Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3422

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
09-12-2015
Zaaknummer
200.178.502/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:509, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

wsnp; goede trouw criterium

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.178.502/01

Rekestnummer rechtbank : C/10/481373 / FT EA 15/1843

arrest van 17 november 2015

inzake

[naam],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. M.A. Oosterveen te Rotterdam.

Het geding

Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 15 oktober 2015, heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2015, waarbij haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Zij verzoekt het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en haar alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Bij brief van 9 november 2015 heeft [appellante] het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank, toegezonden.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 november 2015. Verschenen is: [appellante], bijgestaan door haar advocaat.

Beoordeling van het hoger beroep

1. [appellante] heeft op 23 juli 2015 bij de rechtbank een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. Volgens de aan het hof overgelegde verklaring ex artikel 285 Fw is sprake van een totale schuldenlast van € 37.053,12.

2. De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

De rechtbank heeft daarbij overwogen dat [appellante] schulden heeft gemaakt die duiden op overbesteding. Verder zijn er drie schulden aan het CJIB, betreffende boetes vanwege een onverzekerde scooter, die naar hun aard niet te goeder trouw zijn ontstaan. Daarnaast is er een schuld aan Virenze, die betrekking heeft op de kosten van een medisch onderzoek bij haar zoon, die evenmin te goeder trouw is ontstaan.

3. De grieven van [appellante] hebben de kennelijke strekking de zaak in volle omvang aan het hof voor te leggen. Ter zitting van het hof heeft [appellante] haar standpunt toegelicht.

4. Het hof zal eerst bezien of voldoende aannemelijk is geworden dat [appellante] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is ingediend als bedoeld in artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw. Die goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan de schuldenaar dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.

5. Met inachtneming van dit criterium is het hof van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [appellante] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van een belangrijk deel van de schulden.

Daartoe wordt overwogen dat een aanzienlijk deel van de schuldenlast is ontstaan door overbesteding. [appellante] heeft telefoonschulden laten ontstaan met een gezamenlijke omvang van circa € 7.400,-. Dat zij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van die schulden te goeder trouw is geweest, is niet voldoende aannemelijk geworden. Het gaat om schulden waarvan [appellante] op het moment van aangaan wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zij, gelet op haar beperkte inkomsten en reeds bestaande schuldenlast (onder andere aan Wehkamp, NEM, woonkracht en VGZ), niet in staat zou zijn om deze te financieren.

In hetgeen [appellante] daaromtrent – overigens niet onderbouwd met stukken - heeft aangevoerd, namelijk dat het gaat om strikt noodzakelijke schulden in verband met het contact met haar zieke moeder in het buitenland en dat een deel van die schulden door haar zus is veroorzaakt (KPN), ziet het hof geen aanleiding om te concluderen dat [appellante] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van die schulden. Het had op haar weg had gelegen om, vanwege de reeds ontstane (telefoon)schulden, te zoeken naar alternatieven, zoals een belhuis, om te voorkomen dat de kosten van haar telefoongesprekken haar budget zouden overstijgen. In plaats daarvan is zij steeds nieuwe abonnementen aangegaan en bovendien heeft zij geen actie ondernomen om de vordering van KPN te verhalen op haar zus.

Daarnaast is er een schuld aan het CJIB van € 2.922,- uit hoofde van opgelegde boetes in verband met een onverzekerde brommer. Deze schuld is naar haar aard niet te goeder trouw ontstaan. Hetgeen [appellante] daaromtrent heeft aangevoerd, namelijk dat zij de brommer had ingeleverd bij een oud ijzerhandel/sloperij en dat die zou zorgen voor afmelding en sloop van de brommer, maakt dit niet anders: dit weinig aannemelijke relaas heeft [appellante] op geen enkele wijze met stukken gestaafd.

Ook haar stelling dat zij tevoren bij haar ziektekostenverzekering heeft geïnformeerd of de kosten van de behandeling van haar zoon vergoed zouden worden en dat de ziektekostenverzekering later in strijd met gedane toezeggingen weigerde deze kosten te vergoeden heeft [appellante] op geen enkele wijze onderbouwd. Daarom is onvoldoende aannemelijk geworden dat de schuld aan haar ziektekostenverzekering, Virenze, te goeder trouw is ontstaan.

Voornoemde schulden staan reeds aan toelating van [appellante] tot de schuldsaneringsregeling in de weg zodat de overige schulden geen behandeling behoeven.

6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.

Beslissing

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2015.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.W. van Baal, M. Flipse en H.J. Vetter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 november 2015 in aanwezigheid van de griffier.

Bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. Flipse