Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3641

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-12-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
200.143.230
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Vaststelling vordering onder/overbedeling. Onderscheiden vermogensbestanddelen: aandelen, bedrijfspand, inboedel, verrekening kosten echtelijke woning en gebruiksvergoeding echtelijke woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.143.230/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : C/11/100369/HA ZA 12-2236

arrest d.d. 8 december 2015

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant, tevens incidenteel geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.W. de Haij te Capelle aan den IJssel,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde, tevens incidenteel appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.G. van Tilburg-Keesmaat te Alblasserdam.

Het geding

De man is bij exploot van 17 januari 2014 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 november 2013, gewezen tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde, hierna: het bestreden vonnis. Op 18 januari 2014 heeft de man een herstelexploot doen uitbrengen, waarin de datum van betekening van de appeldagvaarding is hersteld: in plaats van 17 december 2014 dient te worden gelezen 17 januari 2014.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis.

De man heeft op 23 september 2014 een memorie van grieven ingediend die vijf grieven bevat. Daarbij is een productie overgelegd.

De vrouw heeft ter rolzitting van 27 januari 2015 een memorie van antwoord, tevens inhoudende incidenteel appel, ingediend. Daarin heeft zij vier, deels voorwaardelijke, incidentele grieven opgeworpen.

De man heeft ter rolzitting van 2 juni 2015 een memorie van antwoord in het incidenteel appel ingediend en heeft daarbij twee producties overgelegd.

Partijen hebben ieder zijn/haar procesdossier overgelegd. De man heeft arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen de feiten, zoals de rechtbank deze onder ‘2’ in het bestreden vonnis heeft vastgesteld, is niet opgekomen, zodat het hof van deze feiten zal uitgaan.

2. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld. De man is veroordeeld om vanwege overbedeling van hem/onderbedeling van de vrouw een bedrag van € 74.589,75 aan de vrouw te betalen. Ook is de man veroordeeld om uit hoofde van pensioenverrekening iedere maand de helft van zijn bruto pensioen aan de vrouw te betalen, met ingang van 7 maart 2012. Het vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

3. De man vordert dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en dat de verdeling van de huwelijksgemeenschap zal worden vastgesteld zoals is aangegeven in het voorstel van verdeling, dat is opgenomen in de memorie van grieven, alles met veroordeling van de vrouw in de kosten in beide instanties en alles uitvoerbaar bij voorraad.

4. De vrouw concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van de man, en tot vernietiging van de vonnissen in eerste aanleg, alleen ten aanzien van de onderdelen waartegen de vrouw onvoorwaardelijke incidentele grieven heeft ingesteld en, opnieuw rechtdoende, te bepalen zoals door de vrouw is aangegeven in haar grieven en, voor zover de grieven van de man leiden tot vernietiging van de vonnissen in eerste aanleg, arrest te wijzen met inachtneming van alle grieven en verweren van de vrouw, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure en de procedure in eerste aanleg, deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Het hof zal de onderscheiden vermogensbestanddelen welke in de grieven aan de orde worden gesteld achtereenvolgens behandelen.

Aandelen

5. Het hof behandelt de eerste en vijfde grief van de man gezamenlijk. In zijn eerste grief voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de negatieve waarde van de door de man gehouden aandelen in de besloten vennootschap [naam twee] B.V. De man voert aan dat de intrinsieke waarde van de aandelen in [naam twee] B.V. is vastgesteld op € 62.719,- negatief. Een bedrag van € 10.676,56 valt als negatief in de huwelijksgemeenschap. Hij heeft een verklaring van een registeraccountant overgelegd. De vrouw moet de man de helft van dit bedrag vergoeden. In de vijfde grief voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte bij eindvonnis de aandelen in [naam een] B.V. heeft toegedeeld aan de man. De man voert aan dat hij geen aandelen houdt in [naam een] B.V. maar dat deze aandelen voor 100% worden gehouden door zijn zakelijke partner.

