Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3565

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-12-2015
Datum publicatie
29-12-2015
Zaaknummer
200.133.438-01T2
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2015:342
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgverzekeringswet. vergoeding van een geneesmiddel (infliximab), dat voorkomt in Bijlage 2 bij artikel 2.5 van de Regeling Zorgverzekering. Bewijslevering door de zorgverzekeraar

Wetsverwijzingen
Regeling zorgverzekering
Regeling zorgverzekering 2.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2015-0532
JGR 2016/4 met annotatie van Meersma
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

zaaknummer : 200.133.438/01

zaaknummer rechtbank : C/09/411860 / HA ZA 12-138

arrest van 29 december 2015

inzake

1 Apotheek Ridderveld B.V.,

gevestigd te Alphen aan den Rijn,

2. Sprint Holding B.V.,

gevestigd te Alphen aan den Rijn,

3. White Dolphin Farma B.V.,

gevestigd te Abcoude,

appellanten,

hierna gezamenlijk te noemen: Apotheek Ridderveld c.s., en ieder afzonderlijk: Apotheek Ridderveld, Sprint, respectievelijk White Dolphin,

advocaat: mr. N.U.N. Kien te Rotterdam,

tegen

1 Zilveren Kruis Achmea Zorgverzekeringen N.V.,

gevestigd te Utrecht,

2. O.Z.F. Achmea Zorgverzekeringen N.V.,

gevestigd te Utrecht,

3. Interpolis Zorgverzekeringen N.V.,

gevestigd te Utrecht,

4. FBTO Zorgverzekeringen N.V.,

gevestigd te Utrecht,

5. Agis Zorgverzekeringen N.V.,

gevestigd te Amersfoort,

6. Avéro Achmea Zorgverzekeringen N.V.,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerden,

hierna te noemen: Achmea,

advocaat: mr. T.R.M. van Helmond te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1

Het hof heeft in deze zaak op 3 maart 2015 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot aan die datum verwijst het hof naar dat arrest.

1.2

Achmea heeft vervolgens een akte houdende overlegging getuigenverklaring tevens houdende beantwoording vragen genomen. Zij heeft daarbij producties overgelegd.

1.3

Hierop hebben Apotheek Ridderveld c.s. een akte houdende beantwoording vragen tevens akte houdende antwoord op nadere akte Achmea genomen. Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht.

1.4

Achmea heeft geantwoord met een akte houdende antwoord Achmea op nadere akte Apotheek Ridderveld.

1.5

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Beoordeling van het hoger beroep

2.1

In het tussenarrest heeft het hof onder meer het volgende geoordeeld.

  1. Het ligt op de weg van Achmea om haar stelling te bewijzen dat de artsenverklaring en de apothekersinstructie voor het verstrekken van infliximab bij de aandoening hidradenitis suppurativa slechts een administratieve weerslag vormen van het rapport van de Commissie Farmaceutische Hulp (CFH) en dat (dus) in de jaren 2008-2010 slechts van therapieresistente hidradenitis suppurativa kon worden gesproken indien naast behandeling met een antibioticum, ook een systemische immunosuppressieve therapie is toegepast. Het hof heeft Achmea in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de wijze waarop zij het bewijs wenst te leveren. (rov. 3.15)

  2. Vast staat dat de verzekerde met polisnummer (…)024 op grond van de toepasselijke regelgeving geen aanspraak kon maken op vergoeding van de aan hem verstrekte infliximab. Partijen wordt verzocht het hof nader te informeren welk bedrag ten onrechte is gedeclareerd voor de verstrekking van infliximab aan deze verzekerde. (rov. 3.16)

  3. Vast staat dat aan de verzekerde met polisnummer (…)752 op grond van de toepasselijke regelgeving geen aanspraak kon maken op vergoeding van de aan hem verstrekte infliximab. Partijen wordt verzocht het hof nader te informeren welk bedrag is gedeclareerd voor de verstrekking van infliximab aan deze verzekerde. (rov. 3.23)

  4. Apotheek Ridderveld c.s. zijn in de gelegenheid gesteld nader te specificeren in hoeverre hun vordering ziet op declaraties voor infliximab voor verzekerden met ernstige therapieresistente hidradenitis suppurativa, die (in strijd met de artsenverklaring en de apothekersinstructie) slechts behandeld zijn met (ten minste) één antibioticum. Achmea zal hierop bij antwoordakte mogen reageren.

