Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3638

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
200.164.260
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding ex-echtgenoten. Veroordeling tot medewerking aan het doen doorhalen van een ten behoeve van de man gevestigd recht van hypotheek op de woning van de vrouw. Geen kenbare grieven aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.164.260/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : C/09/478895/KG ZA 14-1487

arrest d.d. 24 november 2015

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. B. Fresco te Voorburg,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.Ch. Rombach te Voorschoten.

Het geding

Bij exploot van 30 januari 2015 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 23 januari 2015, gewezen tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde, hierna: het bestreden vonnis.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar wat daarover in het bestreden vonnis is opgenomen.

In de appeldagvaarding heeft de man één grief geformuleerd en heeft hij daarbij de producties, genummerd als A1 tot en met A4, overgelegd. Het verzoek van de man, zijn appel als een spoedappel te behandelen, is afgewezen.

Het hof heeft in zijn arrest van 3 maart 2015 een comparitie van partijen gelast.

De man heeft ter gelegenheid van deze comparitie producties overgelegd.

De comparitie van partijen is gehouden op 21 juli 2015, ten overstaan van de raadsheer-commissaris mr. A.H.N. Stollenwerck. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt. De zaak is verwezen naar de rol voor het indienen van een memorie van antwoord.

De vrouw heeft ter rolzitting van 4 augustus 2015 een memorie van antwoord ingediend. Daarbij zijn negen producties overgelegd.

Vervolgens hebben partijen ieder hun procesdossier overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen de feiten zoals de voorzieningenrechter deze onder ‘1.’ heeft vastgesteld is geen grief gericht zodat het hof in dit hoger beroep van die feiten uitgaat.

2. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter:

- de man veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan het doen doorhalen van het op 27 april 2005 ten behoeve van hem gevestigde recht van hypotheek op het onderpand [adres] te [plaatsnaam] tegen ontvangst van een door de vrouw te betalen bedrag van € 13.500,-, binnen acht dagen nadat de man daartoe door het notariskantoor is uitgenodigd en is bepaald dat bij gebreke van onverkorte en tijdige medewerking van de man het bestreden vonnis in de plaats zal treden van de vereiste rechtshandeling van de man. Het vonnis is tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

- bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- het meer of anders gevorderde afgewezen.

3. De man vordert dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd en dat het hof de vorderingen van de vrouw alsnog zal afwijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.

4. De vrouw concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

5. Het hof begrijpt uit de grief van de man – zoals geformuleerd - dat hij betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de man een zekerheidsrecht heeft bedongen in het kader van de (bereikte overeenstemming rond) de afwikkeling van de nodige huwelijksvermogens- en pensioenverrekenings-/vereveningskwesties. De man stelt dat het voor hem van belang is dat de doorhaling van het recht van hypotheek pas plaatsvindt op de wijze zoals is bepaald in het door onderhandelingen tussen beide partijen ontwikkelde (concept)convenant. De man heeft dit conceptconvenant overgelegd, evenals een door hem nog aangepaste versie daarvan.

6. De vrouw heeft de grief gemotiveerd bestreden. Het hof zal daar, waar nodig, op ingaan bij de beoordeling.

7. Het hof overweegt als volgt.

8. De man heeft geen grief gericht tegen de vaststelling door de voorzieningenrechter onder 3.2 in het bestreden vonnis, dat partijen het er over eens zijn dat de vrouw ter zake de afwikkeling per saldo nog aan de man een bedrag van € 13.500,- dient te betalen, waarna de man gehouden is over te gaan tot royement van de hypotheek die hij heeft op het appartementsrecht van de vrouw en voorts, dat niet is gesteld of gebleken dat de man recht heeft op een hoger bedrag dan € 13.500,-.

Evenmin heeft de man een grief gericht tegen de volgende oordelen van de voorzieningenrechter: dat de vrouw een spoedeisend belang heeft bij doorhaling en ook dat een spoedeisend belang ontbreekt ten aanzien van de pensioenkwestie. Het hof merkt op dat de omstandigheid, dat de man het hof de kwestie voorlegt bij wijze van spoedappel, niet als een zodanige grief kan gelden.

9. Nu tegen deze oordelen van de voorzieningenrechter geen grief is gericht neemt het hof deze tot uitgangspunt. Voor zover de man met zijn grief, zoals vorenstaand weergegeven, wel heeft bedoeld op te komen tegen deze oordelen, is dit niet op een duidelijk kenbare wijze geschied; het hof kan dit niet uit de grief opmaken. De vrouw heeft ook aangevoerd dat de grief niet duidelijk is gespecificeerd.

10. Omdat aldus – nu dit niet is bestreden - door het hof tot uitgangspunt wordt genomen dat de vrouw een spoedeisend belang heeft bij de doorhaling en een spoedeisend belang ontbreekt bij de pensioenkwestie, terwijl de man de pensioenkwestie wel als grond aanvoert om het recht van hypotheek te handhaven, kan de door de man opgeworpen grief niet tot een ander oordeel leiden. Voorts zou dit strijdig zijn met het niet bestreden oordeel van de voorzieningenrechter, dat partijen het erover eens zijn dat de vrouw de man nog een bedrag van € 13.500,- moest betalen, waarna de man gehouden was over te gaan tot royement van de hypotheek. Dat uit door de man overgelegde conceptconvenanten anders zou kunnen volgen dan de hiervoor weergegeven overeenstemming maakt dit niet anders. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat, nu er geen door beide partijen ondertekend convenant ligt, niet aannemelijk is geworden dat tussen partijen op alle punten overeenstemming is bereikt. Tegen dit oordeel is evenmin een (kenbare) grief gericht.

11. Omdat de grief van de man faalt zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. De man zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten van de vrouw.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt de man in de proceskosten, aan de zijde van de vrouw begroot op € 1.605,-, te weten € 711,- aan griffierecht en € 894,- aan salaris advocaat en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, J.A. van Kempen en A.H.N. Stollenwerck en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 november 2015 in aanwezigheid van de griffier.