Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3400

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
07-12-2015
Zaaknummer
200.173.733/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:5655
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:235, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof bekrachtigt opheffing faillissement bij gebrek aan baten. Instandhouding faillissement bepleit om alsnog een verzoek te doen tot toelating tot de schuldsaneringsregeling of een voorstel te doen aan de schuldeisers.

Vervolg op ECLI:NL:RBROT:2015:5655

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2446
INS-Updates.nl 2016-0011
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.173.733/01

Insolventienummer rechtbank: C/10/14/847 F

Beschikking van 20 oktober 2015

in de zaak van

[appellant],

wonende te Rotterdam,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. B.J. Visser te Breda,

Het geding

[appellant] is op eigen verzoek op 30 september 2014 door de rechtbank Rotterdam in staat van faillissement verklaard. Bij beschikking van 14 juli 2015 heeft deze rechtbank op voordracht van de rechter-commissaris het faillissement van [appellant] opgeheven bij gebrek aan baten. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie van het hof op 21 juli 2015, is [appellant] van deze beschikking in hoger beroep gekomen en heeft hij het hof verzocht deze beschikking te vernietigen en hem in aanmerking te laten komen voor een Wsnp-procedure. Bij brief van 25 augustus 2015 zijn namens [appellant] nadere producties aan het hof overgelegd.

De curator, de heer A. Verkerk van Verkerk Bewindvoeringen (hierna de curator), heeft bij brieven met bijlagen van 20 augustus en 8 september 2015 gereageerd op het ingestelde beroep.

Nadat de mondelinge behandeling was vastgesteld op 22 september 2015 heeft mr. Visser bij faxbericht van 21 september 2015 verzocht de mondelinge behandeling aan te houden. Het hof heeft vervolgens bepaald dat het hoger beroep ter zitting van 13 oktober 2015 behandeld wordt, met de mededeling dat geen verder uitstel meer zal worden verleend. De zaak is ter terechtzitting van 13 oktober 2015 mondeling behandeld, waarbij zijn verschenen [appellant], bijgestaan door zijn advocaat, en de curator.

De beoordeling van het hoger beroep

1. In de bestreden beschikking (gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:RBROT:2015:5655) heeft de rechtbank – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende overwogen.

In het op eigen aangifte uitgesproken faillissement van [appellant] heeft de curator geen baten kunnen realiseren en om die reden verzocht om opheffing van het faillissement, welk verzoek door de rechter-commissaris en de officier van justitie is ondersteund. De rechtbank heeft geconstateerd dat [appellant] niet eerder heeft kenbaar gemaakt dat hij een beroep wil doen de op de schuldsaneringsregeling. Hij heeft geen beroep gedaan op de omzettingsmogelijkheid van artikel 15b Fw, noch een verzoekschrift op basis van artikel 284 Fw ingediend. Nu niet bestreden is dat niet voldoende baten beschikbaar zijn ter voldoening van de faillissementskosten en de overige boedelschulden ligt de voordracht van de rechter-commissaris tot opheffing van het faillissement voor toewijzing gereed. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is om de behandeling van de voordracht tot opheffing van het faillissement aan te houden teneinde [appellant] in de gelegenheid te stellen om een verzoekschrift ex artikel 284 Fw in te dienen. De rechtbank heeft overwogen dat het executierecht van schuldeisers, waaronder de officier van justitie, nog langer zal worden gefrustreerd en dat voorts misbruik van recht in de hand kan worden gewerkt, nu niet bestreden is dat de tegen [appellant] gerichte omvangrijke schadevergoedingsmaatregelen niet onder de werking van artikel 358 lid 1 Fw vallen. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat [appellant] eerder in 2006 en in 2009 in staat van faillissement werd verklaard en dat beide faillissementen zijn opgeheven bij gebrek aan baten. Volgens de rechtbank heeft het er alle schijn van dat [appellant] zijn faillissementen gebruikt als voorwendsel om onder de hem opgelegde vervangende hechtenis uit te komen, die op grond van artikel 33 lid 1 Fw tijdens het faillissement niet ten uitvoer kan worden gelegd.

2. Hetgeen [appellant] in zijn beroepschrift heeft aangevoerd kan als volgt worden samengevat. De door het CJIB gevorderde bedragen, waarvan een deel reeds is voldaan, kan [appellant] niet in één keer voldoen. Voor het restant van zijn schulden wil [appellant] een betalingsregeling treffen, dan wel een akkoord aanbieden aan zijn schuldeisers. Daarbij heeft hij kenbaar gemaakt dat hij een beroep wil doen op de wettelijke schuldsaneringsregeling.