  5. Ten aanzien van 38 Achmea-verzekerden (die vóór 1 januari 2010 in behandeling genomen door White Dolphin) is het niet duidelijk of ook de infusies vóór 1 januari 2010 zijn gestart. Het hof heeft White Dolphin in de gelegenheid gesteld de relevante patiëntgegevens van deze 38 patiënten over te leggen, onder vermelding wanneer deze patiënt in behandeling is genomen, wanneer de eerste infusie heeft plaatsgevonden en voor welk bedrag er (per patiënt) is gedeclareerd.

2.2

Het hof zal eerst ingaan op de vraag in hoeverre is komen vast te staan dat de artsenverklaring en de apothekersinstructie slechts een administratieve weerslag vormen van het rapport van de CFH zodat in de jaren 2008-2010 slechts van therapieresistente hidradenitis suppurativa kon worden gesproken indien naast behandeling met een antibioticum, ook een systemische immunosuppressieve therapie is toegepast. Achmea heeft een brief van 9 april 2015 overgelegd afkomstig van de heer dr. [naam] (hierna: [de secretaris]), secretaris van de Wetenschappelijke Adviesraad van het Zorginstituut Nederland en gericht aan de advocaat van Achmea. De Wetenschappelijke Adviesraad is de opvolger van de CFH. [de secretaris] was in 2008 secretaris van de CFH en in die hoedanigheid persoonlijk betrokken bij de totstandkoming van het CFH-rapport van 25 februari 2008 waar hierom gaat. Volgens Achmea is met deze brief het hof vereiste bewijs geleverd. [de secretaris] schrijft in zijn brief voor zover relevant het volgende:

In uw e-mail van 6 maart jl. verzoekt u om een nadere toelichting op de betekenis die het Zorginstituut geeft aan de term “therapieresistent”. (…)

Naar mijn oordeel blijkt uit het CFH rapport dat het verstrekken van infliximab enkel tot de stand van de wetenschap en de praktijk behoort en enkel als rationele farmacotherapie kan worden beschouwd indien een patiënt gebleken therapieresistent is gebleken voor in ieder geval behandeling met ten minste één antibioticum en ten minste één immunosuppressivum. De reden hiervoor heeft te maken met het volgende. Het ging in dit geval over de beoordeling van een geneesmiddel voor een indicatie waarvoor het niet was geregistreerd (een zogenaamde off-label indicatie). Dat betekent dat voor zover er al informatie is over de toepassing bij die indicatie, deze veelal fragmentarisch is. Onder die omstandigheden ligt het voor de hand om te eisen dat het beschikbare arsenaal, waarover artsen beschikken, moet zijn uitgeput voordat men ertoe overgaat een niet geregistreerd en ook matig onderzocht geneesmiddel ten laste van de Zorgverzekeringswet voor te schrijven.

Daarbij doet het niet ter zake of de gebruikelijk toegepaste middelen al dan niet bewezen werkzaam zijn in deze specifieke indicatie. Het feit dat zij behoren tot de gebruikelijke therapie (en er dus ervaring mee bestaat) betekent dat het in het belang van de patiënt is dat niet goed onderzochte middelen waarmee weinig ervaring bestaat niet off-label worden toegepast zonder dat gangbare alternatieven zijn geprobeerd.

In het geval van hidradenitis suppurativa betekent dit, dat het redelijk is te verlangen dat zowel een antibioticum als een immunomodulerend middel zijn onderzocht voordat de stap naar infliximab wordt gezet.

Dit is dan ook wat de CFH in zijn rapport d.d. 25 februari 2008 tot uitdrukking heeft willen brengen: uit de stand van de wetenschap en de praktijk vloeit voort dat verstrekking van infliximab slechts dan tot de rationele farmacotherapie behoort wanneer de patiënt gebleken therapieresistent is gebleken en dus is behandeld met ten minste één antibioticum en ten minste één immunosuppressivum.

Daarom geeft het rapport van de CFH geen aanknopingspunten voor de conclusie dat infliximab bij hidradenitis suppurativa ook tot de rationele farmacotherapie zou behoren indien de patiënt alleen met een antibioticum (en dus niet met een immunosuppressivum) is behandeld (en dus niet gebleken therapieresistent is).

