Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3684

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
24-12-2015
Zaaknummer
200.178.039/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling is beëindigd. Omgang is geëffectueerd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 260
Burgerlijk Wetboek Boek 1 255
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 23 december 2015

Zaaknummer : 200.178.039/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 15-1706

Zaaknummer rechtbank : C/10/478756

[de moeder]

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A. van Eijkeren te Rotterdam,

tegen

de Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond te Rotterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Als degene wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, is aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 6 oktober 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 6 juli 2015 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

De gecertificeerde instelling heeft op 13 november 2015 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

 op 3 november 2015 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlage;

 op 30 november 2015 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De raad heeft bij brief van 30 november 2015 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

De zaak is op 2 december 2015 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

 de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

 de heer [vertegenwoordiger] en mevrouw [vertegenwoordiger] namens de gecertificeerde instelling;

 de vader.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de duur van de ondertoezichtstelling van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: de minderjarige, verlengd tot 15 juli 2016. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 15 juli 2016.

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair te bepalen dat de ondertoezichtstelling van de minderjarige niet zal worden verlengd per 15 juli 2015 en subsidiair te bepalen dat de ondertoezichtstelling van de minderjarige zal worden verlengd voor de duur van zes maanden en wel tot 15 januari 2016. Kosten rechtens.

3. De gecertificeerde instelling verweert zich daartegen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep strekkende te bepalen dat de ondertoezichtstelling zal worden verlengd voor de duur van zes maanden, af te wijzen.

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat zij al geruime tijd voldoende stabiel is. Zij heeft de afgelopen maanden laten zien dat haar draaglast, ondanks alle stress van de procedures en conflicten met de jeugdbeschermer en de vader, groot genoeg is om onveilige situaties te voorkomen. Zij is niet meer zo kwetsbaar en weet heel goed wanneer zij eventueel hulp nodig heeft en wie zij dan moet benaderen. Ook blijft een vangnet bestaan via de gezinscoach van Impegno en de psycholoog. Verder is de moeder van mening dat de jeugdbeschermer de ouders niet begeleidt in het proces om tot een omgangsregeling te komen, waarmee beide ouders instemmen. Zo mogen de ouders van de jeugdbeschermer niet met elkaar in gesprek. Daarnaast communiceert de jeugdbeschermer niet of onvoldoende met de ouders, waardoor het voor hen niet duidelijk is aan welke afspraken zij zich dienen te houden. Hierdoor is de strijd tussen de ouders de afgelopen periode enkel aangewakkerd. De begeleiding frustreert de totstandkoming van een goede omgangsregeling. Volgens de moeder kan zij veel beter in onderling overleg met de vader tot een goed lopende regeling komen. De vader heeft inmiddels laten zien dat hij er wel wil zijn voor de minderjarige en dat hij de gemaakte afspraken vaak nakomt. Tot slot wijst de moeder erop dat er geen kindfactoren spelen en ten aanzien van de ontwikkeling van de minderjarige in haar ogen thans geen enkele zorg bestaat.

5. De gecertificeerde instelling is van mening dat de moeder in haar gedrag nog steeds onvoorspelbaar is naar de hulpverlening. Zij vraagt hulpverlening aan en wanneer het niet gaat zoals zij verwacht, stopt de moeder de hulpverlening. Er is tot op heden nog geen traumabehandeling voor de moeder gestart, omdat zij niet stabiel genoeg wordt geacht. De moeder heeft nog last van te veel spanningen over andere zaken, zoals de ondertoezichtstelling en de omgangsregeling. De moeder is hierdoor niet volledig gefocust op haar behandeling. Nu de hulpverlening vanuit Impegno nog onvoldoende van de grond is gekomen, kan de veiligheid van de minderjarige niet langer gegarandeerd worden bij de moeder. De gecertificeerde instelling wijst erop dat het risico op kindermishandeling in geval van toenemende spanning bij de moeder toeneemt. Aangezien nog geen progressie in de behandeling bij Impegno waarneembaar is en de draagkracht/draaglast van de moeder nog niet in balans is, acht de gecertificeerde instelling het voor de minderjarige op langere termijn schadelijk om blootgesteld te worden aan de psychische problematiek van de moeder. Voorts heeft de gecertificeerde instelling onvoldoende zicht op de veiligheid in de thuissituatie bij de moeder en is het voor de gecertificeerde instelling moeilijk in te schatten wanneer de draaglast van de moeder haar draagkracht overschrijdt. Daar de zorgen omtrent de psychiatrische problematiek van de moeder niet afnemen en de veiligheid van de minderjarige niet gewaarborgd kan worden, is de gecertificeerde instelling voornemens een regulier verzoek tot machtiging uithuisplaatsing bij de rechtbank te doen om de minderjarige bij de vader te plaatsen. Verder is de gecertificeerde instelling van mening dat in het kader van de omgangsregeling wel degelijk rekening is gehouden met de moeder. De gecertificeerde instelling heeft echter het standpunt ingenomen dat tussen de minderjarige en de vader een reguliere omgangsregeling kan plaatsvinden, omdat er geen zorgen zijn rondom de verantwoordelijkheid van de vader. Nu de moeder zowel bij de gecertificeerde instelling, Impegno en de peuterspeelzaal haar zorgen over de contacten tussen de minderjarige en de vader heeft geuit, heeft de gecertificeerde instelling er geen vertrouwen in dat het de ouders zal lukken om een (blijvende) omgangsregeling te treffen, die in het belang van de minderjarige is. De gecertificeerde instelling ziet het als een ontwikkelingsbedreiging voor de minderjarige, indien een structurele omgangregeling tussen de vader en de minderjarige niet gecontinueerd zou worden.