3. De curator heeft in zijn brief van 8 september 2015 aangevoerd dat hij heeft verzocht om opheffing van het faillissement van [appellant] omdat geen baten kunnen worden gerealiseerd en niet de verwachting bestaat dat alsnog baten kunnen worden gerealiseerd. [appellant] heeft niet onderbouwd dat hij in staat is om de vorderingen van zijn schuldeisers te voldoen en heeft de curator ook geen concreet voorstel voor een akkoord verstrekt, terwijl hij evenmin stukken heeft verstrekt waaruit blijkt dat er via derden voldoende gelden beschikbaar zijn om een akkoord te financieren. De curator adviseert negatief over toelating van [appellant] tot de schuldsaneringsregeling, nu [appellant] niet te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan van zijn schulden en voorts niet aannemelijk is dat [appellant] zijn verplichtingen zal kunnen nakomen. Tot slot verzoekt de curator [appellant] te veroordelen in de faillissementskosten.

4. Ter zitting van het hof hebben [appellant] en de curator hun standpunten toegelicht.

5. Op grond van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting wordt het volgende overwogen.

6. Het hof leest in het beroepschrift, ook na de daarop ter zitting gegeven toelichting, geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in de eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen. Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel dat er geen baten beschikbaar zijn, dat [appellant] het executierecht van zijn schuldeisers frustreert en dat het er de schijn van heeft dat [appellant] zijn faillissementen gebruikt als voorwendsel om vervangende hechtenis te ontlopen. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering en beslissing over. Het hof voegt hier het volgende aan toe.

7.1.

Ook bij gelegenheid van de behandeling van het hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat er baten beschikbaar komen waarmee een akkoord kan worden aangeboden. Waar het op neer komt is dat [appellant] instandhouding van het faillissement bepleit om een schuldsaneringsverzoek in te kunnen dienen. Daarbij weerspreekt hij niet dat hij in het kader van de eigen faillissementsaanvrage nu juist te kennen heeft gegeven geen beroep op de schuldsaneringsregeling te willen doen en dat hij ook nadien niet op enig moment ex art. 15b Fw om omzetting heeft verzocht. Dat het hem er werkelijk om te doen is om ex art. 284 Fw toelating tot de schuldsaneringsregeling te verzoeken, is in hoger beroep niet aannemelijk geworden. Los daarvan vormt de opheffing van het faillissement geen beletsel om een dergelijk verzoek te doen.

7.2.

Voor zover [appellant] meent dat hij een recht heeft om failliet te blijven, heeft hij daarin ongelijk. Dat hij onder de beschutting van een faillissement, waarbij zijn schuldeisers hem niet lastig kunnen vallen, wil pogen om op enig moment een niet nader geconcretiseerd voorstel aan zijn schuldeisers te doen, is geen voldoende reden tot voortzetting van het faillissement, te minder nu bij voortduring van het faillissement ook de faillissementskosten blijven doorlopen, terwijl er geen actief is en er geen aanwijzingen zijn dat hierin op afzienbare termijn verandering komt. Ook overigens bestaat geen goede grond voor afwijzing van het verzoek tot opheffing van het faillissement.

8. De curator heeft het hof verzocht om [appellant] te veroordelen in de faillissementskosten, door hem begroot op € 2.671,78 (exclusief BTW). Dienaangaande overweegt het hof dat ingevolge artikel 16 lid 2 Fw de rechter die de opheffing van het faillissement beveelt, tevens de faillissementskosten en het salaris van de curator vaststelt en deze ten laste van de schuldenaar brengt. In de Recofa-richtlijnen voor faillissementen is evenwel in artikel 6.3. onder e. bepaald: “Het salaris inclusief verschotten wordt in beginsel niet vastgesteld op een bedrag dat hoger is dan het beschikbaar actief”. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen baten beschikbaar zijn voor de voldoening van de faillissementskosten en de overige boedelschulden en heeft daarom het salaris van de curator en de verschotten vastgesteld op nihil. Tegen die beslissing is geen hoger beroep ingesteld; indien die beslissing zou worden teruggedraaid en de faillissementskosten alsnog ten laste van [appellant] zouden worden gebracht, zou [appellant] slechter worden van zijn hoger beroep. Dat [appellant] misbruik van recht heeft gemaakt door zijn faillissement aan te vragen en om die reden de faillissementskosten moet dragen is bovendien een stelling die eerst bij gelegenheid van de behandeling van het hoger beroep tegen de opheffing van het faillissement is betrokken. De juistheid ervan is door [appellant] betwist en kan bij gebreke aan een voldoende onderbouwing niet als vaststaand worden aangemerkt, terwijl voor een nader onderzoek onvoldoende aanleiding bestaat. Ook dat is reden om de beslissing van de rechtbank op dat punt in stand te laten.

9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2015;

- wijst het in hoger beroep gevorderde af.


Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. van der Klooster, C.J. Verduyn en P.W. van Baal, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 oktober 2015 in aanwezigheid van de griffier.