Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3637

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
200.178.836/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 18 november 2015

Zaaknummer : 200.178.836/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 15-6305

Zaaknummer rechtbank : C/09/494358

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep, tevens verweerder in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. C. Hartmann te Den Haag,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] , Liberia,

verweerster in hoger beroep, tevens verzoekster in incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. H. Dreesmann-Bruijntjes te Den Haag.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 20 oktober 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 6 oktober 2015 van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag.

De moeder heeft op 30 oktober 2015 een verweerschrift ingediend, tevens houdende incidenteel appel.

Bij het hof is voorts ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 29 oktober 2015 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 2 november 2015 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage;

van de zijde van de moeder:

- op 2 november 2015 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 3 november 2015 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en door de tolk mevrouw T. Zwaan;

- de advocaat van de moeder.

De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting pleitnotities met de producties U tot en met Y overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de terugkeer van de minderjarigen:

  • -

    [naam minderjarige 1] , geboren [in] 2009 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [naam minderjarige 2] , geboren [in] 2011 te ’ [geboorteplaats] ,

naar Liberia gelast uiterlijk op 21 oktober 2015, waarbij de vader de minderjarigen dient terug te brengen naar Liberia en beveelt, indien de vader nalaat de minderjarigen terug te brengen naar Liberia, dat de vader de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven uiterlijk op 21 oktober 2015, opdat de moeder de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar Liberia. Hierbij is bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

  • -

    de moeder en de vader hebben tot medio 2013 een affectieve relatie met elkaar gehad.

  • -

    de moeder is tot 6 oktober 2015 alleen met het gezag over de minderjarigen belast geweest. Bij beschikking van 6 oktober 2015 van de rechtbank Den Haag is, uitvoerbaar bij voorraad bepaald, dat met ingang van die datum de ouders gezamenlijk het gezag over de minderjarigen toekomt. Voorts is bepaald dat de minderjarigen de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de teruggeleiding van voornoemde minderjarigen naar de moeder in Liberia.

2. De vader verzoekt het hof om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, en opnieuw beschikkende, het verzoek van de vader (het hof begrijpt: het verzoek van de moeder) de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen, althans de terugkeer van de minderjarigen vóór een door de rechtbank te bepalen datum, te bevelen, met dien verstande dat de minderjarigen met de benodigde reisdocumenten op een door de rechtbank te bepalen datum aan de moeder worden afgegeven, zodat zij de minderjarigen mee terug kan nemen naar Liberia, af te wijzen.

3. De moeder verweert zich daartegen en verzoekt het hof de vader in het door hem gedane verzoek tot vernietiging van de bestreden beschikking niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn grieven af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, zo nodig met verbetering en/of aanvulling van de gronden. In incidenteel appel verzoekt de moeder de bestreden beschikking te vernietigen (het hof begrijpt: voor wat betreft de afwijzing van het verzoek van de moeder de vader te veroordelen in de kosten die zij heeft moeten maken in verband met de ontvoering en de teruggeleiding) en, opnieuw beschikkende de vader te verplichten aan de moeder te vergoeden die kosten die door de moeder noodzakelijk zijn gemaakt in verband met de ongeoorloofde achterhouding van de minderjarigen, zoals de advocatenkosten en de kosten voor vliegtickets teneinde de zittingen bij te wonen en de minderjarigen terug naar Liberia te brengen, conform een nader te overleggen en onderbouwde specificatie.

