Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3636

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
200.168.892
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding ex-echtgenoten. Vordering tot medewerking aan de verkoop van gemeenschappelijk woning in kort geding alsnog afgewezen nu in hoger beroep binnenkort beslissing in de bodemzaak te verwachten valt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.168.892

Zaaknummer rechtbank : C/09/482269/ KG ZA 15/143

arrest van 24 november 2015 (bij vervroeging)

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J. Dongelmans te [plaatsnaam] ,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. W.P.G.M. Schellens-Stoks te Nijmegen.

Het geding

Bij exploot van 16 april 2015 is de vrouw in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 20 maart 2015 tussen partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

De vrouw heeft in haar exploot een grief tegen het bestreden vonnis geformuleerd.

Bij memorie van antwoord van 7 juli 2015 heeft de man de grief gemotiveerd weersproken.

Ter rolzitting van 2 oktober 2015 heeft de vrouw een akte overlegging producties genomen.

Voorafgaande aan het pleidooi heeft de vrouw nog een akte genomen en nog een productie in het geding gebracht.

Ter zitting van 6 november 2015 is de zaak bepleit door de advocaat van de vrouw en door de advocaat van de man. Door beide advocaten is gepleit conform hun pleitnota.

Ter zitting is door partijen arrest gevraagd op basis van de stukken die voor het pleidooi in het geding zijn gebracht.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht gaat het hof uit van de feiten zoals deze door de voorzieningenrechter zijn vastgesteld in het bestreden vonnis.

2. De vrouw vordert:

Dat het het hof moge behage:

Het vonnis op 20 maart 2015 door de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag, tussen de partijen gewezen te vernietigen:

En opnieuw rechtdoende:

De vordering van de man betreffende de verkoop van de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] af te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hoger beroep.

Verkoop woning

3. De vrouw is het niet eens met de beslissing van de voorzieningenrechter dat zij haar medewerking moet verlenen aan de verkoop van de woning te [plaatsnaam] aan de [adres] .

4. Door de vrouw is onder meer het volgende aangevoerd:

  • -

    De vrouw heeft op de zitting van 5 maart in paniek en onderdruk van de omstandigheden ingestemd met de verkoop van de woning.

  • -

    Zij heeft geen andere huisvesting en heeft op dit moment ook geen financiële middelen daarvoor, nu de man niet alleen niet voldoet aan de veroordeling in conventie, maar ook de alimentaties niet tijdig en volledig betaalt.

  • -

    De vrouw heeft in de thans door haar bewoonde voormalige echtelijke woning ook haar fotostudio.

  • -

    De eindbeschikking inzake de woning is te verwachten op 25 november 2015.

5. Door de man is verweer gevoerd. Door de man is onder meer het volgende aangevoerd:

  • -

    Ook in dit hoger beroep is volgens de man het uitgangspunt dat de uitspraak in een bodemzaak leidend is en dat een voorzieningenrechter daarop niet mag vooruitlopen. De man verwijst hiervoor ook nog naar HR 24 april 2015 ECLI:NL:HR:2015:1128 waarin de zogenaamde afstemmingsregel is herhaald. Een voorzieningenrechter moet de bodemrechter volgen tenzij sprake is van een misslag in de bodemuitspraak of vrijwel zeker is dat de bodemrechter gelijkluidend zal beslissen als de voorzieningenrechter.

  • -

    De man stelt zich op het standpunt dat het hof in de bodemprocedure moet beslissen over de toedeling dan wel de verkoop van de woning.

  • -

    De argumenten die de vrouw ter onderbouwing van haar grief aanvoert zijn niet valide.

  • -

    De man is en blijft bereid mee te werken aan toedeling van de woning aan de vrouw mits op aanvaardbare condities.

  • -

    Als het hof het standpunt van de man volgt en de partneralimentatie op nihil stelt dan wel op een substantieel lager bedrag dan de huidige bedrag van € 2.070,- per maand, staat het voor de man vast dat de vrouw financieel niet in staat is om de woning toegedeeld te krijgen en dan is verkoop van de woning de enige overgebleven optie.

Vechtscheiding

6. Het hof overweegt als volgt. Gezien de vele procedures die partijen met elkaar voeren is er duidelijk sprake van een vechtscheiding waarbij partijen niet in staat zijn om te komen tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing. Een consequentie van deze opstelling kan zijn dat aan het einde van alle procedures geen van partijen meer over enig vermogen beschikt en de familiebanden voorgoed zijn verstoord. Partijen en hun advocaten doen er verstandig aan om te gaan denken in oplossingen aangezien door de talloze procedures de financiële positie van partijen er niet beter op wordt.

Afstemmingsregel

7. De stelling van de man dat de voorzieningenrechter in beginsel op basis van de afstemmingsregel de bodemrechter dient te volgen is juist. Slechts onder uitzonderlijke omstandigheden kan de voorzieningenrechter hiervan afwijken. Te denken valt aan een kennelijke misslag van de bodemrechter of het feit dat er na de beslissing van de bodemrechter zich nieuwe feiten hebben voorgedaan die een volledig ander licht op de zaak doen schijnen.

8. Naar het oordeel van het hof hinkt de man op twee gedachtes, enerzijds wenst hij dat de woning wordt verkocht, anderzijds heeft hij er geen bezwaar tegen dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld mits dit geschiedt op aanvaardbare condities.

9. Het is het hof bekend dat tijdens de mondelinge behandeling op 4 september 2015 – twee van de raadsheren waren bij deze behandeling aanwezig evenals partijen en hun advocaten – de man ermee akkoord is gegaan dat de woning voor een bedrag € 275.000,- aan de vrouw wordt toegedeeld mits zij dit bedrag gefinancierd kan krijgen.

10. Gezien het belang dat de vrouw heeft bij toedeling van de woning en het feit dat de man geen bezwaar heeft tegen de toedeling is het hof van oordeel dat in dit specifieke geval niet van de vrouw kan worden verlangd dat zij nu al meewerkt aan de verkoop van de voormalige echtelijke woning. In redelijkheid mag van de man worden verwacht dat eerst de beslissing in de bodemzaak bij het hof wordt afgewacht.

11. Het hof zal derhalve het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigen met betrekking tot de beslissing dat de vrouw haar medewerking moet verlenen tot verkoop van de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] .

Proceskosten

12. Gezien het feit dat er sprake is van ex-echtgenoten acht het hof het redelijk en billijk om de proceskosten in hoger beroep tussen partijen te compenseren.

Beslissing

Het Hof:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter van 20 maart 2015 van de rechtbank Den Haag tussen de partijen gewezen voor zover de voorzieningenrechter daarbij de vrouw heeft bevolen om haar medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van de man met betrekking tot het bevel tot medewerking van de vrouw tot verkoop van de hiervoor vermelde woning alsnog af;

compenseert de proceskosten in hoger beroep en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.E. Sutorius-van Hees, A.N. Labohm en L.N.A. van Veen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 november 2015 in aanwezigheid van de griffier.

Bij afwezigheid van de voorzitter is dit arrest ondertekend door de oudste raadsheer.