Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3536

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
17-12-2015
Zaaknummer
200.174.085/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding en partneralimentatie. Vrouw niet-ontvankelijk tegen echtscheiding. Rechtsmiddel van hoger beroep is niet gegeven om partij van wie verzoek tot echtscheiding door eerste rechter is toegewezen, gelegenheid te geven die beschikking ongedaan te maken, omdat zij bij nader inzien de voorkeur eraan geeft van het verzoek af te zien. Veroordeling in proceskostenveroordeling mbt indienen verweer echtscheiding. Vaststelling behoefte partneralimentatie

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 151
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2016/4916
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 16 december 2015

Zaaknummer : 200.174.085/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 14-2650

Zaaknummer rechtbank : C/09/463780

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E.R. Knoester te Steenbergen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A.C.M. van der Voet te Den Haag.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 28 juli 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 30 april 2015 van de rechtbank Den Haag. Op 31 juli 2015 is dit hoger beroepschrift met bijlagen bij het hof ingekomen.

De man heeft op 26 augustus 2015 een verweerschrift ingediend tegen het verzoek van de vrouw tot afwijzing van de echtscheiding.

De door het hof op 16 september 2015 geplande mondelinge behandeling betreffende de echtscheiding heeft geen doorgang gevonden.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

 op 11 september 2015 een brief van 10 september 2015 met als bijlage een V-formulier met bijlage.

Op 9 oktober 2015 heeft de man een verweerschrift tevens houdend voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, tevens houdende wijziging van eis, ingediend.

De vrouw heeft op 17 november 2015 een verweerschrift op het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingediend.

De zaak is op 18 november 2015 mondeling behandeld, zowel wat betreft de echtscheidingsgrond als de overige geschilpunten.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts is, onder meer, afgewezen het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen partneralimentatie van €1.000,- per maand, althans een bedrag dat de rechtbank juist acht, zulks met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

Partijen zijn gehuwd [in] 2000 te [plaats] . Op 13 maart 2014 heeft de rechtbank Den Haag voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en dat de man met ingang van 13 maart 2014 een bedrag van € 150,- per maand aan partneralimentatie zal voldoen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn:

  • -

    de echtscheiding;

  • -

    de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw (hierna ook: de partneralimentatie).

2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:

  • -

    de verzoeken om de echtscheiding tussen partijen, in gemeenschap van goederen gehuwd, af te wijzen;

  • -

    en voor zover de echtscheiding wel wordt uitgesproken door het hof, dan wel de bestreden beschikking ter zake wordt bekrachtigd, te bepalen dat de man met ingang van de dag dat de ten deze te wijzen echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven, zal bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw door maandelijks een bedrag van € 1.000,- te betalen aan de vrouw of althans een zodanig bedrag als het hof zal vermenen te behoren, telkens voor de eerste van iedere maand.

3. De man bestrijdt het beroep ten aanzien van de echtscheiding en verzoekt het hof de bestreden beschikking terzake de uitgesproken echtscheiding te bekrachtigen met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

Wat betreft het verzoek om partneralimentatie verzoekt de man bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het hoger beroep van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking (het hof leest: ten aanzien van de afwijzing van het verzoek om partneralimentatie) te bekrachtigen.

In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, tevens houdende wijziging van het verzoek, verzoekt de man de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de partneralimentatie en, opnieuw beschikkende,

te bepalen dat de man met ingang van 30 april 2015 (te weten de datum waarop de echtscheiding in eerste aanleg is uitgesproken) dan wel enige andere datum die het hof vermeent te behoren, voor de duur van een jaar een nader te bepalen bedrag per maand voldoet, vervolgens voor de duur van een jaar de helft van het hiervoor genoemde bedrag en vervolgens de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw op nihil te stellen, althans een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw en een duur waarover deze bijdrage voldaan dient te worden, vast te stellen als het hof vermeent te behoren.

4. De vrouw verzoekt het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de man af te wijzen.

Echtscheiding

5. De vrouw stelt dat de nieuwe vriendin van de man inmiddels is overleden, waardoor de vrouw kans ziet op verzoening. Van een duurzame ontwrichting is geen sprake, aldus de vrouw.