4. De vader voert het volgende aan. Hij betwist dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen is gelegen in Liberia. De moeder was initieel voor een kort verblijf naar Liberia vertrokken en de bedoeling van partijen was altijd om de minderjarigen in Nederland, of een ander Europees land te laten opgroeien. Dat Nederland het land van de gewone verblijfplaats van de minderjarigen is blijkt uit het feit dat hier het centrum van hun belangen en sociale leven is gelegen. De minderjarigen hebben altijd in Nederland gewoond met de ouders en zij hebben de Nederlandse nationaliteit, evenals de ouders. De minderjarigen zijn begin juli 2013, nadat de moeder haar baan was verloren, voor een vakantie van twee maanden met de moeder naar Liberia vertrokken. Tot november 2013 hadden partijen een relatie en spraken zij over waar in Nederland, dan wel Europa zij zich met de minderjarigen zouden gaan vestigen. Op dat moment en in ieder geval tot november 2013 was er nog geen sprake van een bestendige verhuizing naar Liberia. Nadat de vader in november 2013 de relatie tussen partijen had verbroken, liet de moeder hem in eerste instantie weten niet van plan te zijn met de minderjarigen terug te keren naar Nederland. De vader was het hier niet mee eens. De moeder en de minderjarigen hebben telkens bij anderen in huis gelogeerd en de minderjarigen hebben diverse scholen / kinderdagverblijven bezocht. Toen de Ebola-epidemie uitbrak hebben partijen hun gesprekken over waar de minderjarigen zouden moeten gaan wonen geïntensiveerd. De moeder heeft er uiteindelijk mee ingestemd om de minderjarigen toch, zoals ook eerder afgesproken, een toekomst in Nederland te gunnen. In juli 2014 is zij met de minderjarigen naar Nederland gekomen om samen met de vader een geschikte woonruimte te vinden en in september 2014 heeft zij de minderjarigen door haar tante terug naar de vader laten brengen. Hieruit blijkt dat het verblijf van de minderjarigen in Liberia niet een dusdanige bestendigheid heeft gehad dat kan worden aangenomen dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen is gewijzigd naar Liberia. Van een afspraak tussen partijen dat de moeder de minderjarigen in juli 2015 opnieuw zou ophalen om zich met hen in Liberia te vestigen, is nooit sprake geweest.

Voor zover het hof van oordeel is dat sprake is van ongeoorloofde achterhouding in de zin van het HKOV, stelt de vader zich op het standpunt dat de minderjarigen bij terugkeer naar Liberia zullen terugkeren in een situatie waarin hun geestelijke en lichamelijke belangen worden geschaad omdat de Ebola-uitbraak in Afrika nog lang niet voorbij is, voor geheel Liberia een negatief reisadvies geldt, de moeder en de minderjarigen niet een redelijk luxe bestaan leiden zoals de rechtbank heeft overwogen en de moeder de geestelijke belangen van de minderjarigen schaadt door hen aan contact met de vader te onttrekken. Liberia is naar de mening van de vader een onstabiel en gevaarlijk land, de minderjarigen zullen fysiek (op het gebied van gezondheidszorg, voor wat betreft schoon drinkwater, eerste levensbehoeften en hun veiligheid) en geestelijk (voor wat betreft onderwijs en contact met hun vader) in hun belangen worden geschaad bij een gedwongen terugkeer naar Liberia. De moeder heeft de minderjarigen op dinsdag 29 september 2015 om 12:00 uur, tegen de afspraken in, van school opgehaald en sindsdien heeft de vader de minderjarigen niet meer gezien. De moeder heeft de minderjarigen door haar plotselinge actie niet de mogelijkheid gegeven om afscheid te nemen van de school, van hun vriendjes en vriendinnetjes en van de vader. Alle bovengenoemde omstandigheden in aanmerking genomen, is de vader van mening dat de minderjarigen in een ondraaglijke toestand zullen komen te verkeren indien zij moeten terugkeren naar Liberia. Voorts stelt de vader dat de minderjarige [minderjarige 1] tijdens het kinderverhoor bij de rechtbank duidelijk heeft gezegd dat zij in Nederland wil blijven, zoals in de bestreden beschikking te lezen is. [minderjarige 1] heeft ook de vader en haar leerkrachten op school eerder aangegeven in Nederland te willen blijven. Hoewel zij nog zeer jong is, acht de vader haar zeker in staat een mening te vormen over haar verblijfplaats, zeker gezien het feit dat de verschillen tussen Nederland en Liberia immens groot zijn en zij deze verschillen overduidelijk heeft meegekregen. Tenslotte is de vader van mening dat een teruggeleiding van de minderjarigen naar Liberia dient te worden geweigerd op grond van artikel 20 van het HKOV. Teruggeleiding van de minderjarigen is in strijd met de door Nederland aangenomen beginselen van het recht op een gezond bestaan, het recht op goed onderwijs en de mogelijkheid zich te ontwikkelen en het recht op een veilig bestaan. Ter zitting heeft de vader desgevraagd verklaard dat hij, ondanks het feit dat de minderjarigen weer in Liberia zijn, toch nog belang heeft bij zijn hoger beroep, voor in de toekomst in Liberia aan te spannen procedures.

