Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3371

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
04-12-2015
Zaaknummer
BK- 14 _ 01571
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:13301, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil of de gemeente belanghebbende in haar hoedanigheid van gebruiker van het appartement in de heffing van de afvalstoffenheffing mocht betrekken.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 15.33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2016/568 met annotatie van Van der Meijden
V-N Vandaag 2015/2579
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7147
Belastingblad 2016/69
V-N 2016/11.21.5
Mr. M.P. van der Burg annotatie in NTFR 2016/612

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-14/01571

uitspraak d.d. 25 november 2015

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

De heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 10 oktober 2014, nummer SGR 14/3870, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De heffingsambtenaar heeft belanghebbende voor het jaar 2014 een aanslag in de afvalstoffenheffing opgelegd, gedagtekend 28 februari 2014, tot een bedrag van € 287,64.

1.2.

Belanghebbende heeft daartegen op 27 februari 2014 bezwaar gemaakt. Bij zijn uitspraak op bezwaar van 9 mei 2014 heeft de heffingsambtenaar de aanslag verminderd tot € 233,88.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. Ter zake is een griffierecht van € 45 geheven.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 123. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 14 oktober 2015. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

De verordening

3. De Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing 2008 (Verordening afvalstoffenheffing 2008), zoals deze is gewijzigd bij de Verordening van 7 november 2013, Gemeenteblad 47, 2013 (hierna: de Verordening) luidt, voor zover hier van belang:

Artikel 1 Aard van de belasting en belastbaar feit

1. Onder de naam "afvalstoffenheffing" wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artike15.33 van de Wet milieubeheer.

2. De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening wordt geheven ter zake van het gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 2 Belastingplicht

I. De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente gebruik maak van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

2. Gebruik door leden van een huishouding wordt aangemerkt als gebruik door een door de gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet aan te wijzen lid van die huishouding.

Artikel 3 Maatstaf van heffing en belastingtarief

1. De belasting per perceel bedraagt per belastingjaar € 287,64.

2. Het in het eerste lid bedoelde tarief wordt per kalenderjaar verminderd met:

a. € 53,76 voor een perceel dat wordt gebruikt door één persoon;

b. € 24,72 voor een perceel dat wordt gebruikt door twee personen.

Hierbij blijft het bepaalde in artikel 2, derde lid, buiten toepassing.

3. Indien het heffingstijdvak korter is dan een kalenderjaar, wordt de in het tweede lid genoemde vermindering toegepast over zoveel twaalfde delen als het heffingstijdvak kalendermaanden omvat.

4. Voor de toepassing van het tweede lid is beslissend de gebruikssituatie op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht.

5. Voor de vaststelling van de gebruikssituatie is beslissend hetgeen ter zake in de basisregistratie personen is geregistreerd, tenzij blijkt dat de gebruikssituatie anders is.

Artikel 4 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 5 Wijze van heffing en aanwijzing lid van een huishouden

1. De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

2. De aanwijzing van een lid van een huishouding als bedoeld in artikel 2, derde lid, vindt plaats door het aan dit lid opleggen van de aanslag.

Artikel 6 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

1. De belasting voor een bepaald perceel is verschuldigd bij de aanvang van het belastingjaar, of zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

2. Indien de belastingplicht voor een bepaald perceel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting voor dat perceel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Daarbij telt bij de aanvang van de belastingplicht voor de zestiende van een kalendermaand die maand mee.

3. Indien de belastingplicht voor een bepaald perceel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar voor dat perceel verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 10,00. Daarbij telt bij beëindiging van de belastingplicht na de vijftiende van een kalendermaand die maand niet mee voor de ontheffing.

4. Belastingbedragen van minder dan € 10,00 worden niet opgelegd.

Vaststaande feiten

4.1.

Belanghebbende had in 2014 de beschikking over de eerste etage (hierna: het appartement) van een pand, gelegen aan de [A] te [Z] (hierna: het pand). Belanghebbende is in het verleden eigenaar van het pand geweest. Zij heeft de eigendom van het pand overdragen aan haar dochter, waarbij zij zich het gebruik van het appartement, met het huisnummer [Y] heeft voorbehouden.

4.2.

Na een ziekenhuisopname heeft belanghebbende haar intrek genomen in een aanleunwoning aan de [B] in [Z] . In de loop van 2013 is zij verhuisd naar een parterrewoning, gelegen aan de [C] te [Z] .