6. De vrouw heeft de beide grieven gemotiveerd bestreden waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan.

7. De vrouw betwist vooreerst de stelling van de man, inhoudende dat hij geen aandelen in [naam een] B.V. zou houden. Het hof overweegt dat de vrouw in eerste aanleg verdeling van de aandelen in deze vennootschap heeft gevorderd en heeft gesteld dat zij niet over gegevens van deze vennootschap beschikt. De man heeft daarop in zijn conclusie van antwoord gesteld dat de vrouw heeft gesteld dat de aandelen daarvan volledig zonder verdere verrekening aan de man kunnen worden toegedeeld zodat dit onderdeel verder geen bespreking behoeft. Ter comparitie van partijen in eerste aanleg heeft de comparitierechter de verdeling van de (aandelen in) de besloten vennootschappen en de vennootschap onder firma aan de orde gesteld. De vrouw heeft toen verklaard dat een toedeling aan de man met gesloten beurzen wat haar betreft akkoord was. Zij had daarbij het oog op de aandelen van alle vennootschappen, dus ook de aandelen in [naam een] B.V. De rechtbank heeft dan ook aldus beslist in het bestreden vonnis. De man heeft, noch in de conclusie van antwoord, noch ter comparitie, betoogd dat hij geen aandelen in [naam een] B.V. houdt. Deze stelling werpt hij eerst in hoger beroep op, zonder voor die gang van zaken in eerste aanleg een verklaring te geven. Evenmin heeft hij met stukken onderbouwd dat hij geen aandelen in genoemde besloten vennootschap houdt, hetgeen, gelet op het debat tot dan toe, wel van hem had mogen worden verwacht, temeer nu de vrouw deze stelling in hoger beroep van de man uitdrukkelijk betwist. Het hof houdt het, bij gebrek aan informatie van de zijde van de man over de (waarde van de) aandelen in deze vennootschap, er dan ook voor – nog afgezien van het feit dat de in de huwelijksgoederengemeenschap vallende waarde van de door één van de (voormalige) echtgenoten gehouden aandelen in een besloten vennootschap. (vanwege een negatief vermogen van de vennootschap) niet minder dan nihil kan bedragen – dat de door de vrouw voorgestane verdeling, in die zin dat de man de aandelen in de vennootschappen, waaronder [naam twee] B.V. , en de v.o.f. [naam] krijgt toegedeeld, zonder dat daarvoor enige vergoeding van de waarde aan de vrouw tegenover staat, redelijk en billijk is. Dit betekent dat de eerste grief en de vijfde grief van de man worden gepasseerd en dat het hof niet toekomt aan de voorwaardelijk opgeworpen eerste incidentele grief van de vrouw.

Bedrijfspand

8. Het hof bespreekt de tweede grief van de man en de (onvoorwaardelijk opgeworpen) tweede grief in incidenteel appel van de vrouw gezamenlijk, nu zij beide het bedrijfspand betreffen. De man voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de man ter zake het bedrijfspand aan de [adres] te [plaatsnaam] een bedrag van € 74.464,75 dient te voldoen aan de vrouw. Bij de berekening van de overwaarde heeft de rechtbank een methodiek gehanteerd die gebruikelijk is bij de berekening van de overwaarde van een woonhuis. De man verwijst naar een door M.R.A. [naam] RA opgemaakt rapport; deze komt tot de conclusie dat met betrekking tot de verdeling van het bedrijfspand slechts een bedrag van € 16.387,- in de huwelijksgemeenschap valt, waarvan 50% door de man aan de vrouw moet worden betaald.

9. De vrouw stelt dat partijen in privé voor 3/10e deel eigenaar zijn. De vrouw betwist dat voor de bepaling van de bedrijfswaarde van het bedrijfspand de overige bezittingen en schulden, die rechtstreeks verband houden met de exploitatie van de vennootschappen, in aanmerking moeten worden genomen. Het gaat bij de verdeling om de bepaling van de overwaarde van het pand van partijen, althans hun aandeel daarin. Er is geen grond om een andere berekeningsmethodiek te hanteren dan door de rechtbank is gedaan. Door de makelaar is een waardering van het pand in verhuurde staat berekend, omdat in het pand een onderneming is gevestigd. De man heeft dit rapport zelf in het geding gebracht. De makelaar heeft al rekening gehouden met de marktwerking en vraag en aanbod. De vrouw voert in haar incidentele grief aan dat de rechtbank ten onrechte de boekwaarde (€ 732,396,-) aanhoudt in haar berekening in plaats van de taxatiewaarde (€ 850.000,-), al is de berekeningsmethode wel juist.

