Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3562

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
17-12-2015
Zaaknummer
200.165.223/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Opheffing onderbewindstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 4 november 2015

Zaaknummer : 200.165.223/01

Rekestnummer rechtbank : BM VERZ 14-3661

Zaaknummer rechtbank : 3465975

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de rechthebbende,

advocaat mr. H.W.F. Klarenaar te Dordrecht.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de bewindvoerder.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De rechthebbende is op 23 februari 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
25 november 2014 van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de rechthebbende:

- op 2 april 2015 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 30 september 2015 mondeling behandeld.

Ter zitting was aanwezig:

- de rechthebbende, bijgestaan door zijn advocaat.

De bewindvoerder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Ter terechtzitting is namens de rechthebbende nog een door de bewindvoerder opgemaakt overzicht van de inkomsten en uitgaven van de rechthebbende, gedateerd 17 september 2015, overgelegd. Het hof heeft dit stuk niet in zijn beoordeling betrokken, omdat de bewindvoerder zich daar niet over heeft kunnen uitlaten.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind over zijn goederen afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de opheffing van de onderbewindstelling over de goederen van de rechthebbende.

2. De rechthebbende verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, het inleidend verzoek van de rechthebbende alsnog toe te wijzen en het bewind over zijn goederen op te heffen.

3. De rechthebbende voert in hoger beroep in het bijzonder het volgende aan. De goederen van de rechthebbende staat al ruim zes jaar onder bewind. Inmiddels is hij al 3,5 jaar schuldenvrij. De rechthebbende heeft sinds de onderbewindstelling geen schulden meer gemaakt en hij heeft geleerd om van zijn beperkte inkomen rond te komen. Hij heeft zelfs een spaarsaldo van ruim € 3.000,--. De rechthebbende betwist dat hij zonder kostgeld te vragen van zijn inwonende zoon, die een Wajong-uitkering geniet, niet rond zou kunnen komen. De rechthebbende komt wel degelijk rond met het oude bedrag, maar sinds enige tijd heeft de bewindvoerder het leefgeld nog verder verlaagd, kennelijk in een poging de rechthebbende te dwingen om van zijn zoon kostgeld te vragen. De zoon van de rechthebbende die gehandicapt is, staat zijn vader financieel bij waar hij kan.

4. Uit telefonische navraag van de griffier van het hof (tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling) bij (het kantoor van) de bewindvoerder blijkt dat de bewindvoerder persisteert bij zijn standpunt ingenomen bij de rechtbank, inhoudende dat de rechthebbende de consequenties van zijn handelen niet kan overzien, om welke reden de onderbewindstelling gehandhaafd dient te blijven.

5. Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 1:449 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) de rechter ambtshalve of op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is de onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 leden 1 en 2 van het BW, het bewind kan opheffen indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of de voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken. Het hof zal derhalve onderzoeken of de noodzaak tot onderbewindstelling nog aanwezig is en of het zinvol is om het bewind voort te zetten.

6. Het hof is op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de bovengenoemde wettelijke gronden voor de opheffing van de onderbewindstelling van de rechthebbende beide aanwezig zijn. Voldoende gebleken is dat de onderbewindstelling niet langer noodzakelijk en zinvol is. Het hof neemt hierbij het volgende in aanmerking.

De onderbewindstelling is jaren geleden ingesteld omdat de rechthebbende als gevolg van een echtscheiding en het overlijden van vier naaste familieleden te maken had met een depressie en daardoor indertijd niet goed in staat was om zijn financiële aangelegenheden zelf te regelen. Hierdoor waren problematische schulden ontstaan, die voerden tot de onderbewindstelling. Gedurende de afgelopen drie jaren is de rechthebbende echter schuldenvrij geworden en is volgens de rechthebbende zelfs een bescheiden spaarsaldo gecreëerd. Hoewel de rechthebbende de afgelopen periode naar eigen aangeven in het geheel geen leefgeld van de bewindvoerder heeft ontvangen daar er als gevolg van de verlaging van zijn bijstandsuitkering met ongeveer € 200,- per maand omdat hij samenwoont met zijn zoon die ook een uitkering heeft, nauwelijks gelden overbleven na voldoening van de maandelijkse verplichtingen, is het hof ter terechtzitting gebleken dat de rechthebbende samen met zijn genoemde inwonende zoon, die is gediagnostiseerd met Asperger, diens Wajong-uitkering beheert. De rechthebbende en zijn zoon komen middels deze uitkering samen rond van een leefgeld van € 50,-- per week. Daarnaast is ter terechtzitting voorts nog gebleken dat zij samen sparen alvorens grote uitgaven zoals de vervanging van een computer of een televisie te doen. Dit gaat al enkele jaren goed, zonder problemen. Daarenboven is gebleken dat de onderbewindstelling van de rechthebbende enige tijd geleden door een andere bewindvoerder is overgenomen, die sindsdien geen bemoeienis meer heeft gehad met de rechthebbende, terwijl rechthebbende wel maandelijks een vergoeding voor het bewind betaalt. De rechthebbende ervaart dan ook geen enkele hulp en steun (meer) van de bewindvoerder.

7. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hof de onderhavige onderbewindstelling zal opheffen met ingang van 1 februari 2016, zodat de bewindvoerder enige tijd heeft om het bewind administratief af te wikkelen, de zaken over te dragen aan rechthebbende en ten overstaan van de kantonrechter eindrekening en verantwoording af te leggen ter zake van het gevoerde bewind.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

heft op het eerder ingestelde bewind over alle goederen die toebehoren aan [appellant] , geboren [in] 1967 te [geboorteplaats] , en wel met ingang van 1 februari 2016;

bepaalt dat de bewindvoerder ten overstaan van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam een eindrekening en verantwoording over het gevoerde bewind zal afleggen aan de rechthebbende.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Obbink-Reijngoud, Kamminga en Sierksma, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 november 2015.