4.3.

Belanghebbende gebruikt een gedeelte van het appartement als werkruimte waarin zij onder meer de administratie van de bewonersvereniging voert en in het verleden de administratie verband houdend met de ondertoezichtstelling van een persoon heeft gevoerd.

4.4.

De gemeente droeg in 2014 zorg voor het wekelijks inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen bij het appartement.

4.5.

De heffingsambtenaar heeft in de procedure voor de rechtbank een taxatieverslag overgelegd waarin de volgende gegevens met betrekking tot de etage zijn opgenomen.

“Kenmerken object

Soort object : BOVENWONING

Bouwjaar : 1850

Renovatiejaar : 1990

Etage : 1

Lift : Nee

Aantal kamers : 3

Indeling : 1 bouwlaag

(…) Onderdeel: Oppervlakte

(m2)

1e bouwlaag: 1 woonkamer, 2 (slaap)kamers,

1 balkon/terras, 1 keuken, 1 badgelegenheid,

1 gang/hal 63

(…)”

Geschil, standpunten en conclusies

5.1.

In hoger beroep is in geschil of de gemeente belanghebbende in haar hoedanigheid van gebruiker van het appartement in de heffing van de afvalstoffenheffing mocht betrekken.

5.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. Zij voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Belanghebbende gebruikte in 2014 het appartement uitsluitend als kantoor. Het uit een kantoor afkomstige afval is geen huishoudelijk afval. Derhalve mocht de gemeente belanghebbende met betrekking tot het appartement niet in de heffing van de afvalstoffenheffing betrekken. Daarbij komt nog dat belanghebbende niet ter zake van het appartement in de basisregistratie personen is geregistreerd. Dat is terecht, omdat belanghebbende in 2014, zoals onder meer blijkt uit de basisregistratie personen, woonde op het adres [C] te [Z] . Ook met betrekking tot de woning [C] heeft de gemeente belanghebbende een aanslag in de afvalstoffenheffing opgelegd.

5.3.

De heffingsambtenaar beantwoordt de in geschil zijnde vraag bevestigend. Hij voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Naar blijkt uit het onder 4.5 vermelde taxatieverslag, is het appartement blijkens indeling en inrichting bestemd voor het voeren van een huishouding waarin geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. De gemeente heeft ter zake van het appartement aan haar inzamelplicht voldaan. Derhalve is de aanslag terecht opgelegd.

5.4.

Voor verdere onderbouwing van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

5.5.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de aanslag.

5.6.

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft – voor zover voor het geschil in hoger beroep van belang – het volgende overwogen.

“1. [Belanghebbende] gebruikt [het appartement] (….) als kantoorruimte. Zij staat in de basisregistratie persoonsgegevens (de basisregistratie) daar niet ingeschreven, maar op het om de hoek van het [appartement] gelegen adres [C] (het woonadres).

2. [De heffingsambtenaar] heeft de aanslag opgelegd wegens het gebruik van het [appartement]. Ook voor het woonadres is aan [belanghebbende] een aanslag afvalstoffenheffing voor het jaar 2014 opgelegd.

3. Bij de uitspraak op bezwaar heeft [de heffingsambtenaar] de aanslag verminderd tot een naar een tarief voor een eenpersoonshuishouden.

4. [Belanghebbende] stelt zich op het standpunt dat de aanslag ten onrechte aan haar is opgelegd aangezien zij het [appartement] als kantoor gebruikt en daar niet woont, daar niet staat ingeschreven in de basisregistratie en in het [appartement] geen huishoudelijke afvalstoffen produceert. Zo zij al afval zou produceren, zou zij dat moeten deponeren in dezelfde wijkcontainer als waarin zij haar afval voor het woonadres deponeert.

5. [De heffingsambtenaar] stelt zich op het standpunt dat de aanslag terecht is opgelegd. Het [appartement] is een perceel in de zin van de Wet milieubeheer (Wmb). Er geldt een inzamelingsverplichting voor de gemeente ten aanzien van het [appartement] en deze verplichting wordt nagekomen.

6. Artikel 10.21, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de gemeenteraad en burgemeester en wethouders ervoor zorg dienen te dragen dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen, met uitzondering van grove huishoudelijke afvalstoffen, worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan.