2.3

Apotheek Ridderveld c.s. hebben betwist dat [de secretaris] op het punt waar het hier om gaat, deskundig is. Volgens hen heeft [de secretaris] geen inhoudelijke bemoeienis gehad met de totstandkoming van het CFH-rapport omdat hij slechts als secretaris optrad. Zij betwisten dat het, zoals [de secretaris] schrijft, noodzakelijk zou zijn dat alle alternatieven zijn geprobeerd, alvorens infliximab voor te schrijven. De vraag welke alternatieven moeten zijn toegepast hangt van de omstandigheden af, zoals de verschillende ziektestadia en eventuele opvlammingen. Terzake deskundige dermatologen zijn van mening dat behandeling met een immunosuppressivum niet in alle gevallen van ernstige hidradenitis suppurativa zinvol is, aldus Apotheek Ridderveld c.s.

2.4

Het hof overweegt als volgt. Achmea is, zoals gezegd, van mening dat zij met de brief van [de secretaris] het bewijs heeft geleverd dat de artsenverklaring en de apothekersinstructie een correcte administratieve weerslag vormen van het rapport van de CFH. [de secretaris], van wie niet duidelijk is of hij een bijzondere deskundigheid heeft ter zake van hidradenitis suppurativa, stelt in zijn brief dat het redelijk is te verlangen dat zowel een antibioticum als een immunomodulerend middel zijn onderzocht voordat de stap naar infliximab wordt gezet omdat dit uit de stand van de wetenschap zou volgen en dat het CFH-rapport die visie tot uitdrukking heeft willen brengen. [de secretaris] gaat echter geheel voorbij aan het dilemma dat in overweging in rov. 3.14 van het tussenarrest wordt geschetst, te weten dat het voor het hof niet duidelijk is of de CFH bedoelt dat een systemische immunosuppressieve therapie (zoals de artsenverklaring en de apothekersverklaring vereisen) altijd is aangewezen wanneer sprake is van (een ernstige vorm van) hidradenitis suppurativa, omdat – in het licht van de NVDV-richtlijn uit 2010 en de brief van dr. Mekkes van 28 september 2009 – denkbaar is dat wordt bedoeld dat immunosuppressieve therapie slechts in bepaalde gevallen van (ernstige) hidradenitis suppurativa een geschikte behandeling vormt. De brief van [de secretaris] levert dan ook onvoldoende bewijs op. Nu Achmea geen nader bewijs heeft aangeboden, leidt een en ander ertoe dat het hof van oordeel is dat Achmea gehouden was tot vergoeding van de kosten voor infliximab die zijn gemaakt voor patiënten met hidradenitis suppurativa die – vooraf gaand aan de behandeling met infliximab – zijn behandeld met ten minste één antibioticum, maar niet met één immunosuppressivum. Voor zover Achmea terugbetaling van die kosten vordert, dient haar vordering te worden afgewezen.

2.5

Ter zake van de vraag welk bedrag door Apotheek Ridderveld is gedeclareerd voor de verstrekking van infliximab aan de verzekerde met polisnummer (…)024, heeft Achmea toegelicht dat het gaat om een bedrag van € 10.579,56. Apotheek Ridderveld c.s. hebben dit bedrag bevestigd. Apotheek Ridderveld c.s. hebben in hun akte evenwel nog aangevoerd dat de desbetreffende verzekerde wel degelijk is behandeld met een oraal antibioticum en dat dit ook uit de (eerder overgelegde) stukken blijkt.

2.6

Naar het hof begrijpt, verzoeken Apotheek Ridderveld c.s. aldus of het hof wil terugkomen op een bindende eindbeslissing. Het hof overweegt hierover als volgt. In eerste aanleg hebben Apotheek Ridderveld c.s. gemotiveerd toegelicht dat de verzekerde met polisnummer (…)024 is behandeld met een antibioticum (nr. 123 van de conclusie van antwoord, productie 35). In een door Achmea opgesteld overzicht (memorie van antwoord onder nr. 21) wordt evenwel vermeld dat deze verzekerde niet is behandeld met een antibioticum. Tijdens het pleidooi in hoger beroep hebben Apotheek Ridderveld c.s. op vragen van het hof medegedeeld dat dit juist was. Naar het hof nu begrijpt, berustte deze mededeling op een vergissing, aangezien uit productie 35 bij conclusie van antwoord / productie 52 bij akte van 26 mei 2015 volgt dat de verzekerde met polisnummer (…)024 wél is behandeld met een antibioticum. Voorshands is het hof van oordeel dat de beslissing om Apotheek Ridderveld en Sprint te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag dat voor deze verzekerde is gedeclareerd (€ 10.579,56) op een onjuiste feitelijke grondslag berust en dat er, mede gelet op het procesverloop in eerste aanleg, voldoende aanleiding is op deze beslissing terug te komen. Het hof zal Achmea evenwel in de gelegenheid stellen zich hierover uit te laten.

