Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3378

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-11-2015
Datum publicatie
03-12-2015
Zaaknummer
2200346014
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van "poging tot doodslag, gevolgd door een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken" en

"poging tot doodslag" tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren, met aftrek van voorarrest en gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003460-14

Parketnummers: 09-827128-13, 09-837066-14 en

09-817843-13 (TUL)

Datum uitspraak: 30 november 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 6 augustus 2014 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [dag] 1990,

thans gedetineerd in Vught PPC te Vught.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 16 november 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair en 3 impliciet primair (poging tot doodslag) ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: TBS). Tevens is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Voorts is de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte van een eerder opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee maanden toegewezen.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is bij een tweetal inleidende dagvaardingen, waarvan de –hierna door het hof doorgenummerde- feiten ter terechtzitting in eerste aanleg zijn gevoegd, ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 09-827128-13:

1:


hij op of omstreeks 26 november 2013 te 's-Gravenhage opzettelijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven met dat opzet een mes, althans een scherp en puntig voorwerp diep in de arm en/of het been, althans in het lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een diefstal (met geweld) van een scooter (merk Kymco, type agility 50, kenteken [KENTEKEN]) en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren


Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezen verklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 26 november 2013 te 's-Gravenhage, op de openbare weg, kruising Calandkade/waldorpstraat met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een scooter (merk Kymco, Type Agility 50, kenteken [KENTEKEN]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het steken van een mes, althans een scherp en puntig voorwerp, in de arm en/of het been, althans in het lichaam van die [slachtoffer 1];

2:

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 4 december 2013 te Amsterdam, althans in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2], in elk geval van een ander, (telkens) met het oogmerk die [slachtoffer 2], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte

- meermalen die [slachtoffer 2] opgezocht op en/of opgewacht op/bij haar (werk)adres en/of

- meermalen zich opgehouden in de (directe) omgeving van die [slachtoffer 2] en/of

- meermalen die [slachtoffer 2] aangesproken en/of

- die [slachtoffer 2] gevraagd een handtekening te zetten (op een lichaamsdeel waarop letsel zichtbaar was) en/of

- die [slachtoffer 2] de weg versperd en/of de weg geblokkeerd en/of tegengehouden, althans die [slachtoffer 2] gehinderd haar weg te vervolgen en/of

- zich opgedrongen bij/aan die [slachtoffer 2] en/of

- een grote hoeveelheid datagegevens, althans informatie op internet en/of elders over die [slachtoffer 2] en/of familieleden van die [slachtoffer 2] en/of bekenden van die [slachtoffer 2] opgezocht en/of verzameld en/of opgeslagen;

Zaak met parketnummer 09-837066-14 (gevoegd):

3:


hij op of omstreeks 19 juni 2013 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer 3] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk meermalen, althans eenmaal, in/tegen het gezicht, althans het hoofd te schoppen en/of te trappen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


1:


hij op of omstreeks 26 november 2013 te 's-Gravenhage opzettelijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven met dat opzet een mes, althans een scherp en puntig voorwerp diep in de arm en/of het been, althans in het lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een diefstal (met geweld) van een scooter (merk Kymco, type agility 50, kenteken [KENTEKEN]) en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

3:


hij op of omstreeks 19 juni 2013 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer 3] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk meermalen, althans eenmaal, in/tegen het gezicht, althans het hoofd te schoppen en/of te trappen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Bij pleidooi heeft de raadsman namens de verdachte aangevoerd dat de verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op de dood van aangever [slachtoffer 1]. De verdachte dient derhalve van het onder 1 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt het volgende.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, blijkt dat de verdachte met kracht (hetgeen volgt uit de diepte van één van de steekwonden in het bovenbeen van bijna 7 centimeter en het feit dat de arm geheel was doorboord ) met een mes, althans met een scherp en puntig voorwerp, in het bovenbeen en de arm van het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft gestoken, in welke ledematen zich, naar algemeen bekend is, slagaders bevinden. Het is ook een feit van algemene bekendheid dat verwondingen aan slagaders levensbedreigend kunnen zijn. Bij het steken door de verdachte in het been en de arm van de aangever is zowel een dieper in het been gelegen slagader als een slagader in de arm van de aangever beschadigd geraakt.