10. Het hof overweegt als volgt. Het gaat te dezen om een bedrijfspand dat door de man en de vrouw voor 3/10e gedeelte in privé is verworven en dat ten dienste staat van en verhuurd wordt aan de onderneming die de man met de medeeigenaar van het bedrijfspand drijft. Het hof meent dat de verdeling van het pand, althans de waardering daarvan, moet worden bezien in het licht van de echtscheiding en de daaruit voortvloeiende verdeling. Daarom acht het hof, naast de omstandigheid dat het hier niet een pand betreft dat in eigendom is van de onderneming, maar dat in privé eigendom is van partijen en dat aan de onderneming ter beschikking wordt gesteld, het niet redelijk en billijk om de door de man voorgestane berekeningsmethodiek, wat daar verder ook van zij, te volgen, waarbij de bedrijfswaarde van het pand wordt aangehouden. Het hof volgt derhalve de berekeningsmethode van de rechtbank. Resteert de vraag of het pand voor de boek- dan wel de taxatiewaarde in aanmerking moet worden genomen. De man heeft in eerste aanleg een taxatierapport van bedrijfsmakelaar [naam] overgelegd, waarin de waarde in het economisch verkeer van het bedrijfspand in verhuurde staat is bepaald op € 850.000,-. Nu deze waarde door de man, voor zijn berekening van de waarde, ook tot uitgangspunt wordt genomen, de taxatie door de makelaar is verricht in oktober 2011, een datum, kort gelegen voor de datum, per welke de man een waarde in zijn aangifte vermeldt en ook de vrouw niet van een andere waarde uitgaat, terwijl voorts gesteld noch gebleken is dat de man zijn aandeel in het bedrijfspand op een korte termijn zal vervreemden, is het hof met de vrouw van oordeel dat het bedrijfspand voor een waarde van € 850.000,- in de verdeling moet worden betrokken. Daarop strekt in mindering het bedrag aan hypothecaire schuld waarvan de rechtbank is uitgegaan – en welk bedrag niet in geschil is-, € 70.789,50, zodat aldus de man gerechtigd is tot: € 255.000,- minus € 70.789,50 = € 184.210,50. De helft daarvan komt toe aan de vrouw, te weten een bedrag van € 92.105,25. De grief van de vrouw slaagt.

Inboedel voormalige echtelijke woning

11. In de derde grief voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat met betrekking tot de inboedel van de inmiddels verkochte echtelijke woning voor een nadere verrekening geen plaats is. De vrouw had gesteld dat zij slechts enkele goederen had meegenomen. Toen de man in de echtelijke woning kwam bleek nagenoeg de gehele inboedel te zijn verdwenen. De verzekerde waarde van de inboedel was € 75.000,-. Een opkoper zou daar een bedrag van € 10.000,- a € 15.000,- voor hebben betaald. De man vordert een vergoeding door de vrouw voor alle meegenomen inboedelzaken van € 7.500,-.Daarnaast vordert de man een bedrag van € 6.000,- van de vrouw ter zake van een naar zijn stellen door de vrouw zich toegeëigende postzegelverzameling, sieraden en beeldenserie.

12. De vrouw betwist de stellingen van de man.

13. Het hof overweegt dat de man deze grief onvoldoende heeft onderbouwd. De man geeft geen specificatie van de inboedelgoederen van partijen en van de waarde daarvan. Het is het hof daardoor niet duidelijk om welke (al dan niet achtergelaten) goederen het gaat. Hetzelfde geldt voor de door de man gestelde maar door de vrouw uitdrukkelijk weersproken toeeigening van zijn persoonlijke bezittingen. De grief faalt daarom.