2.7

Wat betreft de vraag welk bedrag door Apotheek Ridderveld is gedeclareerd voor de verstrekking van infliximab aan de verzekerde met polisnummer (…)752, geldt het volgende.

Achmea heeft toegelicht dat voor deze verzekerde een bedrag van € 49.843,46 is gedeclareerd. Ook dit bedrag is door Apotheek Ridderveld c.s. bevestigd.

2.8

Uit rov. 2.5 tot en met 2.7 volgt dat Apotheek Ridderveld in totaal een bedrag van € 49.843,46 dan wel € 60.423,02 ten onrechte heeft gedeclareerd. Apotheek Ridderveld en Sprint zijn gehouden het ten onrechte gedeclareerde bedrag terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2011. In rov. 6.2 van het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat Achmea geen terugbetaling van White Dolphin kan verlangen.

2.9

Apotheek Ridderveld c.s. zijn in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen te verschaffen over hun reconventionele vordering tot betaling van € 82.679,36 ter zake van declaraties in de maanden mei en juni 2011 (zie hiervoor nrs. 2.1 onder D en E). Uit de rechtsoverwegingen 8.3 tot en met 8.7 van het tussenarrest van 3 maart 2015 volgt dat het hof van oordeel is dat Apotheek Ridderveld c.s. deze vordering onvoldoende hebben onderbouwd, met dien verstande dat – mede gelet op de uitkomst van het geschil in conventie – de vordering toewijsbaar zou kunnen zijn voor zover deze ziet op:

  • -

    declaraties (in mei/juni 2011) voor de toediening van infliximab aan verzekerden met hidradenitis suppurativa en die voorafgaand aan de behandeling met infliximab zijn behandeld met ten minste één antibioticum (maar niet met een immunosuppressivum);

  • -

    declaraties (in mei/juni 2011) voor de toediening infliximab aan verzekerden die in behandeling zijn genomen vóór 1 januari 2010 (en die overigens aan de vereisten voor vergoeding voldoen).

2.10

Uit de door Apotheek Ridderveld c.s. bij akte overgelegde stukken blijkt niet in hoeverre de declaraties in mei/juni 2011 zien op infliximab voor verzekerden met hidradenitis suppurativa en die voorafgaand aan de behandeling met infliximab zijn behandeld met ten minste één antibioticum. Met andere woorden: het hof kan uit deze stukken niet (direct) opmaken of Achmea de declaraties uit mei/juni 2011 heeft afgekeurd enkel omdat niet was voldaan aan de (onterechte) voorwaarde dat de verzekerde ook was behandeld met een immunosuppressivum. Van Apotheek Ridderveld mocht worden verwacht dat zij, gezien het geen in het tussenarrest is overwogen, in de door haar na dat tussenarrest genomen stukken op dit punt een toelichting gaf.

2.11

Achmea heeft in haar antwoordakte toegelicht dat in de vordering van Apotheek Ridderveld c.s. slechts twee verzekerden zijn inbegrepen waarvoor geldt dat zij weliswaar verschillende malen zijn behandeld met antibioticum, maar niet met een systemisch immunosuppressivum. Het gaat dan om declaraties voor de verzekerden met polisnummer (…)161 en polisnummer (…)596.

 Apotheek Ridderveld c.s. betogen dat Achmea de declaratie voor de verzekerde met polisnummer (…)596 ten onrechte niet heeft voldaan. Het gaat – naar het hof begrijpt – om een bedrag van € 2.039,09. Volgens Achmea komt deze declaratie niet voor vergoeding in aanmerking omdat het Clearing House Apothekers B.V. (hierna: CHA) deze heeft afgekeurd (vgl. nrs. 257/258 memorie van antwoord, nr. 11 antwoordakte Achmea). Nu in de door Apotheek Ridderveld c.s. overgelegde stukken een adequate toelichting ontbreekt dat de declaratie voor deze verzekerde wél door CHA is goedgekeurd, zal de vordering van Apotheek Ridderveld voor zover deze ziet op deze verzekerde, niet worden toegewezen. Partijen zijn het er immers over eens dat declaraties die niet door CHA zijn goedgekeurd door Achmea (in beginsel) niet behoeven te worden vergoed.