Door aldus te handelen heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij één of meer slagaderen zou raken en aldus het slachtoffer van het leven zou beroven. Mitsdien acht het hof opzet in voorwaardelijke zin aan de zijde van de verdachte op het van het leven beroven van het slachtoffer [slachtoffer 1] aanwezig, zoals hierboven bewezen verklaard.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag, gevolgd door een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Motivering van de straf en de maatregel

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op klaarlichte dag, na het met zijn scooter voor een rood stoplicht staande slachtoffer [slachtoffer 1] van achteren benaderd te hebben, dit slachtoffer meermalen met een mes, dan wel met een scherp en puntig voorwerp, gestoken en hem vervolgens beroofd van zijn scooter. Daarbij heeft het slachtoffer levensbedreigend letsel opgelopen en het is niet aan de verdachte te danken dat hij het nog kan navertellen. Het spreekt voor zich dat de onverhoedse en uiterst gewelddadige confrontatie met de verdachte op het slachtoffer een enorme impact heeft gehad. Niet alleen is het slachtoffer meerdere malen geopereerd, maar er is ook sprake van een blijvende bewegingsbeperking van zijn rechterduim en blijvende littekens. Voorts heeft het slachtoffer studievertraging opgelopen en is hij zes maanden volledig arbeidsongeschikt geweest. Feiten als het onderhavige brengen uiteraard gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg.

Eerder heeft de verdachte geprobeerd een medegedetineerde van het leven te beroven door hem met kracht meermalen met geschoeide voet tegen het gezicht te trappen. Ook hier was sprake van zeer gewelddadig optreden jegens een nietsvermoedend slachtoffer.

Persoonlijkheid verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de navolgende gedragsrapportages.

De overwegingen en conclusies van de gedragsdeskundigen zijn zakelijk samengevat en weergegeven.

De rapportage Pro Justitia NIFP, locatie Pieter Baan Centrum d.d. 8 juli 2014, opgemaakt en ondertekend door P.G. Smits, psycholoog en M. van Berkel, psychiater:

De rapporteurs hebben geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Doordat de verdachte niet heeft meegewerkt aan het onderzoek hebben de rapporteurs niet goed kunnen vaststellen wat de onderliggende oorzaak is geweest van de psychotische stoornis. Gezien het verloop van het ziektebeeld achten de rapporteurs het echter het meest waarschijnlijk dat sprake is van de ziekte schizofrenie.

Met betrekking tot de gekwalificeerde doodslag heeft de verdachte geen informatie willen geven over zijn drijfveren om tot dit feit te komen. Uit het feit dat de verdachte zijn gezicht had bedekt, er een vermogensaspect bij betrokken was en hij achteraf, vanuit detentie heeft getracht een alibi te verkrijgen, kan worden opgemaakt, aldus de rapporteurs, dat betrokkene (deels) in staat is geweest om zijn gedrag te plannen en dat hij hierover sturing had. Anderzijds kan het toegepaste geweld jegens het slachtoffer volgens de rapporteurs gezien worden als buitenproportioneel. Uit alle beschikbare informatie en ook uit de observaties tijdens dit onderzoek, komt naar voren dat de verdachte, in het bijzonder in het afgelopen anderhalf jaar en in samenhang met zijn psychotische ontregeling, in veel verschillende situaties zeer gemakkelijk tot geweldsincidenten is gekomen, vaak zonder dat hier een duidelijke aanleiding voor was of hier een aanloopperiode aan vooraf is gegaan. De rapporteurs adviseren om de verdachte op zijn minst licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Een eventuele verdere doorwerking kon door het gebrek aan zicht op verdachtes innerlijke overwegingen niet onderbouwd worden.

Voorts hebben de rapporteurs het recidiverisico als hoog ingeschat, nu het gevaar dreigt van psychotische decompensatie waarbij de verdachte ogenschijnlijk redelijk functioneert, maar waarbij onderliggende psychotische denkprocessen er gemakkelijk voor kunnen zorgen dat hij met hevige agressie reageert. Om recidivegevaar te verminderen zal de verdachte langdurig moeten worden behandeld in combinatie met anti-psychotische medicatie en psycho-educatie. Aangezien de verdachte geen ziektebesef heeft en behandeling weigert, schatten de rapporteurs in dat hij niet zal meewerken aan een behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden. Dit tezamen met de hoge kans op recidive maakt dat de rapporteurs adviseren om aan de verdachte een maatregel van TBS met bevel tot verpleging op te leggen.