7. Op grond van artikel 15.33, eerste lid van de Wmb kan de gemeenteraad ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

8. Ingevolge artikel 2 van de Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffen 2008 van de gemeente Den Haag wordt de belasting geheven van degene die in de gemeente gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wmb een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

9. Tussen partijen is niet in geschil dat de gemeente voor het [appartement] een verplichting heeft tot het inzamelen van huishoudelijk afval en dat dit daadwerkelijk gebeurt middels de wijkcontainer. Evenmin is in geschil dat belanghebbende het [appartement] gebruikt, dat er verder geen andere gebruikers zijn van het [appartement] en dat niemand op het adres van het [appartement] staat ingeschreven in de basisregistratie.

10. De Hoge Raad heeft onder meer in zijn arrest van 29 februari 2008, nr. 41671, ECLI:NL:HR:2008:BC5343 geoordeeld dat als een perceel is aan te merken een gedeelte van een onroerende zaak dat blijkens zijn indeling en inrichting bestemd is voor het voeren van een particuliere huishouding waarin geregeld afvalstoffen kunnen ontstaan.

11. Ter zitting heeft [belanghebbende] bevestigd dat het [appartement] een regulier appartement is met een keuken, toilet en badkamer. Daarmee staat vast dat sprake is van een perceel in de zin van de Wmb. Dat het [appartement] door [belanghebbende] uitsluitend wordt gebruikt als kantoor maakt niet dat het [appartement] niet langer is bestemd voor bewoning. Het enkele feit dat [belanghebbende] het [appartement] daadwerkelijk gebruikt, brengt verder reeds mee dat geregeld afvalstoffen kunnen ontstaan als bedoeld in artikel 10.21 van de Wmb. Dat er feitelijk nauwelijks afval ontstaat, is voor de heffing niet van belang.

12. Gezien het voorgaande is de aanslag terecht opgelegd.

13. Ten aanzien van de stelling van [belanghebbende] dat zij twee maal wordt aangeslagen voor dezelfde gemeentelijke belasting en dus materieel sprake is van dubbele belastingheffing, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals uit het hiervoor geschetste juridische kader volgt, wordt afvalstoffenheffing geheven voor het daadwerkelijk inzamelen van afval ten aanzien een perceel. De afvalstoffenheffing is dus gekoppeld aan het perceel en niet aan de persoon die de belasting moet betalen of die in de basisregistratie staat geregistreerd op het adres van het perceel. Dit brengt mee dat een persoon die meerdere percelen gebruikt ook meerdere aanslagen kan krijgen. Er is dan ook geen sprake van dubbele heffing voor hetzelfde belastbare feit, maar van belastingheffing ter zake van meerdere afzonderlijke belastbare feiten. Het enkele feit dat beide percelen zijn gelegen in dezelfde wijk en dat daarvoor hetzelfde afval-afhaalregime geldt, maakt niet dat de aanslag daarmee in strijd met de wet is opgelegd.

14. Het beroep van [belanghebbende] op de redelijkheid en billijkheid doet aan bovenstaand oordeel niet af nu de rechter moet rechtspreken volgens de wet en ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet de innerlijke waarde of billijkheid van wettelijke bepalingen mag beoordelen. Dit betekent dat het de rechtbank niet is toegestaan wettelijke regelingen als zodanig te toetsen, behoudens voor zover de wettelijke regeling in strijd zou zijn met een ieder verbindende verdragsbepalingen. Van een dergelijke strijd is niet gebleken.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Beoordeling van het geschil

7.1.

De afvalstoffenheffing dient, gelet op het bepaalde in artikel 15.33, lid 1, van de Wet milieubeheer, tot verhaal van de kosten die voor de gemeente zijn verbonden aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen. Kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het beheer van andere dan huishoudelijke afvalstoffen, kan zij niet door middel van het heffen van afvalstoffenheffing verhalen. Voor de kosten van het beheer van deze andere afvalstoffen kan de gemeente een retributie op grond van artikel 229 van de Gemeentewet heffen (de zogeheten reinigingsrechten). Ook kan de gemeente kiezen voor een niet-publiekrechtelijk verhaal van de kosten van het beheer van andere dan huishoudelijke afvalstoffen. Gelet op het een en ander zal het Hof allereerst onderzoeken of de uit het appartement afkomstige afvalstoffen huishoudelijke afvalstoffen zijn alsmede, gelet ook op het bepaalde in artikel 10.21, lid 1, van de Wet milieubeheer, of in het appartement geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan.