6. De man betoogt in zijn meest verstrekkende verweer dat de vrouw misbruik maakt van het procesrecht door op te komen tegen de echtscheiding en niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hij kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het hoger beroep van de vrouw enkel is ingesteld om tijd te rekken met het inschrijven van de echtscheiding. Zolang de echtscheiding nog niet officieel is, geldt volgens de vrouw de in de voorlopige voorzieningenprocedure vastgestelde partneralimentatie nog. Aan de man heeft de vrouw bericht dat zij bij gebreke van betaling zal overgaan tot executie, hetgeen een ander beeld laat zien van een partner die stelt dat zij het huwelijk wil redden. Bovendien was de vrouw op de hoogte van het feit dat de man de echtscheiding wilde inschrijven in de registers van de burgerlijke stand. Zijn advocaat had namens hem een akte van berusting naar de vrouw gezonden. Pas op vrijwel de laatste dag dat hoger beroep mogelijk was, heeft de vrouw het hoger beroep aangetekend.

7. Naar het oordeel van het hof moet de vrouw in haar hoger beroep, voor zover gericht tegen de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding, niet-ontvankelijk worden verklaard. Het rechtsmiddel van hoger beroep is immers niet gegeven om een partij wier verzoek tot echtscheiding door de eerste rechter is toegewezen, gelegenheid te geven die beschikking ongedaan te maken, omdat zij bij nader inzien de voorkeur eraan geeft van het verzoek af te zien. Vgl HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW2249 en HR 4 juni 1999, LJN:BL8473, NJ 1999,535. Vaststaat dat de vrouw in eerste aanleg, net als de man bij zelfstandig verzoek, heeft verzocht om de echtscheiding. Verder heeft de vrouw in hoger beroep de stelling van de man dat er immer sprake was en nog altijd is van de duurzame ontwrichting, niet weersproken. Bijzondere omstandigheden die in het onderhavige geval tot een andere slotsom zouden noodzaken, zijn niet aangevoerd of anderszins aannemelijk geworden.

Partneralimentatie

8. De rechtbank heeft voor de bepaling van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw het door haar overgelegde behoefteoverzicht tot uitgangspunt genomen. De totale behoefte van de vrouw heeft de rechtbank in redelijkheid vastgesteld op € 2.160,- netto per maand.

9. De vrouw kan zich daarmee niet verenigen. Zij betoogt dat het gezamenlijke inkomen voor de breuk van partijen € 92.881,44 bruto bedroeg. Dit inkomen heeft niet geleid tot enig gespaard inkomen. Al het inkomen werd aangewend voor de levensstijl van partijen. Daarom acht de vrouw het merkwaardig dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met de welstand van partijen. Naast de behoefteberekening moet in aanmerking worden genomen wat de inkomsten van partijen tijdens de laatste jaren van het huwelijk waren geweest, aldus de vrouw. Ook het uitgavenpatroon speelt een rol. Die was gelijk aan de inkomsten. Wat betreft de behoefteberekening betoogt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat diverse posten uit de behoefteberekening dienen te worden geschaard onder de bijstandsnorm. Het betreft de volgende posten:

- Eneco ad € 107,- per maand;

- Dunea ad € 30,- per maand;

- Telefoonkosten ad € 67,- per maand;

- Verzekering auto en wegenbelasting ad € 71,- per maand;

- Pakketverzekering ad € 13,- per maand.

De bijstandsnorm is een zogenoemde minimumbehoefte. De post telefoonkosten en verzekering auto zijn volgens de vrouw lasten die meer tot de luxe uitgaven zijn te rekenen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan ook in haar visie conform het door haar overgelegde behoefteoverzicht van € 2.487 minus € 39,- ter zake van ziektekosten die reeds in de bijstandsnorm zijn opgenomen, € 2.448,- netto per maand.