De rapportage Pro Justitia NIFP, locatie Pieter Baan Centrum d.d. 26 augustus 2015, opgemaakt en ondertekend door R. van Vliet, psycholoog en H.L. Keijer, psychiater: De verdachte heeft zeer beperkt meegewerkt aan het klinisch onderzoek. Tijdens de momenten dat de verdachte wel met rapporteurs wilden spreken uitte hij diverse ernstige psychotische klachten. Op basis van de observaties, de gespreksindrukken en de informatie over verdachtes levensloop kan thans met voldoende zekerheid aanvullend gesteld worden dat de verdachte lijdt aan het ziektebeeld schizofrenie. Naast schizofrenie is er bij betrokken sprake van problematisch middelengebruik. Er is sprake van cannabisafhankelijkheid. Schizofrenie en cannabisafhankelijkheid zijn chronische ziektebeelden die ook aanwezig waren ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten. Uit de levensgeschiedenis van de verdachte is duidelijk geworden dat hij sinds hij psychotisch geworden is vaker makkelijk tot impulsief geweld over is gegaan zonder duidelijke aanleiding. Ook kunnen paranoïde betrekkingsideeën ervoor zorgen dat hij eerder impulsief handelt zonder dat hij daarvan de consequenties kan overzien. Rapporteurs achten de verdachte als gevolg van de algemeen ontregelende effecten van de ziekte schizofrenie op zijn minst enigszins verminderd toerekeningsvatbaar voor het onder 1 ten laste gelegde feit (scooterroof met geweld).

Ook bij het onder 3 ten laste gelegde feit beperken de rapporteurs zich tot het advies de verdachte op zijn minst enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Vanuit verdachtes stoornis is wel degelijk gevaar zichtbaar voor disproportionele agressie. De rapporteurs hebben de doorwerking van de stoornis niet nauwer kunnen definiëren als licht verminderd toerekeningsvatbaar. De rapporteurs achten behandeling van het geschetste delictgevaar niet haalbaar binnen een voorwaardelijk kader. De verdachte toont een weerstand tegen de diagnose psychose en schizofrenie en behandeling daarvan. Behandeling van zijn problematiek zal dan ook strafrechtelijk slechts gerealiseerd kunnen worden binnen het kader van een tbs-maatregel met bevel tot verpleging.

Gelet op die conclusies en in aanmerking genomen de ernst van de bewezen verklaarde feiten alsmede de kans op herhaling van soortgelijke feiten is het hof dan ook van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid, het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling, met het bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd, eist.

Aan de door de wet gestelde vereisten is voldaan nu:

- tijdens het begaan van de bewezen verklaarde feiten bij de verdachte een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond;

- de onder 1 primair, en 3 impliciet primair bewezen verklaarde feiten een misdrijf opleveren als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, sub 1, van het Wetboek van Strafrecht;

- de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel tot terbeschikkingstelling en de verpleging eist;

- door ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines - waaronder een psychiater - die de verdachte hebben onderzocht een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies is uitgebracht, welk advies niet eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend;

- de onder 1 primair en 3 impliciet primair bewezen verklaarde feiten misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Nu de maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, is sprake van een TBS-duur die in aanmerking komt voor verlenging overeenkomstig artikel 38e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 oktober 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van geweldsmisdrijven. Zo is de verdachte in 2013 onherroepelijk veroordeeld voor onder meer een poging zware mishandeling en een mishandeling. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Uit het uittreksel kan voorts worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit nog geen twee maanden uit detentie ontslagen was.

Het hof is - anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal - van oordeel dat een lagere gevangenisstraf passend en geboden is nu de verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar is en het hof het van belang acht dat de verdachte zo spoedig mogelijk wordt behandeld.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat, naast de genoemde maatregel, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte in de zaak met parketnummer 09-827128-13 onder 1 primair ten laste gelegde, tot een bedrag van in totaal € 6.976,73.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag van € 6.976,73.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet gemotiveerd betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 november 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 november 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op € 242,00, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 6.976,73 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1].

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de meervoudige kamer te Den Haag van

7 oktober 2013 onder parketnummer 09-817843-13 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest, met bevel dat een deel van die gevangenisstraf, te weten twee maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak onder 1 primair bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38e, 45, 57, 287 en 288 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 (impliciet primair) ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 3 (impliciet primair) bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-827128-13 onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.976,73 (zesduizend negenhonderdzesenzeventig euro en drieënzeventig cent) bestaande uit € 4.276,73 (vierduizend tweehonderdzesenzeventig euro en drieënzeventig cent) materiële schade en € 2.700,00 (tweeduizend zevenhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 november 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 242,00 (tweehonderdtweeënveertig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-827128-13 onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 6.976,73 (zesduizend negenhonderdzesenzeventig euro en drieënzeventig cent) bestaande uit € 4.276,73 (vierduizend tweehonderdzesenzeventig euro en drieënzeventig cent) materiële schade en € 2.700,00 (tweeduizend zevenhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 69 (negenenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 november 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te Den Haag van 7 oktober 2013, parketnummer 09-817843-13, te weten van: gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Dit arrest is gewezen door mr. A.A. Schuering, mr. H.M.A. de Groot en mr R.C. Schlingemann, in bijzijn van de griffier mr. M.J.J. van den Broek.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 november 2015.