5. De moeder verweert zich daartegen als volgt. Begin 2013 zijn partijen gescheiden gaan leven. De vader wilde op dat moment geen financiële bijdrage leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, zodat de moeder geen andere mogelijkheid zag dan uitvoering te geven aan de gezamenlijke plannen om te emigreren naar Liberia. De moeder betwist dat partijen in die tijd overleg voerden over tijdelijke woonruimte, een emigratie naar België en de terugkeer van de minderjarigen naar Europa. Partijen hadden reeds in juli 2013 in overleg besloten dat de moeder zou emigreren naar Afrika. De moeder heeft de keuze te emigreren naar Liberia kunnen maken omdat zij toen met het eenhoofdig gezag over de beide minderjarigen was belast, zodat zij bevoegd was hun gewone verblijfplaats te wijzigen. Op de leeftijd die de minderjarigen toen hadden, is het centrum van hun belangen en hun sociale leven grotendeels afhankelijk van het leven van de verzorgende ouder, in de onderhavige zaak de moeder. De stelling van de vader dat de minderjarigen in Liberia geen bestendig verblijf hebben, snijdt geen hout. De moeder verwijst daarbij nogmaals naar de feiten die door haar in eerste aanleg zijn aangevoerd op basis waarvan evident is dat de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Liberia hebben verkregen. Door de uitbraak van de Ebola-epidemie zijn de minderjarigen tijdelijk weer naar Nederland gekomen, omdat de scholen in Liberia in september 2014 gesloten bleven. De moeder benadrukt dat zij nimmer heeft gevreesd voor de veiligheid van de minderjarigen, maar zij wilde de schoolgang van de minderjarigen niet verstoren. Partijen hadden uitdrukkelijk afgesproken dat de kinderen weer terug zouden keren naar Liberia wanneer de Ebola-epidemie weer onder controle zou zijn. De minderjarigen verblijven sinds 17 oktober 2015 weer in Liberia. Zij gaan naar school en raken snel weer gewend aan hun oude en vertrouwde leven. De moeder stelt dat zij meerdere pogingen heeft gedaan om een afscheid op school en van de vader te bewerkstelligen maar dat de vader hieraan geen gehoor heeft gegeven. De moeder woont met de minderjarigen in een nette woning, met alle benodigde voorzieningen. Naast haar werk en schoolverplichtingen heeft de moeder veel familie en vrienden in Liberia. De minderjarigen zijn volledig opgenomen in de sociale omgeving en hebben veel vrienden en familie in Liberia. De moeder is voorts van mening dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het beroep van de vader op de weigeringsgronden ex artikel 13 lid 1 sub b HKOV faalt. De moeder verwijst in dit verband naar het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, waaruit duidelijk blijkt dat met betrekking tot [woonplaats] geen veiligheidsbeperkingen meer van kracht zijn. De moeder heeft een chauffeur, een bewaker en een oppas. Haar woning ligt op een compound en er wonen geen derden in deze woning. Ten aanzien van het door de vader gestelde verzet van de minderjarige [minderjarige 1] stelt de moeder het volgende. Zij betwist dat [minderjarige 1] een mate van rijpheid heeft bereikt waardoor met haar mening rekening moet worden gehouden. Daarnaast benadrukt de moeder met klem dat [minderjarige 1] voorafgaand aan de zitting aan de moeder heeft aangegeven dat zij van de vader moest verklaren dat zij in Nederland wilde blijven wonen. Ten slotte is de moeder van mening dat er geen enkel risico bestaat dat de minderjarigen geen gebruik kunnen maken van goede gezondheidszorg. Haar werkgever heeft de minderjarigen verzekerd en er zijn in de directe omgeving van de woning van de moeder diverse ziekenhuizen. De overige voorzieningen bij de moeder zijn eveneens goed. Zij beschikt over elektriciteit en schoon drinkwater. De minderjarigen gaan naar een goede school en kunnen zich daar optimaal ontwikkelen. Algemene opmerkingen over het verschil in kwaliteit tussen het onderwijs in Nederland en in Liberia maken nog niet dat sprake is van schending van het door de vader aangehaalde beginsel. De vader heeft geheel nagelaten te onderbouwen waarom geen sprake zou zijn van een veilig bestaan. De moeder heeft naar haar mening voldoende duidelijk gesteld en onderbouwd dat de minderjarigen opgroeien in redelijke luxe en dat hun veiligheid nimmer in het gedrang is geweest of zal komen. Ter zitting is namens de moeder desgevraagd verklaard dat de vader, gelet op het feit dat de minderjarigen weer in Liberia zijn, geen belang meer heeft bij het hoger beroep.