Verrekening kosten met betrekking tot de echtelijke woning

14. In zijn vierde grief voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte de vordering van de man met betrekking tot de afrekening van de kosten van de echtelijke woning heeft afgewezen. De man heeft alle lasten vanaf 16 oktober 2011 tot en met 31 december 2012 doorbetaald. Een groot gedeelte van de kosten heeft betrekking op een periode gelegen na de peildatum. Het betreft kosten in verband met de eigendom van de woning en door de man voor de vrouw betaalde gebruikerslasten. Voor wat betreft de hypothecaire lasten gaat het om een netto bedrag van € 8.800,-.

15. De vrouw voert aan dat een deel van de kosten ziet op kosten van voor de peildatum (7 maart 2012). Het door de man overgelegde overzicht is niet gespecificeerd zodat niet duidelijk is welke kosten betrekking hebben op de periode gelegen na de peildatum. Er zijn voorts geen onderliggende stukken overgelegd. De vrouw betwijfelt bovendien of de man de echtelijke woning in september 2011 permanent heeft verlaten. De vrouw huurt per 2 januari 2012 een andere woning.

16. Het hof overweegt als volgt. Kosten van voor de peildatum, 2 maart 2012, worden niet in aanmerking genomen. Deze behoren tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding van partijen. Voor de periode vanaf 2 maart 2012 heeft te gelden dat partijen beiden eigenaar zijn van de echtelijke woning en zij op grond van het bepaalde in artikel 3:172 BW, ieder voor de helft, dienen bij te dragen in de uitgaven die voor de woning zijn gemaakt. De vrouw dient aldus ook bij te dragen. Voor wat betreft de kosten over de periode na 2 maart 2012 overweegt het hof echter ook dat de man deze niet heeft onderbouwd, terwijl de vrouw deze heeft betwist. Slechts voor de door de man betaalde hypothecaire rente kan het hof een aanknopingspunt vinden in de aangifte Inkomstenbelasting 2011 van de man. Daarin is een bedrag van € 4.161,- opgenomen aan hypothecaire rente. Uitgaande van tien maanden over 2012, vanaf de peildatum, begroot het hof de bruto hypothecaire rente op € 3.467,-. Dit komt neer op een netto bedrag van uitgaande van een fiscaal voordeel van 35%, dat door de vrouw niet is weersproken, van € 2.253,55. Voor rekening van de vrouw komt aldus een bedrag van € 1.126,-. De grief van de man slaagt gedeeltelijk.

Gebruiksvergoeding echtelijke woning

17. De vrouw heeft voorwaardelijk, voor het geval de grief van de man slaagt, als grief aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte haar vordering tot het toekennen van een gebruiksvergoeding over de periode van 2 januari 2012 tot en met mei 2013 heeft afgewezen. De man woonde in die periode in de echtelijke woning, althans hij stond daar ingeschreven. Nu de man in die periode het uitsluitend gebruik had van de echtelijke woning, behoort hij een gebruiksvergoeding aan de vrouw te voldoen.

18. De man heeft gesteld dat de woning in september 2013 is verkocht aan de zoon van partijen en hij pas nadien bij zijn zoon in deze woning is getrokken.

19. Het hof overweegt als volgt.. De vrouw stelt in de inleidende dagvaarding, welke dateert van 4 oktober 2012, dat de man, alhoewel hij nog staat ingeschreven op het adres bij de gemeente [naam] , hij aldaar (in ieder geval op dat moment) niet meer woonachtig is. De vrouw betoogt nu anders maar de man betwist dit. Aldus komt deze stelling van de vrouw niet vast te staan. Aan het bewijsaanbod van de vrouw gaat het hof voorbij, nu dit niet voldoet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen. Het hof gaat er van uit dat geen van partijen na het vertrek van de vrouw uit de echtelijke woning aldaar nog woonachtig was, zodat er geen plaats is voor een door de man aan de vrouw te betalen gebruiksvergoeding. De grief van de vrouw faalt.

