanghebbende is 15 m2 groot waardoor zij in de categorie ‘Winkels’ in de groep 0 – 99 m2 valt, waar een tarief bij hoort van € 249,06 (2010) en € 253,40 (2011). Belanghebbende was in 2010 en 2011 als enige werkzaam binnen de onderneming waardoor zij in de categorie ‘Overig’ in de groep 0 – 4 fte valt, waar een tarief bij hoort van € 249,06 (2010) en € 253,40 (2011). Nu de tarieven die van toepassing zijn op de situatie van belanghebbende hetzelfde zijn in de verschillende categorieën, heeft dat geen gevolgen voor de hoogte van het bedrag van de aanslagen. Het Hof komt dan ook tot het oordeel dat de aanslagen tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Slotsom

8.8.

Gelet op het hiervoor overwogene is het hoger beroep ongegrond en dient te worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten

9. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. G.J. van Leijenhorst, J.J.J. Engel en A.N. Labohm, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Brits. De beslissing is op 25 februari 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.