 Voor de verzekerde met polisnummer (…)161 heeft Apotheek Ridderveld in de maanden mei/juni 2011 een bedrag van € 6.470,44 gedeclareerd, welke declaratie – naar het hof begrijpt uit de tabel die door Achmea is gepresenteerd – wel door CHA is goedgekeurd. Deze declaratie is door Achmea niet vergoed omdat deze verzekerde te laat in behandeling is genomen. Hieronder zal aan de orde komen in hoeverre deze grond voor niet-betaling steekhoudend is.

2.12

Tussen partijen is voorts in geschil de uitleg van de afspraak dat declaraties voor infliximab slechts zouden worden vergoed voor patiënten die voor 1 januari 2010 in behandeling zijn genomen. Om beter inzichtelijk te maken waarom het hier gaat, hebben Apotheek Ridderveld c.s. een schema opgesteld van 37 Achmea-verzekerden (de 38ste verzekerde is uiteindelijk niet door White Dolphin behandeld) die volgens haar vóór 1 januari 2010 in behandeling genomen door White Dolphin. Uit dit schema volgt dat er in dit verband slechts drie verzekerden relevant zijn. Het gaat dan om de verzekerden waarbij de aanvraag is gedaan voor 1 januari 2010, maar de eerste infusie heeft plaatsgevonden na die datum. Dat zijn:

  • -

    de hiervoor reeds genoemde verzekerde met polisnummer (…)161, die voor hidradenitis suppurativa werd behandeld; de behandelend arts heeft op 5 augustus 2009 een aanvraagformulier aan White Dolphin verzonden en de verzekerde heeft op 28 januari 2010 de eerste infusie met infliximab gekregen;

  • -

    de verzekerde met de polisnummer (…)996, die voor sarcoïdose werd behandeld; de behandelend arts heeft op 15 december 2009 een aanvraagformulier aan White Dolphin verzonden en de verzekerde heeft op 22 januari 2010 de eerste infusie met infliximab gekregen; voor de behandeling is een bedrag van € 3.398,73 gedeclareerd;

  • -

    de verzekerde met de polisnummer (…)074, die voor sarcoïdose werd behandeld, de behandelend arts heeft op 18 november 2009 een aanvraagformulier aan White Dolphin verzonden en de verzekerde heeft op 22 januari 2010 de eerste infusie met infliximab gekregen; voor de behandeling is een bedrag van € 10.090,17 gedeclareerd.

2.13

In hun nadere akte betogen Apotheek Ridderveld c.s. dat voor hen doorslaggevend is of de behandeld arts het aanvraagformulier voor doorverwijzing vóór 1 januari 2010 naar White Dolphin heeft opgestuurd. Apotheek Ridderveld c.s. lichten voorts toe dat uit het door hen opgestelde schema (met 37 patiënten) blijkt dat in sommige gevallen de eerste infusie enkele dagen na de doorverwijzing plaatsvond, maar in andere gevallen pas na enkele weken (soms maanden). Volgens Apotheek Ridderveld c.s. is dit te verklaren doordat het voorkwam dat patiënten niet altijd in de juiste conditie verkeerden om een infusie te ontvangen, bijvoorbeeld als gevolg van ziekte, of omdat de medicatie- en patiëntgegevens nader dienden te worden gecontroleerd. Ook kwam het voor dat de behandeling niet direct kon worden ingepland als gevolg van drukte op de kliniek of vanwege de agenda van de patiënt zelf.

2.14

Achmea voert in haar antwoordakte het volgende aan. White Dolphin sloot een afzonderlijke geneeskundige behandelingsovereenkomst met de aan haar doorverwezen patiënten; pas na het sluiten van deze overeenkomst kon worden gezegd dat de patiënt bij White Dolphin in behandeling was. De geneeskundige behandelingsovereenkomst kwam, aldus Achmea, pas tot stand komen op het moment dat een patiënt in een kliniek van White Dolphin een infusie met infliximab ontving. In ieder geval moet er wilsovereenstemming bestaan tussen de patiënt en White Dolphin en daarvoor is noodzakelijk dat een medewerker van White Dolphin de desbetreffende patiënt in persoon heeft ontmoet, er wilsovereenstemming bestaat over de zorgvraag en er een behandelplan is opgesteld, dat (ook) door de patiënt is goedgekeurd.

