Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:330

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-02-2015
Datum publicatie
23-02-2015
Zaaknummer
22-002796-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht bewezen dat de verdachte zich samen met haar mededader (echtgenoot) schulig heeft gemaakt aan (medeplegen van) belaging van het gezin van haar dochter. Het hof legt voor het bewezenverklaarde feit geen straf of maatregel op (art. 9a Sr).

Tijdsverloop tusssen het verhoor van de verdachte, op 26 november 2011, en de beslissing tot dagvaarding van de verdachte, op 19 april 2013, levert geen grond op tot niet-ontvankelijkverklaring van Openbaar Ministerie in de vervolging. Ontbreken van klacht (art. 285b lid 2 Sr). Het hof komt op grond van feiten en omstandigheden tot het oordeel dat is voldaan aan het klachtvereiste.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002796-13

Parketnummer: 10-712387-12

Datum uitspraak: 23 februari 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 17 juni 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1941 te [geboorteplaats],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek

op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

9 februari 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 11 maart 2007 tot en met 11 maart 2011 te Rockanje, gemeente Westvoorne, Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van (haar dochter) [naam dochter] en/of (haar kleinzoon) [naam kleinzoon 1] en/of (haar kleinzoon) [naam kleinzoon 2] en/of (haar schoonzoon) [naam schoonzoon], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [naam dochter] en/of [naam kleinkind 1] en/of [naam kleinkind 2] en/of [naam schoonzoon], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte en/of haar mededader(s), meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- één of meerdere foto('s) gemaakt van die [naam kleinzoon 1] en/of [naam kleinzoon 2] en/of

- één of meerdere kaart(en) en/of brief/brieven en/of foto('s) en/of (een) ander(e) geschrift(en) gestuurd naar [naam dochter] en/of [naam kleinzoon 1] en/of [naam kleinzoon 2] en/of [naam schoonzoon] en/of

- zich opgehouden in de buurt van de woning van die [naam dochter] en/of [naam kleinzoon 1] en/of [naam kleinzoon 2] en/of [naam schoonzoon] en/of

- zich opgehouden in de buurt van de school van die [naam kleinzoon 1] en/of [naam kleinzoon 2] en/of

- zich opgehouden in de buurt van de sportvereniging van die [naam kleinzoon 1] en/of [naam kleinzoon 2].

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte

Door de raadsman is het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard, omdat het in de onderhavige zaak niet tot een beslissing tot (verdere) vervolging had mogen komen. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte en de medeverdachte reeds op 26 november 2011 zijn gehoord door de politie en dat het openbaar ministerie twee jaar later, op 19 april 2013, heeft besloten om de verdachte te dagvaarden. Dat was bezien in het licht van het tijdsverloop en de omstandigheid dat de verdachte een blanco strafblad heeft niet opportuun.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Naar ’s hofs oordeel is niet gebleken dat het openbaar ministerie ernstig inbreuk heeft gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde of doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte haar recht op een eerlijke behandeling van de zaak te kort heeft gedaan.

Het vorenstaande in aanmerking genomen kan niet worden gezegd dat het openbaar ministerie in redelijkheid niet had kunnen overgaan tot vervolging.

Voorts heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn overgelegde pleitaantekeningen – als tweede grond die dient te leiden tot (een gedeeltelijke) niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte, aangevoerd dat de dochter ook aangifte heeft gedaan namens haar echtgenoot terwijl die echtgenoot zelf slechts als getuige is gehoord en geen aangifte heeft gedaan en ook geen verzoek tot vervolging heeft ingediend.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de processtukken volgt dat de dochter van de verdachte, [naam dochter], op 11 maart 2011 aangifte heeft gedaan van belaging tegen haar ouders, te weten de verdachte en de medeverdachte. Voorts volgt uit de aangifte dat zij dat heeft gedaan namens haar twee minderjarige kinderen, die toen 10 en 6 jaar oud waren, en haar echtgenoot, [naam schoonzoon]. Naast een aangifte heeft [naam dochter] op 11 maart 2011 een klacht ingediend tegen de verdachte en de medeverdachte wegens belaging.