10. De man verweert zich daartegen als volgt. De vrouw onderbouwt haar behoefte in hoger beroep in het geheel niet met enig nieuw financieel overzicht. Als al wordt uitgegaan van het inkomen van de vrouw zoals zij dat had in eerste aanleg, dan kan de verschuldigde alimentatie nimmer hoger zijn dan € 500,- per maand. Het is de man onduidelijk op welke gronden de vrouw meent recht te hebben op € 1.000,- per maand. Voor zover de vrouw zich op het standpunt zou stellen dat de behoefte ad € 2.448,- is gebaseerd op het werkelijke behoefteoverzicht/bestedingspatroon van de vrouw, merkt de man op dat de vrouw ook geen behoefteoverzicht heeft gemaakt van reële en/of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten. In het in eerste aanleg overgelegde behoefteoverzicht is al rekening gehouden met bedragen voor bijvoorbeeld vakanties en (luxe) etentjes. De man betwist het door de vrouw gestelde bruto jaarinkomen van € 92.881,44. Het gezinsinkomen bedraagt op basis van de stukken uit 2013 € 73.919,-. Wat betreft de door de vrouw gestelde posten, deelt de man de visie van de rechtbank dat de vrouw niet duidelijk heeft gemaakt waarom er in dit specifieke geval een uitzondering gemaakt zou worden om onderhavige kosten niet uit de bijstandsnorm te voldoen. Overigens betwist de man nog vrijwel alle posten uit de behoefteberekening van de vrouw.

11. Het hof is op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en beslist zoals deze heeft gedaan. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangedragen die tot een andersluidend oordeel kunnen leiden. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking. Bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde (HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AM2379 en HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7050).

12. Het door de vrouw gestelde jaarinkomen van € 92.881,44 is naar het oordeel van het hof, gezien de gemotiveerde betwisting daarvan door de man, niet komen vast te staan. De vrouw heeft in eerste aanleg een behoefteoverzicht overgelegd. De rechtbank heeft terecht bij dit behoefteoverzicht aangesloten. In dit behoefteoverzicht heeft zij zelf de bijstandsnorm opgevoerd. In het geval ervoor geopteerd wordt om de bijstandsnorm op te voeren in een behoeftelijst, deelt het hof de visie van de rechtbank dat de kosten van Eneco, Dunea, telefoonkosten en de pakketverzekering reeds verdisconteerd zijn in die bijstandsnorm. Dit zou anders zijn als de vrouw ervoor had gekozen om niet de bijstandsnorm op te nemen in haar behoeftelijst, maar daarin alle afzonderlijke posten had vermeld. Bovendien is het hof met de rechtbank van oordeel dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat voormelde kosten in haar geval niet uit de bijstandsnorm kunnen worden voldaan. Ter zake van de kosten voor de auto is het hof met de vrouw van oordeel dat deze kosten niet in de bijstandsnorm begrepen zijn. Met inachtneming van deze kosten resteert evenwel zo’n beperkt bedrag aan aanvullende behoefte van € 50,- per maand dat het hof geen partneralimentatie zal bepalen. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat de vrouw een hoger inkomen uit dienstbetrekking heeft dan de man en dat zijn onderneming [onderneming 1] per 1 juni 2015 is beëindigd. Met de eenmanszaak [onderneming 2] van de man wordt slechts een beperkt resultaat behaald (2013: € 8.160,- en 2012: € 4.896,-). Rekening houdende met deze inkomsten is het inkomen van de man ongeveer gelijk is aan dat van de vrouw. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking bekrachtigen. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep behoeft dan ook geen bespreking.

Proceskosten

13. Het hof ziet in de wijze waarop de vrouw heeft geprocedeerd en de man nodeloos in de procedure heeft betrokken aanleiding om de vrouw in de kosten van het indienen van het verweerschrift betreffende de echtscheiding van de man. Voor het overige zal het hof de proceskosten compenseren.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep ten aanzien van de echtscheiding;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt de vrouw in de kosten van het indienen van het verweerschrift betreffende de echtscheiding in hoger beroep, aan de zijde van de man tot deze uitspraak begroot op € 894,-, en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep voor het overige in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, I. Obbink-Reijngoud en G. Kleykamp-van der Ben, bijgestaan door mr. M.J. de Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2015.