Overleggen van stukken door de man

20. In haar vierde grief voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte de vorderingen van de vrouw ten aanzien van: het overleggen van alle stukken en bescheiden die nodig zijn voor het bewerkstelligen van de verdeling en de veroordeling van de man om over te gaan tot scheiding van de boedel, beide op straffe van verbeurte van een dwangsom, heeft afgewezen. De man weigert de financiële administratie van partijen aan de vrouw te verstrekken. De man komt zijn toezeggingen met betrekking tot de lijfrentepolissen bij Centraal Beheer en bij Reaal en de pensioenverrekening niet na, ook niet na de beslissing in eerste aanleg. De door de vrouw in eerste aanleg ingestelde vorderingen hiertoe moeten alsnog worden toegewezen inclusief dwangsom.

21. De man stelt wel alle informatie aan de vrouw te hebben verstrekt. De advocaat van de vrouw is schriftelijk geïnformeerd over de lijfrentepolissen. De vrouw geeft niet aan over welke stukken zij wenst te beschikken.

22. Het hof overweegt dat de vrouw, gelet op de reeds vastgestelde verdeling, in hoger beroep uitsluitend nog belang heeft bij het verlenen door de man van medewerking aan de verdeling van de opbrengst van de lijfrenteverzekeringen bij Centraal Beheer en Reaal. Voor wat betreft de pensioenverrekening heeft de rechtbank een veroordeling uitgesproken zodat de vrouw daartoe een executoriale titel ter beschikking staat. Met betrekking tot de polissen blijkt uit het bestreden vonnis dat de man heeft verklaard dat de polissen van Centraal Beheer tot uitkering zouden komen in 2013 en dat hij de formulieren aan de vrouw zal doen toekomen zodat aan ieder de helft kan worden uitgekeerd. Voorts heeft de man verklaard dat hij de polis bij Reaal zal afkopen. De rechtbank heeft daarop in het bestreden vonnis overwogen er van uit te gaan dat de man dit in 2013 zal hebben gerealiseerd. De man heeft, gelet op de stellingen van de vrouw, onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij ter zake heeft voldaan aan zijn toezeggingen om te bewerkstelligen dat de vrouw de helft van de uitkeringen van Centraal Beheer en Reaal zal (kunnen) ontvangen. Het hof zal daarom bepalen dat de man binnen een maand na dagtekening van dit arrest moet hebben bewerkstelligd dat de vrouw de helft van de opbrengst van de polissen bij Centraal Beheer en de helft van de afkoopwaarde van de polis bij Reaal zal hebben ontvangen van deze verzekeringsmaatschappijen. Bij gebreke van de medewerking vanaf een maand na dagtekening van het arrest zal de man een dwangsom verbeuren.

Bewijsaanbod

23. Aan het bewijsaanbod dat ieder van partijen heeft gedaan gaat het hof voorbij. Beide zijn niet gespecificeerd en voldoen niet aan de daaraan te stellen eisen.

Slotsom

24. De slotsom is dat de man aan de vrouw ter zake van overbedeling heeft te voldoen: (€ 92.105,25 + € 125,-) - € 1.126,- = € 91.104,25. Het hof zal aldus beslissen.

Proceskosten

25. Het hof zal de proceskosten tussen partijen compenseren nu partijen ex-echtelieden zijn en zij ook ieder gedeeltelijk in het gelijk zijn gesteld. Voor een andere beslissing over de proceskosten in eerste aanleg acht het hof geen gronden aanwezig.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarbij het bedrag dat de man aan de vrouw moet betalen is bepaald op € 74.589,75 en, opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man om vanwege overbedeling van hem/onderbedeling van de vrouw een bedrag van € 91.104,25 aan de vrouw te betalen;

veroordeelt de man om binnen een maand na dagtekening van dit arrest te bewerkstelligen dan wel zijn medewerking er aan te verlenen, dat de vrouw de helft van de opbrengst van de lijfrente verzekeringen bij Centraal Beheer en bij Reaal zal ontvangen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat de man daarna hiermee, geheel dan wel gedeeltelijk, in gebreke zal zijn;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, J.A. van Kempen en P.B. Kamminga en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 december 2015 in aanwezigheid van de griffier.