6. In incidenteel appel stelt de moeder dat zij diverse noodzakelijke kosten heeft moeten maken als gevolg van het feit dat de vader de minderjarigen ongeoorloofd heeft achtergehouden. De moeder verzoekt daarom de bestreden beschikking op dit punt te vernietigen en opnieuw beschikkende de vader te verplichten de door de moeder gemaakte kosten aan haar te vergoeden.

7. De vader heeft ter zitting verklaard dat de moeder de door haar gestelde kosten niet dan wel onvoldoende heeft onderbouwd. Daarnaast zijn de door haar gestelde advocaatkosten buitenproportioneel hoog en deels voor andere procedures gemaakt. De kosten voor de tickets voor de minderjarigen waren reeds bestaande kosten. De overige door de moeder opgevoerde kosten dienen naar de mening van de vader voor haar rekening te komen omdat ze voortvloeien uit door de moeder gemaakte keuzes, dan wel omdat ze te hoog zijn.

8. Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft naar het oordeel van het hof op juiste gronden geoordeeld zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt ze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een ander oordeel leiden. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat artikel 3 lid 1 onder a van het HKOV ook van toepassing is indien sprake is van gezamenlijk gezag over de minderjarigen, zoals thans het geval is, toegekend bij beschikking van 6 oktober 2015 van de rechtbank Den Haag. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen ten tijde van de achterhouding van de minderjarigen in Nederland in Liberia was gelegen. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank vervolgens terecht op grond van artikel 12 van het HKOV geoordeeld zoals zij heeft gedaan. Ter zitting in hoger beroep heeft advocaat van de moeder nog diverse bescheiden overgelegd ter weerlegging van de stelling van de man dat er een ernstig risico bestaat dat de minderjarigen door hun terugkeer naar Liberia worden blootgesteld aan lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand worden gebracht. Dit geldt te meer nu de vader ter zitting enkel stellingen heeft geponeerd zonder daarvan nader bewijs bij te brengen. Voor het overige sluit het hof zich aan bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen ter zake artikel 13 lid 1 sub b en lid 2 van het HKOV.

Proceskosten

9. In haar incidenteel appel verzoekt de moeder de vader te veroordelen in de kosten die door haar noodzakelijkerwijs zijn gemaakt in verband met de ongeoorloofde achterhouding van de minderjarigen, zoals de advocatenkosten en de kosten voor vliegtickets teneinde de zittingen bij te wonen en de minderjarigen terug naar Liberia te brengen. De vader bestrijdt dit verzoek.

10. Het hof stelt voorop dat tussen partijen vaststaat dat de minderjarigen op grond van een afspraak tussen partijen in Nederland verbleven, als gevolg waarvan de kosten voor de tickets voor de minderjarigen om terug te keren naar Liberia gemaakt hadden moeten worden, ongeacht de ongeoorloofde achterhouding. Voorts overweegt het hof dat het, nu de moeder de uitspraak in hoger beroep van de door haar zelf geëntameerde procedure niet heeft afgewacht en de schorsende werking van de procedure in hoger beroep niet heeft gerespecteerd, maar de minderjarigen al heeft meegenomen naar Liberia, aanleiding ziet om niet af te wijken van de hoofdregel in familierechtelijke zaken om de proceskosten te compenseren.

11. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H.N. Stollenwerck, I. Obbink-Reijngoud en C.M. Warnaar bijgestaan door mr. M.M. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 november 2015.