Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3653

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
22-001228-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim acht maanden samen met anderen schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne. Bovendien had hij op de dag van zijn aanhouding samen met anderen versnijdingsmiddelen voorhanden ter voorbereiding van die handel.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 (tweeëntwintig) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-001228-15

Parketnummer: 09-857176-14

Datum uitspraak: 22 december 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 maart 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Ghana) op [geboortejaar] 1989,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Haaglanden – Huis van Bewaring Zoetermeer te Zoetermeer.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 8 december 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder

1. en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de Reclassering Nederland, Adviesunit 2 Zuid-West, Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, een behandelverplichting bij De Waag of een soortgelijke instelling voor ambulante forensische zorg, een alcohol- en drugsverbod en een verplichting tot medewerking aan urineonderzoek, waarbij aan de Reclassering Nederland opdracht is gegeven tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot de begeleiding van de veroordeelde ten behoeve daarvan.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering - ten laste gelegd dat:

1.
hij (op een of meerdere tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 10 september 2014 te Delft, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van (een) materiaal/materialen bevattende cocaïne en/of heroïne en/of amfetamine en/of MDMA en/of (een) ander(e) middel(en), zijnde (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.
hij op of omstreeks 10 september 2014 te Delft tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen (een) versnijdingsmiddel(en) inositol en/of fenacetine (van totaal ongeveer 1564,3 gram), voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Overweging omtrent het bewijs

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte – overeenkomstig haar pleitnotities – verzocht de verklaringen van de voormalige medeverdachte [medeverdachte] uit te sluiten van het bewijs. Daartoe is aangevoerd dat zijn verklaringen op meerdere punten tegenstrijdig zijn en hij geen afdoende verklaring heeft gegeven voor deze tegenstrijdigheden.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daaromtrent als volgt.

Het hof acht de als getuige afgelegde verklaringen van [medeverdachte] betrouwbaar omdat hij op hoofdlijnen consequent heeft verklaard en omdat zijn verklaringen worden ondersteund door de gebezigde andere bewijsmiddelen. Dat [medeverdachte] bij de rechter-commissaris op sommige punten anders heeft verklaard dan hij eerder heeft gedaan, doet naar ’s hofs oordeel niet af aan de betrouwbaarheid.

Het hof gebruikt de verklaringen van [medeverdachte] derhalve voor het bewijs.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij (op een of meerdere tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 10 september 2014 te Delft, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van (een) materiaal/materialen bevattende cocaïne en/of heroïne en/of amfetamine en/of MDMA en/of (een) ander(e) middel(en), zijnde (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.
hij op of omstreeks 10 september 2014 te Delft tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen (een) versnijdingsmiddel(en), te weten inositol en/of fenacetine (van totaal ongeveer 1564,3 gram), voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsverweren

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte behoort te worden vrijgesproken van het medeplegen van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Daartoe is – verkort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de verdachte altijd in zijn eentje heeft gehandeld en dus nimmer in nauwe en bewuste samenwerking met anderen. Voorts had de verdachte slechts gedurende de laatste zes maanden voor zijn aanhouding in cocaïne gehandeld, zodat vrijspraak behoort te volgen voor de daaraan voorafgaande ten laste gelegde periode.

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

[medeverdachte] heeft na zijn aanhouding diverse verklaringen afgelegd waarin hij zich ook heeft uitgelaten over de rol van zijn medeverdachten in deze zaak. Hij heeft verklaard dat ene [medeverdachte 2] zich aan hem had opgedrongen en dat hij, [medeverdachte], zijn woning aan [medeverdachte 2] en zijn ‘maatjes’, onder wie ene ‘[verdachte]’ beschikbaar had gesteld. [medeverdachte 2] en zijn maatjes maakten daar drugs. [medeverdachte 2] bood [medeverdachte] in ruil voor het beschikbaar stellen van zijn woning gebruikershoeveelheden cocaïne aan. In zijn tweede verhoor heeft [medeverdachte] een foto aangewezen en daarbij gezegd: “Dat is [medeverdachte 2] . Ik weet zijn achternaam omdat hij die een keer verteld heeft”. [medeverdachte] heeft ook de verdachte herkend op een foto die door de politie aan hem werd getoond. Door de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat zijn bijnaam [verdachte] is. Volgens [medeverdachte] kwamen zowel de verdachte als andere medeverdachten bij hem over de vloer en is het begonnen in augustus 2013. [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] namen versnijdingsmiddelen mee naar de woning van [medeverdachte] en versneden en verpakten de drugs in zijn woning. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] waren de drugskoeriers.

Uit de verklaringen van [medeverdachte] komt voorts naar voren dat de verdachte zich samen met anderen bezig heeft gehouden met de handel in verdovende middelen. Deze verklaringen worden ondersteund door de verklaringen van de afnemers [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7], die bij de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] cocaïne kochten. Uit het tapgesprek van 16 mei 2014 blijkt daarnaast dat de verdachte samen met een ‘collega’ werkte. Het hof is daarom van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte samen met anderen heeft gehandeld in verdovende middelen.

Het hof kent, zoals hiervoor gezegd, naast de verklaringen van [medeverdachte] tevens gewicht toe aan de tegenover de politie en de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van de afnemers [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] .

