Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3423

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
09-12-2015
Zaaknummer
200.169.999/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

wsnp; weigering schone lei; toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.169.999/01

Insolventienummer rechtbank : C/11/12/100 R

arrest van 7 juli 2015

inzake

[naam],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. A. van den Berg te Arnhem.

Het geding

Bij vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 15 mei 2012 is ten aanzien van [appellant] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Bij vonnis van deze rechtbank van 13 mei 2015 is aan [appellant] de schone lei onthouden. Tegen laatstbedoeld vonnis heeft [appellant] hoger beroep ingesteld bij het op 19 mei 2015 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift (met producties). Bij brief van 12 juni 2015 is nog een aantal producties aan het hof toegezonden. Bij brieven van 16 en 17 juni 2015 heeft A. Verkerk, de bewindvoerder, de openbare verslagen en zijn reactie op het beroepschrift aan het hof toegezonden.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 juni 2015. Aldaar zijn verschenen: [appellant], bijgestaan door zijn advocaat, alsmede mevrouw R. Wallé namens de bewindvoerder.

De beoordeling van het hoger beroep

1. De rechtbank heeft aan [appellant] de schone lei onthouden omdat hij toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, waaronder de informatieverplichting, (artikel 354 lid 1 en 2 jo 358 lid 2 Fw).

2. De grieven en argumenten van [appellant] kunnen als volgt worden samengevat.

De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat [appellant] zijn informatieverplichting niet naar behoren is nagekomen. [appellant] heeft daartoe aangevoerd dat hij in het begin van de schuldsaneringsregeling toestemming had om de benodigde informatie op het kantoor van de bewindvoerder af te geven. Nadat de bewindvoerder te kennen had gegeven de informatie toch per post te willen ontvangen, is de verzending van de stukken een aantal maal door een maatschappelijk werkster verzorgd. Na de waarschuwing van de rechter-commissaris heeft [appellant] alle benodigde stukken per aangetekende post aan de bewindvoerder gezonden. Ter zitting van het hof heeft [appellant] nog een aantal stukken de bewindvoerder overhandigd.

[appellant] is verder van mening dat de rechtbank hem ten onrechte een verwijt heeft gemaakt ten aanzien van de ontstane boedelachterstand. Bij het onderhoud met de rechter-commissaris is deze boedelachterstand ook niet ter sprake gekomen. Naar zeggen van [appellant] heeft hij niet (voldoende) afgedragen aan de boedel omdat hij door wijzigingen in zijn inkomsten en zijn vaste lasten in afwachting was van een nieuwe berekening van het vrij te laten bedrag. Daarbij verkeerde [appellant] in de veronderstelling dat hij een regeling zou kunnen treffen om de ontstane achterstand in te lopen. Volgens [appellant] is het mogelijk om bij een eventuele verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling de boedelachterstand in te lopen

Tot slot heeft [appellant] aangevoerd dat hij zich gedurende de toepassing van de schuldsaneringsregeling maximaal heeft ingezet. Hij heeft nagenoeg de gehele looptijd betaald werk gehad.

3. De bewindvoerder heeft het volgende verklaard.
[appellant] is vanaf de aanvang van schuldsaneringsregeling stelselmatig de informatieplicht onvoldoende en te laat nagekomen. Deze tekortkomingen zijn in de verslagen en correspondentie aan [appellant] steeds vermeld. De rechter-commissaris heeft op 28 november 2013 en 27 februari 2014 brieven aan [appellant] toegezonden waarin hij heeft gewezen op het juist nakomen van de informatieplicht. Ook bij het verhoor bij de rechter-commissaris op 26 januari 2015 en tijdens de eindzitting van 7 mei 2015 is de nakoming van de informatieplicht ter sprake gekomen. Met betrekking tot de stukken die de bewindvoerder ter zitting van het hof nog heeft ontvangen heeft zij opgemerkt dat gezien het late tijdstip van overhandiging van die stukken, het voor haar niet mogelijk is om te controleren of alle benodigde stukken nu door [appellant] zijn aangeleverd.

De bewindvoerder heeft verder verklaard dat door het ontbreken van de daartoe benodigde informatie het niet mogelijk is gebleken de juiste stand van de boedel te berekenen. In 2013 was reeds een boedelachterstand ontstaan van € 3.259,47. Deze boedelachterstand is door [appellant] niet ingelopen. De bewindvoerder schat dat de boedelachterstand tot en met april 2015 € 6.248,91 bedraagt. Dit laatste bedrag heeft zij vastgesteld op basis van de op 13 mei 2015 door [appellant] alsnog aangeleverde inkomensgegevens over 2014 en 2015. De afdracht over mei 2015 tot heden kan niet worden vastgesteld wegens het ontbreken van de benodigde inkomensspecificaties. De boedelachterstand zal naar verwachting van de bewindvoerder in werkelijkheid dan ook hoger zijn.

4. Het hof stelt voorop dat van personen ten aanzien van wie de schuldsanering is uitgesproken mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van deze verplichtingen, in het bijzonder zijn informatie- en afdrachtverplichting. Daartoe overweegt het hof het volgende. [appellant] heeft een onvoldoende actieve houding getoond ten aanzien van de informatieverzoeken van de bewindvoerder. Gedurende de gehele looptijd is de informatievoorziening stroperig verlopen. [appellant] is meerdere malen door de bewindvoerder en de rechter-commissaris zowel schriftelijk als mondeling op het belang van de juiste nakoming van de informatieplicht gewezen. Door het ontbreken van de daartoe benodigde stukken is het voor de bewindvoerder niet mogelijk gebleken de juiste stand van de boedel te berekenen. De geschatte boedelachterstand bedraagt thans ten minste

€ 6.248,91. Omdat het gaat om een kernverplichting van de schuldsaneringsregeling, weegt het laten ontstaan van de forse achterstand zwaar. [appellant] heeft geen onderbouwd voorstel gedaan om de boedelachterstand in te lopen. Het verzoek van [appellant] om daartoe de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen, wijst het hof af. Gelet op de hoogte van de boedelachterstand is het zonder concrete onderbouwing niet aannemelijk dat deze bij een eventuele verlenging zal kunnen worden ingelopen, ook niet bij een maximale verlenging van de looptijd.

5. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [appellant] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de schuldsaneringsverplichtingen en dat alle omstandigheden in aanmerking nemende geen sprake is van tekortkomingen die vanwege de bijzondere aard of geringe betekenis ervan buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Dat [appellant] gedurende vrijwel de gehele looptijd van de sanering betaald werk heeft gehad maakt dat niet anders. Daarom is een schone lei verlening niet op zijn plaats.

6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het hof bekrachtigt het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 13 mei 2015.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.C.M. van Dijk, J.J.I. Verburg en R.F. Groos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2015 in aanwezigheid van de griffier.