7.2.

Ingevolge artikel 1.1, lid 1, Wet milieubeheer zijn huishoudelijke afvalstoffen, behoudens een hier niet ter zake doende uitzondering, afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens. Zijn afvalstoffen niet afkomstig uit particuliere huishoudens, dan worden zij, eveneens ingevolge artikel 1.1 Wet milieubeheer en behoudens de al genoemde hier niet ter zake doende uitzondering, aangemerkt als bedrijfsafvalstoffen.

7.3.

Vaststaat dat een deel van het appartement als werkruimte wordt gebruikt (zie onder 4.3). Indien, zoals belanghebbende betoogt, uit dit deel van het appartement geen afvalstoffen van welke aard dan ook afkomstig zijn dan wel de uit dit deel van het appartement afkomstige afvalstoffen niet kunnen worden aangemerkt als uit een particulier huishouden afkomstige afvalstoffen – het Hof laat beide mogelijkheden uitdrukkelijk in het midden –, volgt daaruit niet dat in het (niet als werkruimte in gebruik zijnde deel van het) appartement geen huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Zo kan – om een enkel voorbeeld te noemen – de omstandigheid dat reclamedrukwerk en huis-aan-huisbladen worden bezorgd, al leiden tot het ontstaan van huishoudelijke afvalstoffen in (het niet als werkruimte in gebruik zijnde deel van) het appartement.

7.4.

Verder is van belang dat, naar volgt uit artikel 15:33, lid 1, van de Wet milieubeheer, gelezen in samenhang met artikel 10.21, lid 1, van die wet, alsmede uit het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2003, nr. 38.874, ECLI:NL:HR:2003:AO0652, de zo-even genoemde wetsbepaling en de daaraan ontleende bepaling in de Verordening ertoe strekken aan de afvalstoffenheffing te onderwerpen degenen die feitelijk gebruik maken van een perceel waarvoor de gemeentelijke inzamelplicht geldt, en derhalve te heffen daar waar huishoudelijke afvalstoffen geregeld binnen een particuliere huishouding kunnen ontstaan. Naar het oordeel van het Hof is van dit laatste met betrekking tot het appartement sprake. Bij dit oordeel neemt het Hof in aanmerking dat – naar niet in geschil is – het appartement blijkens zijn indeling en inrichting is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding, dat slechts een deel van het appartement als werkruimte wordt gebruikt en dat de door belanghebbende gestelde omstandigheid dat in het appartement geen particulier huishouden wordt gevoerd, wat er ook zij van die stelling, niet eraan in de weg staat dat, zoals onder 7.3 is overwogen, in het appartement geregeld huishoudelijke afvalstoffen kúnnen ontstaan.

7.5.

Het Hof volgt belanghebbende niet in haar standpunt dat sprake is van dubbele belastingheffing omdat de gemeente voor 2014 zowel met betrekking tot het appartement als met betrekking tot de woning [C] te [Z] aan haar een aanslag in de afvalstoffenheffing heeft opgelegd. Het Hof neemt hierbij in aanmerking hetgeen de rechtbank in onderdeel 13 van haar uitspraak heeft overwogen. Voor zover het standpunt van belanghebbende tevens moet worden opgevat als een beroep op het beginsel dat gelijke gevallen gelijk en ongelijke gevallen naar de mate van hun ongelijkheid ongelijk moeten worden behandeld, baat zij belanghebbende evenmin. Daarbij overweegt het Hof dat de belastingplichtigen waarmee belanghebbende zich vergelijkt, te weten belastingplichtigen die gebruik maken van één perceel in de zin van artikel 15.33 lid 1 van de Wet milieubeheer, feitelijk noch juridisch in dezelfde situatie verkeren als belanghebbende, die immers van twee percelen in zo-even bedoelde zin gebruik maakt, namelijk het appartement en de woning [C] te [Z] . De met elkaar vergeleken gevallen zijn dus ongelijk. Voor de opvatting dat sprake is van een onvoldoende ongelijke behandeling van de met elkaar vergeleken gevallen, is geen, althans onvoldoende, steun te vinden in hetgeen belanghebbende heeft overgelegd en anderszins heeft aangevoerd. Ook overigens is het Hof niet van een onvoldoende ongelijke behandeling van de met elkaar vergeleken gevallen gebleken. Indien belanghebbende ook in hoger beroep beoogt te betogen dat de cumulatie van de afvalstoffenheffing die zij voor het appartement en de woning [C] te [Z] moet betalen, onredelijk en onbillijk is, brengt dit betoog het Hof niet tot een ander oordeel. Het Hof verwijst op dit punt naar hetgeen de rechtbank in onderdeel 14 van haar uitspraak heeft overwogen.

