Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3564

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
17-12-2015
Zaaknummer
200.176.033/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Het hof verwerpt het verzoek van de man tot schorsing van een eerdere beschikking waarin de kinderalimentatie is vastgesteld, waarvan hij wijziging heeft verzocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0366
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 9 december 2015

Zaaknummer : 200.176.033/02

Rekestnummer rechtbank : FA RK 08-689

Zaaknummer rechtbank : 303609

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.N.R. Nasrullah te Rotterdam,

tegen

1. [geintimeerde 1] ,

hierna te noemen: de vrouw, en

2. [geintimeerde 2] ,

hierna te noemen: de jongmeerderjarige,

beide wonende te [woonplaats] ,

verweersters in hoger beroep,

hierna gezamenlijk te noemen: de verweerders,

advocaat mr. V. Vos te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 1 september 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 13 juli 2015 van de rechtbank Rotterdam. Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.176.033/01. Bij dat beroep heeft de man tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de beschikking van 28 mei 2009 van de rechtbank Rotterdam ingediend. Dit schorsingsverzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.176.033/02.

De verweerders hebben op 30 september 2015 een verweerschrift ingediend tegen dit schorsingsverzoek.

De zaak is op 6 november 2015 mondeling behandeld, doch uitsluitend wat betreft het verzoek tot schorsing van de werking van de beschikking van 28 mei 2009 van de rechtbank Rotterdam.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de advocaat van de verweerders.

De verweerders zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van 28 mei 2009 en de beschikking van 13 juli 2015, beiden van de rechtbank Rotterdam.

Bij beschikking van 28 mei 2009 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 7 maart 2008 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de destijds minderjarige, thans jongmeerderjarige, voor wat betreft de na 28 mei 2009 te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling, zal uitkeren € 300,-- per maand.

Bij beschikking van 13 juli 2015 heeft de rechtbank het verzoek van de man om wijziging van de door de rechtbank bij beschikking van 28 mei 2009 bepaalde, door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de thans jongmeerderjarige, welke bijdrage sinds 14 oktober 2012 geldt als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie, in die zin dat deze bijdrage met ingang van 28 mei 2009 wordt gesteld op nihil, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK TOT SCHORSING

1.In geschil is het verzoek van de man tot schorsing van de werking van de beschikking van 28 mei 2009 van de rechtbank Rotterdam.

2. De man verzoekt het hof de schorsing te bevelen van de werking van de beschikking van 28 mei 2009 waarbij de rechtbank heeft bepaald dat de man met ingang van 7 maart 2008 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de thans jongmeerderjarige, voor wat betreft de na datum van de genoemde beschikking te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling, € 300,- zal uitkeren per maand, althans per datum en zodanig bedrag als het hof in goede justitie vermeent te behoren.

3. De verweerders bestrijden het beroep en verzoeken het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de man af te wijzen en de man te veroordelen in de proceskosten.

Overwegingen hof

4. Na bevraging ter terechtzitting begrijpt het hof dat de man het hof verzoekt de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van 28 mei 2009 van de rechtbank Rotterdam te schorsen, aan welk verzoek hij artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ten grondslag legt. Op grond van deze bepaling kan de hogere rechter de schorsing van de werking van een beschikking bevelen, indien die beschikking in eerste aanleg uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

Het hof stelt vast dat de beschikking van 28 mei 2009 voor wat betreft de vaststelling van de kinderalimentatie weliswaar destijds door de rechtbank Rotterdam uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, maar nu het door de man binnen de daarvoor gestelde termijn ingestelde hoger beroep tegen die uitspraak bij beschikking van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 23 juni 2010 is afgewezen, deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van die beschikking is derhalve niet meer aan de orde, zodat het verzoek van de man moet worden afgewezen.

5. Voor het geval de man heeft bedoeld een voorlopige voorziening te verzoeken voor de duur van het geding als bedoeld in artikel 223 Rv, overweegt het hof dat de man zijn belang bij dat verzoek onvoldoende heeft onderbouwd. Niet is komen vast te staan dat sprake is van een situatie dat van de man niet gevergd kan worden dat hij de eindbeslissing in de hoofdzaak afwacht.

6. Gelet op het voorgaande zal het hof het verzoek van de man afwijzen.

Proceskosten

7. In familiezaken wordt in het algemeen besloten tot compensatie van de proceskosten, hetgeen inhoudt dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen. Er kunnen zich echter gevallen voordoen waarbij het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om de proceskosten te compenseren. Wil sprake zijn van een dergelijke situatie, dan dient sprake te zijn van het nodeloos in rechte betrekken van de wederpartij. Het hof is van oordeel dat daarvan, gelet op het door de man ingediende incidentele verzoek in hoger beroep, sprake is. Het hof zal dan ook, overeenkomstig het verzoek van de verweerders, de man veroordelen in de proceskosten van de verweerders in dit incident. Het hof stelt voorop dat in dit incident geen griffierecht verschuldigd is. Het hof begroot de kosten van de verweerders dan ook in redelijkheid conform het puntensysteem op 0,5 punt voor het verweerschrift en 0,5 punt voor de mondelinge behandeling x tarief II in hoger beroep = € 894-.

8. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE WERKING VAN DE BESCHIKKING VAN 28 MEI 2009

Het hof:

wijst het verzoek van de man af;

veroordeelt de man in de kosten van het verzoek tot schorsing van de werking van de beschikking van 28 mei 2009 van de rechtbank Rotterdam, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de verweerders vastgesteld op € 894,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief hoger beroep en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I. Obbink-Reijngoud, C.M. Warnaar en H. Mollema-de Jong, bijgestaan door mr. P.E.C.M. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2015.