6. De vader heeft ter zitting verklaard dat de ondertoezichtstelling heeft geholpen om een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige te bewerkstelligen. Tussen de vader en de minderjarige heeft inmiddels drie keer omgang plaatsgevonden, hetgeen goed is verlopen. De vader weet niet de omgangsregeling ook goed blijft verlopen als de ondertoezichtstelling vervalt.

7. Het hof overweegt als volgt. Een ondertoezichtstelling kan ingevolge artikel 1:260 lid 1 BW slechts worden verlengd indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), aanwezig zijn. Uit dat artikel volgt dat een minderjarige onder toezicht gesteld kan worden indien deze zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Voorts dient de verwachting gerechtvaardigd te zijn dat de gezaghebbende ouder(s) binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen.

8. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de wettelijke gronden voor een ondertoezichtstelling, anders dan ten tijde van het wijzen van de bestreden beschikking, thans niet langer aanwezig zijn. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de minderjarige zich, ondanks de zorgen van de gecertificeerde instelling, adequaat ontwikkelt en geen sprake is van kindeigen problematiek. Ook is de onderlinge verhouding tussen de ouders verbeterd en is de omgang tussen de minderjarige en de vader op gang gebracht. Het hof gaat ervan uit dat de moeder zich zal blijven inzetten om de omgang tussen vader en de minderjarige te continueren en waar mogelijk uit te breiden. Dat de draaglast van de moeder haar draagkracht overstijgt en zij – met begeleiding van de reeds ingeschakelde hulpverlening – niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige te dragen, is evenmin voldoende gebleken. Voorts overweegt het hof dat de moeder zelf het initiatief heeft genomen om hulpverlening in te schakelen. Zo staat de moeder op dit moment onder behandeling van Impegno, volgt zij een mindfulness training en heeft zij hulp van maatschappelijk werk. De moeder heeft ter zitting van het hof desgevraagd uitdrukkelijk bevestigd dat zij deze hulpverlening na de beëindiging van de ondertoezichtstelling zal blijven voortzetten. Daarnaast weegt het hof mee dat de moeder inmiddels een netwerk tot haar beschikking heeft om haar te ondersteunen bij de opvoeding van de minderjarige. De enkele omstandigheid dat de gecertificeerde instelling zicht willen blijven houden op de thuissituatie van de minderjarige, acht het hof onvoldoende grond voor een ondertoezichtstelling. Het hof is derhalve van oordeel dat er thans onvoldoende gronden aanwezig zijn om de ondertoezichtstelling van de minderjarige nog langer te handhaven. Gelet op het voorgaande zal het hof de ondertoezichtstelling van de minderjarige per heden niet langer verlengen en de bestreden beschikking in zoverre vernietigen.

9. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

10. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover de duur van de ondertoezichtstelling is verlengd vanaf 23 december 2015 tot 15 juli 2016, en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het inleidend verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in zoverre alsnog af;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep anders of meer verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J.C. Koens, L.F.A. Husson en P.B. Kamminga, bijgestaan door mr. G. Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 december 2015.