7.6.

Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat er sprake is van een ongeoorloofde ongelijke behandeling omdat bedrijven geen afvalstoffenheffing hoeven te betalen en zij wel. Dienaangaande stelt het Hof voorop dat bedrijven waaruit bedrijfsafvalstoffen afkomstig zijn en huishoudens waaruit huishoudelijke afvalstoffen afkomstig zijn, voor de toepassing van het gelijkheidsbeginsel feitelijk noch juridisch als gelijke gevallen kunnen worden aangemerkt. Verder verliest belanghebbende uit het oog dat de gemeente, als zij de van een bedrijf afkomstige bedrijfsafvalstoffen inzamelt, ter zake reinigingsrechten heft en dat bedrijven die de van hen afkomstige bedrijfsafvalstoffen laten afvoeren door een particulier bedrijf, ter zake een vergoeding aan dit bedrijf moeten betalen.

7.7.

Ten slotte heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat, nu de opbrengsten van de afvalstoffenheffing de kosten die voor de gemeente aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen zijn verbonden overtreffen, de gemeente meer afvalstoffenheffing heft dan de wet haar toestaat. Het Hof volgt belanghebbende niet in dit standpunt en overweegt daartoe het volgende. Voor de afvalstoffenheffing geldt een eigen opbrengstlimiet, die is neergelegd in de aanhef van artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. Bij de toetsing aan deze opbrengstlimiet dienen de uitgangspunten te worden toegepast die de Hoge Raad, onder meer in HR 24 april 2009 nr. 07/12961, ECLI:NL:HR:2009:BI1968, heeft geformuleerd met betrekking tot de verdeling van de stelplicht en de bewijslast in geschillen over de vraag of de geraamde opbrengst van een gemeentelijke retributie de geraamde lasten ter zake overtreft (vgl. HR 23 mei 2014 nr. 13/02955, ECLI:NL:HR:2014:1192). Daarvan uitgaande moet, nu belanghebbende heeft gesteld dat de opbrengstlimiet van de afvalstoffenheffing is overschreden, de heffingsambtenaar inzicht verschaffen in de desbetreffende ramingen. Met de stukken die de heffingsambtenaar ter zitting heeft overgelegd, heeft hij het verlangde inzicht verschaft. Belanghebbende heeft geen van de posten in de ramingen in twijfel getrokken. Uit de door de heffingsambtenaar overgelegde stukken blijkt dat de geraamde opbrengsten van de afvalstoffenheffing in het onderhavige jaar de geraamde kosten van het beheer van afvalstoffen niet te boven gaan. De omstandigheid dat in het onderhavige jaar de gerealiseerde opbrengsten van de afvalstoffenheffing de door de gemeente feitelijk gemaakte kosten van het beheer van huishoudelijke afvalstoffen te boven gaan, rechtvaardigt naar het oordeel van het Hof niet de conclusie dat de opbrengstlimiet is overschreden. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat, naar de heffingsambtenaar onweersproken heeft gesteld, het feitelijk in enig jaar gerealiseerde overschot van de afvalstoffenheffing wordt toegevoegd aan een reserve die bij de bepaling van het tarief van de afvalstoffenheffing van het volgende jaar aan de geraamde opbrengsten voor dat jaar wordt toegevoegd, waardoor het tarief van de afvalstoffenheffing voor het volgende jaar op een lager bedrag wordt vastgesteld dan het bedrag waarop het zou zijn vastgesteld indien het overschot uit het voorafgaande jaar niet in aanmerking zou zijn genomen.

Slotsom

7.8.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hoger beroep ongegrond en dient te worden beslist zoals hierna is vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig de heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. J.J.J. Engel en mr. F.G.F. Peters in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 25 november 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

  2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.