Uit de politieverklaring van [medeverdachte 6] blijkt dat hij de verdachte kende en dat hij bij hem en bij de medeverdachte [medeverdachte 2] cocaïne bestelde. Hij noemt de naam ‘[verdachte]’ en heeft de verdachte herkend op een foto die de politie hem had getoond. [medeverdachte 6] bestelde één keer in de week tot één keer in de twee weken. Uit zijn tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring blijkt dat [medeverdachte 6] de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] zes maanden tot een jaar kende.

[medeverdachte 7] heeft bij de politie verklaard dat zij cocaïne bestelde bij de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2]. Zij noemt eveneens de naam ‘[verdachte]’ en heeft hem herkend op een foto van de verdachte, die de politie aan haar had getoond. Tegenover de rechter-commissaris heeft [medeverdachte 7] verklaard dat [medeverdachte 2], [verdachte] de cocaïne kwamen afleveren en dat [verdachte] er het laatste halfjaar bij was.

Dat de verklaringen van de afnemers voor wat betreft de periode niet geheel overeenkomen, acht het hof niet relevant, nu de afnemers hun tegenover de politie afgelegde verklaringen in grote lijnen hebben herhaald tegenover de rechter-commissaris. Met hun verklaringen hebben zij bovendien zichzelf belast. Voorts worden hun verklaringen ondersteund door andere bewijsmiddelen, in het bijzonder door de verklaringen van [medeverdachte] en de bevindingen omtrent de telefonische contacten.

Het hof acht bewezen dat de verdachte met zijn medeverdachten in de periode van 1 januari 2014 tot en met 10 september 2014 cocaïne heeft verhandeld. Dat er ook sprake is geweest van handel in de periode gelegen tussen 1 januari 2013 en 1 januari 2014 acht het hof niet bewezen, nu het dossier hiervoor onvoldoende basis biedt.

Uit de verklaringen van [medeverdachte] volgt voorts dat de verdachte samen met zijn medeverdachten in de woning van [medeverdachte] geruime tijd cocaïne heeft versneden, en ten behoeve daarvan versnijdingsmiddelen in de woning van [medeverdachte] heeft gebracht in de bewezen verklaarde periode. Omtrent de versnijdingsmiddelen die op 10 september 2014 in de woning van [medeverdachte] aanwezig waren, heeft [medeverdachte] tegenover de rechter-commissaris verklaard dat deze allemaal van [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 8] waren.

De verdachte heeft erkend dat hij een of twee keer in de woning van [medeverdachte] cocaïne heeft versneden. Voor wat betreft de voorbereiding van zijn drugsdeals heeft de verdachte geen openheid van zaken gegeven, zodat niet valt te verifiëren of, en zo ja, waar elders hij dan drugs zou hebben versneden voor zijn handel. Op grond van het geheel, in onderlinge samenhang bezien, neemt het hof aan dat de verdachte tevens in de woning van [medeverdachte] drugs heeft versneden.

Het hof acht mitsdien eveneens bewezen dat de verdachte deze versnijdingsmiddelen tezamen met zijn medeverdachten op 10 september 2014 voorhanden heeft gehad.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van een behandelverplichting bij De Waag of een soortgelijke instelling voor ambulante forensische zorg als bijzondere voorwaarde.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim acht maanden samen met anderen schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne. Bovendien had hij op de dag van zijn aanhouding samen met anderen versnijdingsmiddelen voorhanden ter voorbereiding van die handel.

Aldus handelend heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land. Door harddrugs wordt de volksgezondheid bedreigd. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving met zich mee en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Tenslotte leidt drugsgebruik veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit. De verdachte heeft hiervoor kennelijk geen oog gehad en was slechts uit op eigen financieel gewin.

Het hof houdt bij het bepalen van de strafmaat in zijn nadeel rekening met de omstandigheid dat de rol van de verdachte in het geheel cruciaal was. Uit het dossier is naar voren gekomen dat sprake was van een goed georganiseerd netwerk, waarin de verdachte een belangrijke tussenschakel was. Zo onderhield hij contact met afnemers, bewerkte en verkocht hij de cocaïne en stuurde hij koeriers aan.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 november 2015, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder overtredingen van de Opiumwet. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Voorts heeft het hof kennisgenomen van het reclasseringsadvies van de Stichting Reclassering Nederland d.d. 24 november 2014 omtrent de verdachte. De reclassering heeft geadviseerd een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een verplichting om een ambulante behandeling te volgen bij De Waag of een soortgelijke instelling, een alcohol- en drugsverbod en een locatieverbod voor Delft.

Naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep ziet het hof thans geen aanleiding meer voor oplegging als bijzondere voorwaarden van een locatieverbod, noch van een alcohol- en drugsverbod en (de daarmee samenhangende) verplichting tot medewerking aan urineonderzoeken.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 (tweeëntwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen te melden bij de Reclassering Nederland, Adviesunit 2 Zuid-West te Den Haag, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd onder behandeling zal stellen bij De Waag of een soortgelijke instelling voor ambulante forensische zorg, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling vast te stellen.

Geeft deze instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht,

mr. J.W. van Rijkom en mr. H.C. Wiersinga, in bijzijn van de griffier mr. N.R. Achterberg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 december 2015.