[Naam schoonzoon] heeft op 26 maart 2012 een getuigenverklaring afgelegd. In zijn verklaring heeft hij informatie gegeven over de belaging gepleegd door de verdachte en de medeverdachte en de wijze waarop dat inbreuk heeft gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer. Voorts volgt uit zijn verklaring dat hij samen met zijn vrouw, [naam dochter], vanaf 2003 een lijst heeft bijgehouden waarop alle contacten zijdens de verdachte en de medeverdachte met hen is opgenomen.

Het hof stelt voorop dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht en uit de ratio van het klachtvereiste kan worden opgemaakt dat iedere klachtgerechtigde zelf de wens tot vervolging in een klacht moet neerleggen. In casu ontbreekt een klacht van de echtgenoot, [naam schoonzoon]. Echter, gelet op het feit dat [naam dochter] mede aangifte heeft gedaan namens onder meer haar echtgenoot [naam schoonzoon], [naam dochter] uitdrukkelijk heeft verzocht tot vervolging van de verdachte over te gaan alsmede gelet op even genoemde verklaring van [naam schoonzoon], stelt het hof vast dat ook [naam schoonzoon] de bedoeling had dat een vervolging tegen de verdachte zou worden ingesteld.

Het hof verwerpt mitsdien de verweren van de raadsman. Het hof verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 11 maart 2007 tot en met 11 maart 2011 te Rockanje, gemeente Westvoorne, Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van haar dochter [naam dochter] en haar kleinzoon [naam kleinzoon 1] en haar kleinzoon [naam kleinzoon 2] en haar schoonzoon [naam schoonzoon], met het oogmerk die [naam dochter] en [naam kleinzoon 1] en [naam kleinzoon 2] en [naam schoonzoon], te dwingen iets te immers hebben verdachte en haar mededader,

- meerdere foto's gemaakt van die [naam kleinzoon 1] en [naam kleinzoon 2] en

- meerdere kaarten en brieven en foto's en andere geschriften gestuurd naar [naam dochter] en [naam kleinzoon 1] en [naam kleinzoon 2] en [naam schoonzoon] en

- zich opgehouden in de buurt van de woning van die [naam dochter] en [naam kleinzoon 1] en [naam kleinzoon 2] en

[naam schoonzoon] en

- zich opgehouden in de buurt van de school van die [naam kleinzoon 1] en [naam kleinzoon 2] en

- zich opgehouden in de buurt van de sportvereniging van die [naam kleinzoon 1] en [naam kleinzoon 2].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van belaging.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, het tenlastegelegde bewezen zal worden verklaard en dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Geen straf of maatregel

De verdachte heeft zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan belaging van hun dochter, schoonzoon en twee kleinkinderen door gedurende een periode van vier jaren op de bewezen verklaarde wijze inbreuk te maken op hun persoonlijke levenssfeer. Door de handelwijze van de verdachte heeft zij hinder en frustratie veroorzaakt bij het gezin van haar dochter en meer in het bijzonder angst bij haar minderjarige kleinkinderen.

Alhoewel het hof begrip heeft voor de omstandigheid dat de verdachte en de medeverdachte graag contact willen onderhouden met hun twee kleinkinderen, dienen zij doordrongen te zijn van de omstandigheid dat hun dochter en haar gezin dat om voor hen moverende redenen niet (meer) op prijs stellen. De verdachte en de medeverdachte dienen dat – hoe moeilijk ook – te respecteren.

Met de advocaat-generaal neemt het hof ten aanzien van een op te leggen straf in aanmerking hetgeen gedurende het verhandelde ter terechtzitting naar voren is gebracht en is gebleken omtrent de verstoorde familierelatie, het verdriet daarover, de omstandigheid dat de verdachte een blanco strafblad heeft en haar leeftijd.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat thans geen strafrechtelijk doel gediend is bij oplegging van enige straf en derhalve acht het hof het raadzaam te bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door mr. R.F. de Knoop,

mr. H.P.Ch. van Dijk en mr. A.W.M. Bijloos,

in bijzijn van de griffier mr. S.S. Mangal.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 februari 2015.

Mr. H.P.Ch. van Dijk en mr. A.W.M. Bijloos zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.