2.15

Het hof overweegt als volgt. Bij de uitleg van de tussen partijen op dit punt gemaakte afspraak komt het aan op de zin die partijen daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen. Partijen zijn het erover eens dat er slechts recht op vergoeding bestaat wanneer een patiënt vóór 1 januari 2010 bij White Dolphin in behandeling is genomen. Met Achmea is het hof van oordeel dat White Dolphin heeft moeten begrijpen dat een patiënt pas door haar in behandeling werd genomen op het moment dat er sprake is van een geneeskundige behandelingsovereenkomst tussen White Dolphin en de desbetreffende patiënt. Echter, anders dan Achmea stelt, is voor de totstandkoming van een (behandelings)overeenkomst niet noodzakelijk dat er een persoonlijke ontmoeting plaatsvindt tussen een medewerker van White Dolphin en de desbetreffende patiënt. Achmea heeft voorts niet voldoende toegelicht waarom de geneeskundige behandelingsovereenkomst pas tot stand zou kunnen komen ten tijde van de eerste behandeling met infliximab.

2.16

Voor de totstandkoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst is vereist dat er wilsovereenstemming tussen de desbetreffende patiënt en White Dolphin bestond. Over het moment waarop deze wilsovereenstemming tot stand kwam overweegt het hof als volgt. De verzekerden waar het hier om gaat, waren reeds enige tijd bij een arts in behandeling voor sarcoïdose of hidradenitis suppurativa. Vanwege de ernst van de aandoening achtte de behandelend arts het noodzakelijk dat de verzekerde met infliximab zou worden behandeld. In de aanvraagformulieren is daarover het volgende opgenomen:

De patiënt is door mij geïnformeerd over het toedienen van de infusie via White Dolphin Farma en het in dit kader verstrekken van diens persoonsgegevens. De patiënt heeft hiervoor mondelinge toestemming gegeven.

De formulieren bevatten voorts de relevante gegevens van de patiënt, alsmede informatie over het “recept”, dat wil zeggen over de dosering, de (gewenste) start van de behandeling en de onderhoudsfrequentie. Hieruit volgt dat de patiënt door de behandelend arts op de hoogte werd gebracht van de aard van de behandeling bij White Dolphin en – naar mag worden aangenomen – daarmee instemde. Gelet op de werkwijze die tussen de behandelend artsen en White Dolphin bestond, kan voorts worden aangenomen dat de behandelingsovereenkomst tussen de patiënt en White Dolphin in beginsel tot stand kwam met de ontvangst van het aanvraagformulier door White Dolphin. Het vorenstaande brengt mee dat het hof de stelling van Achmea verwerpt dat een verzekerde pas op de datum van de eerste infusie door White Dolphin in behandeling werd genomen. Aangenomen moet worden dat de verzekerden met de polisnummers (…)161, (…)996 en (…)074 door White Dolphin in behandeling genomen zijn direct na de ontvangst van het aanvraagformulier, dus voor 1 januari 2010. Achmea is derhalve gehouden de declaraties voor deze patiënten te vergoeden. Dat komt neer op een bedrag van € 19.959,34. In zoverre komt de vordering van Apotheek Ridderveld c.s. voor toewijzing in aanmerking.

3 Slotsom

3.1

Het hof zal Achmea in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over het voornemen van het hof terug te komen op een bindende eindbeslissing als bedoeld in rov. 2.6.

3.2

Het vorenstaande neemt niet weg dat uit de beide tussenarresten volgt dat het hof het bestreden vonnis zal gaan vernietigen. Nu Apotheek Ridderveld c.s. onbestreden hebben gesteld dat zij uit hoofde van dit vonnis een bedrag van € 261.501,29 aan Achmea hebben voldaan, zal Achmea in het eindarrest worden veroordeeld dit bedrag terug te betalen. Apotheek Ridderveld en Sprint zullen in conventie worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 49.843,46 dan wel € 60.423,02, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

3.3

In reconventie is het hof voornemens Achmea te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 19.959,34 aan Apotheek Ridderveld c.s., te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 december 2011, zoals gevorderd.

3.4

Nu partijen, in conventie en in reconventie, over en weer in het ongelijk zijn gesteld, is het hof voorts voornemens de proceskosten te compenseren, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

  • -

    verwijst de zaak naar de rol van 26 januari 2016 voor het nemen van een akte aan de zijde van Achmea met het doel zoals vermeld in rechtsoverweging 2.6 van dit arrest;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, D.A. Schreuder en E.D.G. Kiersch en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 december 2015 in aanwezigheid van de griffier.